De saga van de klaagallochtoon: antwoord aan Othman El Hammouchi

allochtone

Juni 2013: allochtone ouders beschuldigen (onterecht) een leerkracht van De Blokkendoos van seksueel misbruik

In zijn column De saga van de excuusallochtoon (Doorbraak, 28 oktober) gaat Othman El Hammouchi te keer tegen het verschijnsel van de excuusallochtoon in de politiek, en het door N-VA politica Nadia Sminate gelanceerde idee dat mensen met een migratie-achtergrond ook wel wat dankbaarheid mogen betonen voor de hen geboden kansen in onze maatschappij. Dat woord dankbaarheid is in het verkeerde keelgat geschoten van de Vlaamse linkerzijde die er al direct neo-kolonialistische tendensen in bespeurde. Ik zal daarom het woord herduiden en in een sociologische context plaatsen.

Vanzelfsprekend kan men iemand als Assita Kanko enig opportunisme niet ontzeggen, in dat opzicht is ze een politica zoals alle anderen. En dat partijen ‘excuusallochtonen’ voor hun kar spannen, zowel links als rechts, is ook een feit. Een paar exotisch klinkende namen staan voor breeddenkendheid en stralen politieke correctheid uit. Ze moeten vooral ook demonstreren dat het systeem goed werkt en dat huidskleur er niet toe doet als men wil vooruit geraken.

De excuus-Ali’s en dito Fatima’s zijn echter wel opvallend moeilijk te vinden, er wordt echt jacht gemaakt op allochtonen om de kieslijsten voldoende te ‘kleuren’. Ook buiten de politiek is de spoeling dun. In de beheersovereenkomst van de VRT wordt gesteld dat men tegen 2020 streeft naar 4% van het personeel met een migratie-achtergrond van buiten de EU. Dat is niet zo gek veel, want het globale aandeel in Vlaanderen bedraagt ruim 13%. De publieke omroep gaat die mensen echt actief zoeken en doet aan ‘positieve discriminatie’: mensen met een kleurtje worden met de rode loper binnen gehaald, krijgen stageplaatsen, worden gemotiveerd om het vaste kader te bemannen. Helaas, ondanks al die inspanningen haalt de VRT dat allochtonenquotum niet: te weinig interesse, te weinig jonge mensen met een migratie-achtergrond én een diploma, of zelfs maar enige ambitie om aan de slag te gaan.

De valstrik van de ‘kansarmoede’

allochtoon

Ook Othman El Hammouchi trapt in de val van de allochtone klaagcultuur

Dat brengt ons onmiddellijk tot de kern van de zaak, in feite een onaangename waarheid: de allochtone populatie laat het afweten en is niet ambitieus genoeg. Doordat het Nederlands in de meeste gevallen de thuistaal niet is, ontbreekt elke taalvaardigheid en hebben allochtone jongeren één derde meer kans om de school te verlaten zonder diploma middelbaar onderwijs. De meisjes doen het beter, zij halen ondanks de minderwaardige status in hun cultuur wél een diploma. Het verdere plaatje is gekend: machomentaliteit, zwak ouderlijk gezag, graag op straat rondhangen, in de drugs- en andere criminaliteit verzeild geraken, en uiteraard het spiegelbeeld van die materialistische afgunstcultuur: het moslimfundamentalisme en de Jihad-piste.

Dàt is uiteindelijk de reden waarom de universiteiten nog altijd zo wit kleuren ondanks alle mogelijke studiebeurzen: het interesseert de allochtone jongelui gewoon geen fluit om af te studeren en dan carrière te maken. Het probleem is bovendien, – en dat is echt pervers,- dat via het magische woord kansarmoede een vicieuze cirkel in de vorm van een self-fulfilling prophecy gecreëerd wordt. De Marokkaanse en Turkse hangjongeren wordt ingepeperd dat ze het slachtoffer zijn van discriminatie omwille van hun afkomst, en gaan zich daar ook naar gedragen. Het is de schuld van de maatschappij dat ze geen diploma hebben, geen werk, geen carrièreperspectieven, en niet van henzelf, dus hoeven ze zich ook niet in te spannen. Dus wordt de kloof nog groter.

