Rudi Vranckx deelt te Mosul gitaren uit: IS nog maar pas weg, en de jammende gabbers zijn al terug

Vranckx2

Ik weet dat het goed staat voor een intellectueel om te zeggen: “Ik kijk zelden TV, en zo ja enkel naar Culture Club”, maar neen, helaas: dat cultuurprogramma op Canvas is zo’n vreselijk aanstellerig onding met laagdrempelige pretenties dat het me elke zin beneemt om naar een museum te gaan, een boek te lezen of een Wagner-opera door de huiskamer te laten knallen.
Dat laatste gebeurt hier sowieso, en wel via een zelf samengestelde installatie die steeds in opbouw is, een dradenwirwar die de modale huisvrouw tot wanhoop drijft, biddend tot de hemel dat die Geert Hunaerts stuurt.
Wie? Inderdaad: de held van het VijfTV-programma “Help, mijn man is een klusser”, een realityprogramma waarin hulp wordt geboden aan wanhopige vrouwen van doe-het-zelvers die vaak al jaren in onafgemaakte huizen bivakkeren.” Vergeet Culture Club, dit is echt uit het leven gegrepen tragiek vol “kippenvelmomenten” maar met een happy end, namelijk wanneer Geert zijn ploeg échte klussers laat aanrukken, de schrikwekkende bouwval omtovert tot een aardig nestje, en in één moeite een relatie terug op de sporen zet. Wanhopige vrouwen van doe-het-zelvers, wie herkent zich niet in één van beiden?
Natuurlijk begint het na tien minuten echt wel op de zenuwen te werken, die pose van Geert als Zwaanridder en reddende engel, troostende schouder inbegrepen. Wanhopige vrouwen worden er zeker niet aangemoedigd om IRL hun verwarde vent zelf de les te lezen, een schop onder zijn kont te geven, eventueel ook de seksstaking als pressiemiddel in te zetten, neen, ze moeten wenen en hopen dat Geert aanbelt (dat gebeurt dan ook quasi spontaan-toevallig), een kans die zowat moet gelijk staan met het groot lot winnen. De 999999 andere wanhopige vrouwen hebben dan gewoon pech en moeten doorgaan met (wan)hopen, geduld oefenen en over de kabels struikelen. Of waarom Vijf TV, een zender die zich vooral op vrouwen richt (“Wijf TV”), zich eigenlijk in een middeleeuwse setting beweegt.

“Imagine”
Dat gevoel had ik ook –ja, dit wordt een éénmalige TV-rubriek-, bij een heel andere maar toch weer dezelfde enscenering rond hulpvaardigheid met veel camera’s in de buurt: sterreporter Rudi Vranckx die in het van IS bevrijde Mosul/Irak alhier verzamelde muziekinstrumenten kwam aandragen, want die waren verboden in het kalifaat. Kippenvelmomenten, weerom. We zien twee dankbare Mosulenaars Imagine van John Lennon spelen, terwijl je Rudi ziet luisteren en duidelijk denkt: “wat ben ik toch een goed mens”.
En ja, vreselijk, ik weet het, mijn associatief brein speelt me weer parten, maar die twee Iraakse gabbers met hun gitaar, een Beatles-song spelend tussen het puin, deden me exact denken aan hoger vernoemde klussers die met Cultuur of zo bezig zijn terwijl hun vrouwen een potje trachten te koken tussen de brokstukken. IS is dan wel verjaagd, maar John Lennon is in de plaats gekomen, zonder onderbreking, zonder pauze, alsof iemand schrik had dat de Irakezen het alleen gingen uitzoeken.
Rudi en Geert, twee TV-ridders, met dat verschil dat Geert tenminste nog aan de kant staat van de moeders, terwijl Rudi de uit hun kelders gekropen klussers op straat laat jammen. Ineens leek de gitaarscène me een metafoor voor de mannencultuur tout-court, het zichzelf interessant vinden en de metafysica demonstreren middels muziek die uit het puin weerklinkt. Gezwollen idealisme, nu al, op die geteisterde plek waar mensen nog volop bij hun positieven moeten komen. Straks krijgen we Bach, als de violen gearriveerd zijn, en dan hopen die vrouwen misschien wel stiekem dat IS nog eens langskomt, hou me tegen als ik overdrijf.

 

IS is dan wel verjaagd, maar John Lennon is in de plaats gekomen, zonder onderbreking, zonder pauze, alsof iemand schrik had dat de Irakezen het alleen gingen uitzoeken.

Rudi Vranckx heb ik met de beste wil nooit ernstig kunnen nemen. Als “oorlogverslaggever” leek hij me altijd ver achter de linies vooral begaan met zichzelf, de camera’s, morele bespiegelingen en altijd diezelfde humanitaire weldenkendheid die op een of andere manier niet matcht met harde objectiviteit. Vranckx, dat is waterige soep met flaporen, terwijl je snakt naar een kruidige stoverij, sorry voor de vegetariërs.
Maar genoeg persoonlijke beledigingen. Is de actie “Rudi verzamelt muziekinstrumenten voor Mosul” toch weer niet zo’n subtiele vorm van neokolonialisme? Hebben die Syriërs geen eigen muziek dat ze muzak als Imagine moeten spelen? Zou Rudi dat soort goedbedoelde liefdadigheid,- ik herhaal het, altijd met veel camera’s er rond,- niet beter overlaten aan NGO’s en wederopbouworganisaties? Moet een reporter, om zijn journalistiek serieux te bevestigen en zijn vedettestatus kracht bij te zetten, nu echt voor Sinterklaas spelen in een bevrijde stad?
TV en liefdadigheid, het is een dodelijke combinatie, het leidt tot een universalisering van afhankelijkheid en daarbij horende betutteling. Het idee dat niemand nog zijn problemen zelf kan oplossen, leidt tot een filantropische tsunami van goede bedoelingen maar ook van zelfstrelende opdringerigheid die we allemaal kennen van zwaar gemediatiseerde goede-doelen-acties zoals “De Warmste Week” waar de BV’s en VIPs elkaar voor de voeten lopen.
Het refrein van Imagine lijkt alleszins de klusser op het lijf geschreven, toeval bestaat niet:
You may say I'm a dreamer
But I'm not the only one
I hope some day you'll join us
And the world will live as one.
John Lennon is multi-miljonair geworden met dat nummer en maakte zijn vrouw euforisch, een geslaagde klusser dus, neem er een voorbeeld aan, klungelende gabbers wereldwijd.
Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

De “zachte” Nobelprijzen: het jaarlijkse festival van de middelmatigheid en de morele hypocrisie

STOCKHOLM: Nobel Prize Award Ceremony 2010.

Ze vallen nu letterlijk uit de lucht, de prijzen, en telkens wordt er goedkeurend geroezemoesd: tijd voor nobele gevoelens en dito commentaren van kenners. En ik heb het dan uiteraard over de “zachte” prijzen, niet deze voor geneeskunde of fysica.
Gisteren werd de Nobelprijs Literatuur toegekend aan de Japans-Engelse auteur Kazuo Ishiguro, waarvan Herman Brusselmans zegt dat “zijn boeken op geen kloten trekken”. Vermoedelijk voor de grap voegde hij er nog aan toe dat Griet Op de Beeck die prijs best wel had mogen hebben. Ik meng me niet in deze heikele discussie want ik lees nauwelijks romans. Wat ik wel overal lees is, dat deze schrijver een consensusfiguur is, gewaardeerd door andere schrijvers, recensenten en lezers. Iemand die dus geen weerstand oproept, en daarmee is wellicht het belangrijkste gezegd.
Nu moet u vooreerst weten dat, zoals met alle prijzen, kandidaten eerst moeten worden voorgedragen. In dit geval geschiedt dat via leden van letterkundige academies en verenigingen, professoren in taal- of letterkunde, oud-Nobelprijswinnaars en voorzitters van schrijversorganisaties.
Dat zegt al iets over de salonfähigkeit van een kandidaat: zo iemand moet goed liggen in de literair-culturele cenakels, vriendelijk wezen voor collega’s, beminnelijkheid uitstralen, en vooral niet teveel controverse oproepen. De Deen Henrik Pontoppidan (wie?) viel alzo in de prijzen, naast Grazia Deledda (idem) en Winston Churchill (echt waar, in 1953, vermoedelijk vanwege zijn volzin “we slaughtered the wrong pig”), maar niet Leo Tolstoj, Henrik Ibsen, Émile Zola, Arthur Miller, James Joyce, Franz Kafka, Marcel Proust, Robert Musil, Vladimir Nabokov, Virginia Woolf, Salman Rushdie, en andere literaire lichtgewichten.
“Middelmatig” is het epitheton dat het best past bij de Nobelprijs literatuur.

De intertekst
pyramideEn voor u nu denkt “Sanctorum is pissig omdat hij die prijs zelf niet kreeg”: ik zou hem nooit aanvaarden, om de simpele reden dat ik geen literatuur schrijf, en omdat ik mezelf ook niet als literair subject beschouw, een “schrijver” die zijn op een secrétaire neergepende zielenroerselen via een uitgever in gedrukte vorm aan de wereld openbaart.
Ik beschouw mezelf namelijk eerder als een medium, een vergaarbak, een WC-pot waarin de wereld binnenstroomt, waar een en ander blijft plakken aan de borstel, en waar de rest langs achter weer buiten stroomt. Om het nog prozaïscher te zeggen: in de 21ste eeuw, die van de postmoderniteit, zou een auteur toch moeten beseffen dat velen zijn pen vasthouden, dat iedereen mee schrijft, er zijn geen “lezers” meer, behalve enkele sufkoppige boekenwormen die hun dagelijkse dosis literatuur als een bruistablet opnemen.
Het is dankzij de sociale media dat iedereen schrijver wordt, tot verbijstering van perskaartjournalisten en euh… leden van de PEN-club, en dat vind ik een echte vooruitgang, een culturele revolutie zoals we sinds het uitvinden van de boekdrukkunst niet meer hebben gekend.
Wat door filosofen als de intertekst wordt aangeduid, komt er op neer dat schrijven niet ontstaat uit het niets, de muzische “inspiratie” van een scribent, maar uit andere teksten, alles wat gezegd, geschreven, gedaan, verzwegen wordt. De krant en het internet dus, hoe trivialer hoe beter. Laat maar komen dus, die shit, de propere billen van de Muze mogen zich elders neervlijen.
Ik zou dus begot niet weten wat schrijven, mocht Griet Op de Beeck niet zo’n slechte, melige boeken verkopen, mocht de Stier van Marcinelle geen 6.000 euro per maand steungeld krijgen, mocht Bart Maddens geen bloedneus in Barcelona hebben opgelopen, mocht Dalilla Hermans niet zo Freudiaans tegen Zwarte Piet te keer gaan, of mochten Kim Jong-un en Trump niet onder met gevaarlijk speelgoed stoeien.
Allen verdienen ze meer de Nobelprijs dan ik, in die zin heeft Brusselmans dan toch nog gelijk wat Op De Beeck betreft. En wat meer is: het schrijven vandaag heeft vooral zin als betoog, moment in het spel van these en antithese, een woordenstrijd, ook wel polemiek genoemd. Scheldproza als het ware. Maar dat is uiteraard aan het Comité niet besteed.
Voor de rest is het absoluut onmogelijk dat een internetpublicist of blogger ook maar in de shortlist zou geraken: de Nobelprijs Letterkunde is en blijft een pendant van de boekenindustrie, ook in de 21ste eeuw.

Gutmenschen
dynamiet

Zopas wordt het breaking news de wereld ingestuurd dat het ICAN, het Internationaal Comité tegen de Verspreiding van Kernwapens, de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen. Een goede keuze, al zullen de acht kernmachten er zich geen zier van aantrekken, integendeel, het versterkt het status-quo en hun monopolie, tegen schlemielen zoals Noord-Korea die het ook eens willen proberen.

We gaan er voorts niet nog eens op wijzen dat Hitler, Mussolini en Stalin ook ooit op de shortlist stonden voor die Vredesprijs. Henri Kissinger, de man achter de napalmbombardementen op Vietnam, kreeg hem effectief, evenals de EU, die nu wegkijkt terwijl Catalonië onder de matrakken kreunt.
NobelHet is vooral dat die prijs zo’n dubieuze komaf heeft, en een missie die spreekt over idealisme,- altijd verdacht. Leuke anekdote daarbij is, dat Alfred Nobel, uitvinder van het dynamiet en grote leverancier aan de wapenindustrie, ooit zijn eigen doodsbericht in de krant las (men verwarde hem met zijn broer Ludvid), waarin hij als “handelaar in de dood” werd gekwalificeerd.
Dat greep hem zo aan dat hij zijn testament veranderde en die Nobelprijzen oprichtte, te spijzen met de rente op zijn fortuin. Schuldig geweten dus, angst voor imagoschade, en het stiekeme verlangen om als steenrijke wapenhandelaar alsnog een plaatsje in de hemel af te kopen. Op die neurotische wrat loopt het Nobelprijscircus al meer dan een eeuw.

Daarom baadt het discours van het Comité in een sfeer van politieke correctheid en morele hypocrisie, vooral beducht voor controverse. Het gaat om een selecte club van Gutmenschen die zichzelf uitroepen tot wereldgeweten, humanitaire opperrechters die goed van kwaad kunnen onderscheiden en daarin telkens weer de bal misslaan. Zielig vertoon eigenlijk.

De sarcastische quote van George Bernard Shaw (die de literaire prijs weigerde) komt nog het dichtst bij de waarheid: I can forgive Alfred Nobel for having invented dynamite, but only a fiend in human form could have invented the Nobel Prize” (“Ik kan Alfred Nobel vergeven dat hij het dynamiet uitvond, maar alleen de duivel in mensengedaante kan zoiets als een Nobelprijs verzinnen”).  Strijkmuziekje en applaus.

 

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

De stier van Marcinelle is niet meer: hulde aan de man die alle clichés bevestigde.

stier

Uitgerekend gisteren, op dierendag, krijgen we te horen dat de stier van Marcinelle overleden is. De wat? Jawel, het is de bijnaam van Serge Regnier, vader van 31 kinderen bij drie (met hem inwonende) mama’s, te weten zijn echtgenote, haar zus en zijn vriendin.

In de krantenberichten overheerst ironische bewondering omwille van zijn potentie en vermogen om drie vrouwen seksueel aan zich te binden. Ookl al zijn er de moraalridders die dit frappant geval van polygame zedenverwildering aan de kaak willen stellen.

Voor de betere observator zijn er ook een paar tragi-komische kantjes aan. Serge overleed op 58-jarige leeftijd aan een hersentumor, wat doet vermoeden dat hij behalve het libido ook slechte genen doorgaf aan zijn 31 spruiten. Een geval van genetische degeneratie dus.

Als je die foto met de kindjes bekijkt die natuurlijk allemaal een goed leven willen, denk je toch: waarom zijn ze in godsnaam op de wereld gezet. Dat mag u natuurlijk bij vele menselijke exemplaren denken. De overbevolking, gecombineerd met het onheil dat deze planeet treft, wettigt het vermoeden dat we het niet lang meer zullen rekken en dat we best nog in leut eindigen, zoals Serge Regnier dus, of Pascale Peraita, of Stephen Paddock.


Selectieve dierenliefde
Die werelddierendag –waarvan we, zoals altijd, maar ‘s avonds het bestaan vernemen- zet onze dubieuze relatie met het dier nog eens op scherp. Respectievelijk het eetdier (runderen, kippen), het gezelschaps- of knuffeldier (de koala, uw goudvis), en het uit te roeien ongedierte (de tijgermug, virussen) behoren tot verschillende werelden waarop verschillende strategieën van toepassing zijn.
Eerst het voedseldier. De directeur van dat beruchte slachthuis in Izegem heeft nu, heel slim, in heel zijn etablissement camera’s laten plaatsen waarop iedereen via het web kan inloggen. Zijn boodschap: “Kijk mensen, u wil vlees op uw bord, ik zorg daarvoor. Het loopt al eens mis, zoals er ook kinderen in het verkeer omkomen, en we proberen er wat aan te doen. De rest is praat voor de vaak en de hobby van marginale veganisten”.
Daar valt geen speld tussen te krijgen. De miljoenen poezenfilmpjes op Facebook en Twitter staan daarmee niet in tegenspraak, ze tonen alleen aan dat ook vleeseters behoefte hebben aan affectie en softe waarden, waarvoor we weer het dier als knuffelbeest benutten. Idem dito voor die politiehond Rex, uit het asiel gehaald en tot speurhond voor IS-explosieven opgeleid. Ja, dat lezen we graag, zo’n happy end, ook al zal die hond ooit wel eens door een bom worden uiteen gereten waarna de dierenliefde weer zal losbreken in alle krantenkolommen.

En dan zijn er natuurlijk nog de vervloekte beesten, parasieten die ons het leven zuur willen maken. Is dierenwelzijn universeel? Moet het in de grondwet worden ingeschreven, zoals de Nederlandse Partij voor de Dieren dat wil? Hmm, moeilijk, anders moet het Aidsvirus ook beschermd worden, alsook de sprinkhaan die akkers kaal vreet, of die Aziatische tijgermug of de Canadese brulkikker, “exoten” die het liefst zo snel mogelijk moeten uitgeroeid worden, neen, geen goedkope grappen over Filip De Winter.

Onze selectieve dierenliefde, gebaseerd op nutsoverwegingen, is gewoon een residu van een oude zoogdierenlogica, waar je natuurlijke vijanden hebt, prooidieren, en dan ook nog ergens soorten die gedoogd worden of waarmee zelfs een samenwerkingsrelatie wordt opgezet. Het is ook deze logica die ervoor zorgt dat de mens, een soort quasi zonder natuurlijke vijanden, behalve vlees eten nog iets anders doet om zijn toppositie in de voedselketen te demonstreren: hij doodt met veel vreugde zijn soortgenoten, het zogenaamde kannibalisme.
De menselijke bloeddorstigheid overtreft alle dierlijke gelijkenissen. Het sadisme, het vermogen en de wellust om anderen te kwellen, te pijnigen, de dood in te drijven, kan alleen verklaard worden vanuit een dramatisch gebrek aan biologische inbedding in een voedselketen. De zelfverklaarde kroon op de schepping, de dominante soort op deze planeet die alle andere soorten aan het uitroeien is, roeit ook zichzelf uit van pure verveling en zelfwalg. Vandaar de stammenoorlogen, de H-bom, Las Vegas, maar ook het suïcidale autorijden, het zich kapot vreten of drinken, de rat race naar de carrière-top inclusief burn-out, het universele pestgedrag en de oorlog-van-allen-tegen (homo homini lupus, het motto van de filosoof Thomas Hobbes).

En zo zijn we weer bij het absurde voortplantingsgedrag van de stier van Marcinelle. Ik weet echt niet of ik jaloers moet zijn op hem, of verontwaardigd. Vermoedelijk deed deze liefhebbende man, schoonbroer, minnaar geen vlieg kwaad en toch levert hij een beduidende bijdrage aan de teloorgang van het menselijk ras.

“Laat ze maar lachen, dit is het leven waarvoor wij gekozen hebben”, monkelde Serge, daar in de schaduw van de mijnterrils. Een doordenker van formaat. Hebben wij wel voor hem gekozen? In Vlaams-rechtse kringen wordt fameus gemopperd over de royale kinderbijslag die deze luie Waal (en echte Belg overigens) maandelijks binnenrijft: zo’n 7500 euro, plus viermaal dopgeld want niemand in het gezin gaat uit werken. Iemand die dus in onze portefeuille zat, ja, die begraven we graag, temeer daar Le Taureau de Marcinelle ginder onnoemelijk populair was.
Hulde aan de man die alle clichés bevestigde: fier dat ik Vlaming ben, noem het selectieve dierenliefde.
Geplaatst in Geen categorie

Egmont mag eindelijk op de Boekenbeurs: fijn voor het VB, maar de poco-censuur blijft springlevend

geencensuur

Op 9 april 2009 werd in De Standaard een door mij geredigeerde open brief gepubliceerd, getiteld “Het ritselt weer onder de toonbanken”. De brief kloeg het klimaat van politiek-correcte (zelf)censuur aan in Vlaanderen en werd door een hele schare Vlaamse intellectuelen, zeker niet allemaal van rechtse huize, ondertekend. Toch werd de tekst door weldenkend links als een (extreem-)rechts schotschrift verbanvloekt. We hekelden er onder meer hoe de in Nederland enthousiast onthaalde Mitterrand-biografie bij ons uit de rekken werd gehaald nadat bleek dat toenmalig VB-politicus Koen Dillen achter het pseudoniem stak.

Jos Gheysels, bedenker van het “cordon” en voorzitter van boek.be

De ondertekenaars wezen er ook op dat uitgeverij Egmont door boek.be, organisator van de Antwerpse Boekenbeurs, om mistige redenen geweerd werd uit die Boekenbeurs. Egmont is namelijk de uitgeverij die door het Vlaams Belang wordt beheerd, en de toenmalige voorzitter van boek.be was ene Jos Gheysels, groene politicus en dé architect van het cordon sanitaire dat begin de jaren ’90, na de zgn. Zwarte Zondag, werd overeengekomen tussen alle “democratische partijen” (sic). Een cordon dat al spoedig een mediatiek en socio-cultureel verlengstuk zou krijgen: het VB en zijn ideeën moesten doodgezwegen worden.

Het degoutant spelletje dat boek.be en de Groep Algemene Uitgevers (GAU) speelden, bestond erin dat men zich achter allerlei alibi’s verstopte en zelfs de statuten herschreef om Egmont als “ondemocratische uitgeverij” niet tot de vzw toe te laten. Lidmaatschap was een voorwaarde om aan de Beurs deel te nemen. Terwijl Abou Jahjah, Jihadist Younes Delefortrie, Peter Mertens en andere kampioenen van de democratie er wel vrolijk signeerden. En terwijl ook de Koran er een prominente plaats kreeg en krijgt, nog zo’n boek dat voor onze democratische vrijheden opkomt.
O.m. ex-Knack-journalist Piet De Moor, die in zijn (vermoedelijk zelf geschreven) Wiki-pagina laat optekenen dat hij “zich verzet zich tegen grote dogmatische en totalitaire verhalen”, ging schuimbekkend te keer tegen de open brief die als “ranzig” werd gekwalificeerd. Tja. Als een pleidooi voor een open debat en een open boekencultuur al ranzig is. Ook Karl van den Broeck‏, ex-Knack hoofdredacteur en sinds februari 2014 hoofdredacteur van Apache.be, kroop in de pen tegen die onduldbare oprisping van vrije meningsuiting.

Het was mijn laatste publicatie in De Standaard: na die dag sloten de kolommen onherroepelijk voor ondergetekende,- blijkbaar was de lobby uit de Vlaamse culturele sector succesrijk geweest. Professor Vermeersch, mede-ondertekenaar, werd nadien geïntimideerd en onder druk gezet om zich te distantiëren. Intellectueel Vlaanderen op zijn best. Opvallend is ook dat de passage over de Boekenbeurs in de open brief (in het rood aangeduid op mijn blog) door de opinieredactie werd weg gecensureerd: zo te zien was die info niet bestemd voor DS-lezers. “Informatie op uw niveau”, luidde toen het motto van DS.

Cultuurmarxisme

Dat is nu acht jaar geleden, en al die tijd is de goedzakkige Vlaamse cultuur- en media-elite blijven doorsudderen op haar eigen grote gelijk. Zich bewust van haar grote historische missie om de Vlaamse onderbuik in te snoeren tot een aanvaardbare vorm van politieke hygiëne. En tegelijk des te knorriger omdat politiek links in Vlaanderen wegzakte tot op een marginaal niveau, hoewel het er toch steeds weer in slaagde om boven zijn gewicht te boksen via mandaten, ministerportefeuilles (tot 2014), zitjes in intercommunales enz. Inclusief de graai-excessen van het kaviaarsocialisme die naar boven kwamen. Binnen de VRT circuleerde toen een nota, getiteld “De publieke omroep en de democratische samenleving”, waarin onomwonden werd gesteld dat het VB niet als een normale partij mocht behandeld worden. Ongezien.

Het cordon was alleszins succesvol: met de partij ging het electoraal bergaf, ze slaagde er nauwelijks nog in om medewerkers aan te trekken, de N-VA nam een groot deel van het VB-discours plus de kiezers over,- waarbij zonder veel morren het onafhankelijkheidsthema in de diepvries terecht kwam. De huidige peilingen geven nog zo’n 10%. Opdracht geslaagd. Nu mag voorzitter Tom Van Grieken wél in Terzake komen en al eens een krantencolumn plegen want we leven in een democratie, niet waar.

En kijk: nu heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg in Antwerpen het VB zelfs gelijk gegeven in zijn eis om tot die Antwerpse Boekenbeurs te worden toegelaten, op straffe van een dwangsom van 500.000 euro. Want: terwijl boek.be volhield dat Egmont niet in aanmerking kwam omdat het VB discriminatie zou verdedigen, bezondigden de Vlaamse uitgevers zich zelf aan discriminatie”, zo constateert het vonnis fijntjes.

Het Vlaams Belang is uiteraard opgetogen. Ik niet, het zijn vijgen na Pasen. Het vonnis komt 25 jaar te laat en is puur symbolisch. Hopelijk voor Van Grieken en C° houdt boek.be het been stijf en casht het VB alvast elk jaar een half miljoen. En ik zou juridisch verder gaan en een vergoeding eisen voor mislopen inkomsten en morele schade. Het cordon zelf, in heel zijn politieke, sociale, mediatieke en culturele dimensie, moet het voorwerp zijn van een juridische en grondwettelijke doorlichting. Het was van begin af aan een rotte appel in de Belgische politieke mand, waar de wormen ongehinderd bleven uit kruipen.

Voor de rest, ach, boeken, u kent mijn mening. De interesse voor de boekenbeurs stagneert, het grootste deel van de Vlaamse uitgeversproductie eindigt bij ramsjhandelaar De Slegte, op de kookboeken van Meus en C° na. En vandaag worden het debat op de sociale media gevoerd, niet in boekenbeurspanels.
Niettemin is het cultureel-intellectueel klimaat ten gronde nauwelijks veranderd. De gesettelde media blijven halsstarrig een soort poco-fatsoen handhaven tegen wat zij als rechts-populistische vloedgolf zien, en in de cultuursector heerst nog steeds de pensée unique, het morele superioriteitsdenken dat uit de vrolijke revolte van Mei ’68 neerdaalde.
Iemand als Luckas Vander Taelen, ex-Groen en toch niet bepaald een rechtshangende jongen, stelt vast dat hij, sinds zijn kritische uitlatingen over de islam, nooit nog voor een lezing wordt uitgenodigd in het “progressieve” circuit. Deur gewoon dicht. Over de interventies van de Gentse theaterregisseur Dominique Willaert om Theo Francken het spreken te beletten, het kromdenken van DS-cultuurjournalist Wouter Hillaert (“Hart boven Hard”), de defenstratie van Karl Drabbe bij Uitgeverij Pelckmans, en het rabiate cultuurmarxisme van het zwaar gesubsidieerde kunstenblad Recto-Verso zwijg ik zedig.

Soit, Egmont mag eindelijk op de Boekenbeurs: fijn voor het VB, maar vrolijk word ik er niet van. Iets zegt me zelfs dat er altijd wel een literatuur zal zijn waartegen het Vlaamse uitgeverswereldje zijn veto stelt, of waar de krantenredacties het moeilijk mee hebben. Voltaire’s pamfletten werden ook verbrand, ziet u, achteraf bekeken toch een kenmerk van kwaliteit.

 

Geplaatst in Geen categorie | 8 reacties

Opstootjes op referendumdag: het lijkt wel een stierengevecht, maar wie is de matador?

bloedneus
Voor velen is het een raadsel waarom die Spaanse premier Mariano Rajoy zo lomp en empathieloos zijn Guardia Civil afstuurt op die vriendelijke, edelmoedige Catalanen die zich zomaar in mekaar laten kloppen, tot afgrijzen van alle media. Ik zal voor u een tip van de sluier lichten: Rajoy wil helemaal niet de softie uithangen en schaak spelen, hij huldigt veeleer het Iberische paradigma van het stierengevecht.

Nationaal Spaans erfgoed
Weliswaar een omstreden spektakel, maar als Spaans nationaal cultuurgoed wettelijk vastgelegd, en kandidaat voor een plaats in het Unesco-werelderfgoed. Daardoor kon het Spaanse Grondwettelijk Hof ook de Catalaanse beslissing om het stierengevecht te verbieden, ongedaan maken.
Politiek staat Rajoy zwak,- zijn regering heeft niet eens een meerderheid en zijn populariteit is tanende, zelfs binnen zijn conservatieve partij,- net daarom speelt hij het spel meta-politiek, vanuit de eeuwenoude spelregels van de corrida de toros, niet voor gevoelige zielen. Een ritueel dat door de liefhebbers als sport en zelfs als dans wordt beschouwd, en waar het dier na een afmattingsronde (de picadors die de stier uitdagen, verwonden, maar zeker niet mogen doden) door de matador in het hart wordt gestoken. Dat is althans de bedoeling.
Alles heeft zijn voorgeschreven duurtijd en het gaat er democratisch aan toe, al hebben wij een andere mening over democratie: het publiek roept olé als het goed is of geeft met boegeroep te kennen dat de matador er niks van bakt. Het geeft op het einde “punten”, ook aan de stier, wiens vlees vroeger aan de armen werd verdeeld, een eindbestemming die het gemeen heeft met ons Antoniusvarken.
Mariano Rajoy behandelt de opstandige provincie dus als een woeste toro, waarmee je vooral niet moet praten want dan krijg je geheid zijn horens in je achterste. Een culturele metafoor waar wij bij steigeren, met ons frituurnationalisme, maar waar de Catalanen zelf historisch moeilijk onderuit kunnen.
Reeds in de Romeinse tijd werden er stierengevechten gehouden waarbij jonge mannen hun moed konden tonen door in de arena te stappen of namen gladiatoren het op tegen een vechtstier. De Arabieren importeerden eeuwen later de versie van de matador te paard. De dodelijke cultus van de stier gaat naar het schijnt terug op de Minoïsche beschaving en de mythe van de Minotaurus, het monster dat het Kretenzische labyrint bewaakte en door Theseus werd gedood, waarna de held het doolhof ook weer kon verlaten dankzij de draad van Ariadne.

Het uur van de waarheid
De stier is hoe dan ook de pineut. Velen denken dat het beest tijdens de corrida ongestructureerd aanvalt, maar in feite verdedigt hij zijn territorium,- zijn aanval is defensief tegenover de torero die met een rode doek staat te zwaaien. Dat maakt de stier zowaar tot een regionalistisch-identitair symbool, maar natuurlijk ook tot een prooi van het roofdier dat de regels van de tauromachie vastlegt, en waarbij de stier vrijwel altijd finaal het onderspit delft, namelijk op la hora de la verdad (het uur van de waarheid), waar de genadesteek wordt toegediend.
Anders gezegd: gisteren speelde Catalonië zijn rol van uitgedaagd arenabeest met verve door dat dolle referendum door te drijven. De Guardia Civil deed anderzijds perfect wat de picadores moeten doen: er viel werkelijk niet één dode, wel was er bloed te zien van mensen die ook naar buiten waren gekomen om hun identiteit te verdedigen en op hun bakkes te laten slaan, olé. Een van de meest beangstigende momenten uit mijn leven”, noemt Bart Maddens het in De Morgen. Hij stond als internationaal waarnemer in een kieslokaal en werd door een handvol Spaanse flikken hardhandig naar buiten gesleurd. Zonder veel erg, maar zo’n professor is ook niet veel gewoon, en verstaat van stierengevechten al helemaal niks.
We zaten hier, met andere woorden, op de voorste rij naar een stuk Spaans erfgoed te kijken, waar Catalonië wel geen deel van wil uitmaken, maar waar het toch volop in figureert en meespeelt. Dat er tijdens de gewelddadige referendumgang niet één dode te betreuren viel, is anderzijds slecht nieuws voor de Catalaanse autonomisten. Stel u voor wat een martelaardiscours het dan was geworden.
Ik voorspel u op een briefje: in een volgende fase zal matador Rajoy de stier deskundig afmaken, jammer voor de romantici die denken dat de onafhankelijkheid nu voor de deur staat. Geprovoceerd, vermoeid en verward, en met de hulp van de EU (die Rajoy een stilzwijgend mandaat gaf om geweld, maar ook niet té veel, te gebruiken), zal in la hora de la verdad Carles Puigdemont zichzelf voorbijlopen en inzien dat een Catalaanse republiek nooit internationaal erkend zou geraken als het alle banden met Spanje doorsnijdt.
Misschien heeft Mariano Rajoy ook wel de mosterd gehaald bij de staatsterreur van de Syrische president Assad: geweld loont en macht komt uit de loop van een geweer, aldus Mao Tse Toeng. De internationale gemeenschap mag best wel verontwaardigd zijn, maar volgens Machiavelli moet er bij een opstand eerst hard worden opgetreden en dan pas onderhandeld. “Hoy no ha habido un referéndum en Cataluña, simpel toch?
Sorry dat ik geen beter nieuws voor u heb, en misschien is de treuzelstrategie van de N-VA dan toch nog de best haalbare. Catalonië toont vooral hoe we het niet moeten aanpakken.
Frituurnationalisme dus. Ik moet dringend eens met Bart Maddens gaan eten.
Geplaatst in Geen categorie | 12 reacties

De Nobelprijs geneeskunde “ontdekt” een oude grootmoederswijsheid: als het donker is moet je gaan slapen

slapendeJowan

De Nobelprijs voor Geneeskunde wordt dit jaar uitgereikt aan het Amerikaanse driemanschap Jeffrey Hall, Michael Rosbash en Michael Young, en dit voor hun onderzoek naar biologische slaapritmes, meer bepaald de aanmaak van eiwitten die het circadiaans of 24-uursritme bepalen, overeenkomstig de zonnerotatie.


De biologische klok dus, en waarom we best gaan slapen als het donker wordt, met de kippen op stok als het ware. De drie biologen raken een fundamenteel probleem aan waar we allemaal mee te maken krijgen: de wereldreiziger is de aarde en het Noorden kwijt, onze relatie met de natuur is penibel, en ergens wreekt zich dat. De jet-lag is maar één aspect van een verstoorde slaap die eigenlijk typerend is voor onze moderne samenleving en zijn complexe schema’s, routines die nauwelijks nog ingesteld zijn op het oerritme dat onze oude hersenstam nastreeft.

Een gezonde slaap is een gezond leven, dat weten we allemaal. Er wordt een dagelijkse grote opkuis gedaan waarin vooral ook mentaal gevaarlijk afval wordt geneutraliseerd via de droom, dit vooral tijdens de diepe REM-slaap. Alles wat ons ergert, kwelt, angstig maakt, dagresten die in ons geheugen blijven rondspoken, komt in de droom aan de oppervlakte en wordt verwerkt, “verdund” tot een fantastische, symbolistische cinema met veel losse uiteindjes die we af en toe ’s morgens kunnen navertellen.

De droom, als prototype van de menselijke verbeelding (al dromen andere zoogdieren ook). Dat verwerkingsproces is ook nodig om te kunnen slapen, want het is net de symbolische verpakking van bijvoorbeeld een angst, die ervoor zorgt dat we niet wakker schieten zoals dat in een nachtmerrie gebeurt. Hetgeen Sigmund Freud bedoelde met “de droom, als hoeder van de slaap”. Slaap zacht, droom zoet, het is een wens die echt wel ergens op slaat.

De Homo Somnambulensis

Maar dit alles wordt problematisch als de slaper door een zee van prikkels uit zijn slaap wordt gehouden, of zelfs dag en nacht verwisselt waardoor heel die reinigingscyclus op zijn kop wordt gezet. Sterker nog: er is zoveel licht en geluid, 24u/24u, dat ons lichaam in een nieuwe modus overgaat, namelijk die van een min of meer permanent slaapwandelaarschap: een toestand waarin men niet alert is, maar ook niet bewusteloos. We slapen niet echt, en we zijn ook niet wakker, we doen alles min of meer op automatische piloot, volgens routines die het lichaam steeds meer als een machine sturen, een robotachtig vehikel met een brein dat gehersenspoeld wordt in plaats van dat het zichzelf recycleert. We hebben dan ook geen droom meer nodig, het leven zelf wordt een dagdroom, of af en toe een nachtmerrie.

Ach, ik stel dat nu zo scherp. Maar binnen dat somnambulair patroon kunnen we best wel goed functioneren, zelfs goeie punten halen op school, hard werken, promotie maken, grappig uit de hoek komen, een artikel schrijven, een Nobelprijs winnen. Het is niet dat iedereen zich als een zombie gedraagt. Wel worden ons steeds meer “lichaamsvreemde” ritmes en cycli opgedrongen (de week met zeven dagen is er zo een, met die typische baalmaandag, of denk aan de zomertijd) waardoor we op andere klokken gaan leven die ons ook volgzamer maken, meer gericht op sociale normen en hiërarchie. Daarmee komen we ook bij de politieke betekenis van dat in de verdrukking gekomen bioritme: de slaapwandeltoestand is deze van de gemassificeerde mens, een termietenheuvel van zeven miljard exemplaren die rondjes lopen op de maat van een genadeloze systeemklok.

Af en toe slaan de stoppen door en schiet er eentje vijftig mensen neer vanuit een flatgebouw, in een stad als Las Vegas waar het altijd dag én nacht is, een soort Mahagony waar 24u non stop kan geslaapwandeld worden, eventueel zwevend in een chemisch opgewekte roestoestand die het primaire bioritme verder wegdringt. Slaappillen, anti-depressiva en peppillen: de farmaceutica groeit en bloeit in het somnambulaire universum waar de zon nooit op- of ondergaat, om van de maan nog maar te zwijgen. De voorbehoedspil, dat is nog zo’n uitvinding, met dank aan de geneeskunde, die het lichaam “emancipeerde” uit de natuurlijke cyclus, waardoor vrouwen op de duur zelfs niet meer menstrueren.

En zo hebben die drie Amerikanen opnieuw het warm water uitgevonden: als het donker wordt moet je gaan slapen. Quod non. De vraag is of we dat primaire bioritme van het zoogdier en de oermens ooit nog zullen terugvinden. De industrialisering, de grootstad, de cinema, de televisie en nadien de pc en het internet hebben een nieuwe wereld geopend waarin het nooit donker wordt en de schermen altijd oplichten. Dat scherm, daar raken we nooit meer van af, en straks zal het internet of things ons compleet synchroniseren met een digitale klok die werkelijk niks meer te maken heeft met de zonnerotatie, de maanstanden of REM-slaap.

U begrijpt, er zit een flinke dosis cultuurpessimisme en nostalgie in die herontdekking van het aardse bioritme, op een moment dat het grofste speelgoed nog eens wordt boven gehaald, te weten de H-bom, ook ontwikkeld in Amerikaanse researchcentra. De wetenschap vernietigt zoveel als ze opbouwt, dat is een constante. Mogelijk is de “slaapneutrale” toestand van de Homo Somnambulensis een voorbereiding op onze exit uit de planeet, waarbij die fameuze biologische klok ons alleen maar zou hinderen. Op Mars ben je met 24 uur-dag/nachtcycli niks, de enkele-reistickets kunnen nu al gereserveerd worden.

Maar dat dus anno 2017 drie wetenschappers een Nobelprijs winnen met wat mijn overgrootmoeder eigenlijk al wist, doet me weer hoop krijgen en zin in een stevige dut, misschien zelfs een winterslaap. Alle hippe lui en trendy people naar Mars, dat zou een fijn ontwaken zijn.

 

Geplaatst in Geen categorie

“Incestslachtoffer” Griet Op de Beeck, op alle zenders en in alle kranten: soms verdrinkt de publiciteit gewoon het thema

opdebeeckHerfst, de blaren beginnen te verkleuren en de boeken vallen uit de bomen: straks weer boekenbeurs, signeersessies, door megafoons aangekondigde panelgesprekken in zaal tien.

Begin oktober worden uitgevers en schrijvers nerveus, vooral de laatsten, want elk jaar verschijnen er in Vlaanderen alleen al zo’n 20.000 Nederlandstalige titels, waarvan zowat één tiende romans. Hoe in die pulpmassa nog opvallen? Door heel goed te schrijven bijvoorbeeld. Maar dat is niet genoeg, en misschien ook niet eens nodig. De kunst is vooral om de media te halen en liefst voor meer dan één dag. Dan spreken we van een hype.
In dat opzicht is het fenomeen Griet Op de Beeck, waarvan de nieuwe roman ‘Het beste wat we hebben’ verscheen, interessant. Op 24 september kondigde ze via haar Facebookpagina al aan dat ze “een belangrijke mededeling” ging doen in de Nederlandse talkshow ‘De Wereld Draait Door’. Allen daarheen: de nu 44-jarige schrijfster vertelt er in primeur hoe ze tussen haar vijfde en negende levensjaar door haar vader misbruikt werd. Baf. Waarom ze daar zo lang heeft over gedaan om ermee naar buiten te komen? “Als kind zijn je hersenen nog niet voldoende ontwikkeld om de herinnering op te slaan, dat ontsluiten is een ingewikkeld proces”, zegt ze.
Zit iets in, wie zijn wij om dat te betwisten. Ze mag het optreden daags daarna nog eens overdoen op de VRT bij Van Gils & Gasten, gevolgd door interviews in werkelijk alle kranten, weekbladen en media.
Het boek is, na drie dagen in de winkelrekken, al aan een herdruk toe: het minste wat je van Griet kan zeggen is, dat ze haar publiciteit goed verzorgt. Daar is niks mis mee. Alleen: de timing van die grote bekentenis zit me dwars. Het woord “stunt” ligt me op de lippen, en uiteindelijk is de (verboden) vraag aan de orde of het boek an sich kwalitatief inderdaad wel uitsteekt boven de 20.000 andere dit dit jaar verschijnen.

Emoliteratuur
Daarin is Griet Op de Beeck niet bescheiden: wie het incestthema wil doorgronden, kan niet voorbij aan haar jongste pennevrucht, zo weten we ondertussen.
“Dit is mijn belangrijkste boek. Voor elke schrijver is er een punt waarop je de moed vindt om je grootste verschrikking onder ogen te zien en het net dáárover te hebben. En er tegelijk genoeg afstand van kunt nemen om er geen puur autobiografisch boek van te maken. Maar het gaat wel over het thema dat je het diepst raakt, en waarover je ook met enige autoriteit kunt praten omdat je het zelf meegemaakt hebt.» (Humo, 26/9)
Meteen is de organische relatie tussen haar levensverhaal en het boek hét verkoopargument. Natuurlijk is élke roman een verhaal over het leven, de wereld, de realiteit. Schrijvers willen, via hun personages en de verhaallijn, iets zeggen over hoe de wereld in elkaar zit, en hoe ze zelf in elkaar zitten. De roman is dus gecodeerde non-fictie.
Grootmeesters als Umberto Eco verpakken dat heel goed, maken er ook een echt raadselspelletje van, maar kleinere talenten komen al gauw uit bij de eigen leefwereld die, al dan niet versluierd met nicknames, in een literair kleedje wordt gestoken: de persoonlijke ervaring is de bron van een therapeutische monoloog, een ei dat moest gelegd worden omdat de auteur zelf daar behoefte aan had. Medelijden en sympathie vormen dan de emotionele basis om het boek te kopen en te lezen, te appreciëren, belangrijk te vinden.
Dikwijls –en nu krijg ik vast de feministen weer op mijn dak- zijn het vrouwen, die vanuit hun eigen subjectiviteit hun persoonlijk verhaal op papier zetten en daar een generaliserende dimensie aan weten te geven, via interviews e.d. Bestsellerauteur Griet Op de Beeck beheerst die communicatiestrategie perfect, alle media liggen aan haar voeten. Haar collega Fleur van Groningen, die in “Leven zonder Filter” haar eigen hoogsensitiviteit beschrijft, en daarmee momenteel zelfs de kookboeken van Meus, Naessens en C° in de top-10 achter zich laat, doet het nog beter: een vaginamonoloog die eindeloos wordt uitvergroot, rond een op zich best wel sociaal relevant thema, maar emoliteratuur zonder veel reflectie, verdieping of zelfrelativering. Alle ironie is uit den boze.
Kristien Hemmerechts is ook zo’n geval: wat ze ook schrijft, het gaat eigenlijk altijd over haar eigen tragische zelve, en ze speelt dat ook uit. Jeugdtrauma’s, familiedrama’s, discriminatietoestanden vormen de hoofdthema’s. Zo komen we weer bij het slachtofferdiscours uit, en meteen de reden waarom dit vooral bij auteurs van linkse komaf een geliefkoosd procédé is: de lezer moet ook een schuldcomplex meekrijgen, ergens zijn we collectief schuldig, en hoe kunnen we dat beter uitdrukken dan door het boek te kopen?
En zo komen we ook weer bij het recente incestverhaal van Griet Op de Beeck: is het misplaatst om het, qua timing, te kaderen in een marketingstrategie rond haar nieuwste boek? Over de vraag of het misbruik echt heeft plaats gehad, spreek ik me zelfs niet uit, er zijn nogal wat insiders die sceptisch staan tegenover de “herinneringstherapie” die ze onderging en waardoor haar overleden vader voor eeuwig als pedofiel geboekstaafd staat.
Wij zijn in elk geval weerloos tegen deze getuigenis, welke recensent zou het boek nog durven afkraken, als het eigenlijk, in vermomde vorm, gaat over de schrijfster die op haar vijfde is misbruikt? Zo is de uitgespeelde slachtofferrol elke kritiek voor. De recente TV-optredens waren wat dat betreft typerend: mannen die, in een mix van medeleven en plaatsvervangende schaamte, bijna onder hun studiotafel wegkropen.
Sorry Greet, I don’t buy it, hoeveel sympathie ik ook heb voor incestslachtoffers, en hoe graag ik je een bestselleroplage ook gun. Het onaangenaam gevoel dat het thema helemaal verdrinkt in de publiciteit rond het boek, doet me alle zin benemen om het boek te lezen. En waarom ik vermoed dat incestslachtoffers van gisteren en vandaag aan die gepersonaliseerde mediahype ook weinig boodschap zullen hebben. Eerder integendeel.
Soms werkt teveel media-aandacht averechts, ook wel overexposure genoemd.

 

Geplaatst in Geen categorie | 7 reacties