Marokkaanse en Turkse hangjongeren wordt ingepeperd dat ze het slachtoffer zijn van discriminatie omwille van hun afkomst, en gaan zich daar ook naar gedragen. 

Uiteindelijk worden de statussymbolen van onze maatschappij geambieerd maar het daaraan verbonden arbeidsethos veracht. Ultiem gevolg: de uiterlijke tekenen van rijkdom worden op een ‘alternatieve’ manier verworven. De valstrik van de zogenaamde kansarmoede creëert dus echte armoede en, erger nog, een duurzame kloof tussen actieve ‘witte’ bevolking en allochtonen die zich nestelen in de status van steuntrekker. De cijfers spreken voor zich: in een stad als Antwerpen heeft 75% van de langdurig werklozen een migratie-achtergrond. Daar zitten uiteraard de leefloners niet in. Bij 22% van de allochtone gezinnen uit de Maghreb en het Midden-Oosten zijn beide ouders werkloos.

Zus mag niet zwemmen

Dalilla Hermans: bijna elke dag op TV, en toch ‘miskend’

Het politiek-correcte discours van de beklagenswaardige allochtoon is daarin een trigger, het wordt ook steeds weer via de media ingelepeld. Dat kan leiden tot echte excessen, zoals ouders die een juf valselijk van seksuele agressie beschuldigen, zodat die leerkracht zowat gebroodroofd wordt (De Blokkendoos, 2013).

De alom bekende Dalilla Hermans is een van dé groenlinkse promotoren van dat victimisme: overal ontwaart ze racistische discriminatie, ze houdt er als columniste een full-time job aan over. Recent moest ook de VRT het ontgelden, het huis waar ze een vast forum krijgt, omdat ze ‘een gebrek aan respect’ bespeurde: de redactie van De Afspraak ging iets te enthousiast achter haar aan, djeezes. Maar tegelijk bereikt die klaagzang ook de allochtone populatie die haar vermoeden bevestigd ziet: ze zijn het slachtoffer van het Vlaamse racisme, dat volgens Knack-hoofdredacteur Bert Bultinck zelfs aangeboren is. Een leefloon is het minste dat de maatschappij de gekleurde medemens kan gunnen om al dat discriminatieleed te compenseren.

Een leefloon is het minste dat de maatschappij kan gunnen om al dat discriminatieleed te compenseren.

Zelfs Othman El Hammouchi,- toch iemand die als VUB-wiskundestudent ontsnapt is aan de vicieuze cirkel van het kansarmoede-verhaal,- vervalt in die litanie, waar hij zijn beklag maakt dat zijn moeder moeilijk werk vindt ‘omwille van haar geloof’. Dat is natuurlijk onzin, geen enkele werkgever vraagt naar de geloofsovertuiging van een sollicitant, wel kunnen opzichtige religieuze symbolen als de hoofddoek een probleem vormen, onze seculiere samenleving lust ze niet. Zijn zus mag dan weer geen enkel zwembad binnen ‘waar ze nochtans mee aan betaalt’. Waarlijk Othman? Een vrouw die de toegang tot een zwembad ontzegd wordt? Of wou ze per se in boerkini een statement maken en verbood het reglement dat? Een Gentse rechter heeft in elk geval een jaar geleden dat boerkini-verbod ongedaan gemaakt, dus stop met dat pathetisch zelfbeklag, uw zus mag wél overal zwemmen in de daartoe bestemde gelegenheden, behalve in haar blootje maar dat zal wel het probleem niet geweest zijn.

Het punt is dus ten eerste dat de ‘ontwikkelde’ allochtoon wel degelijk een witte raaf is, een uitzondering, bijvoorbeeld omdat de ouders beseften dat taal de sleutel is tot integratie. Dat Zuhal Demir als mijnwerkersdochter van huis uit met zachte dwang werd aangespoord om vijf boeken per week te ontlenen in de bib, is dus niet zonder gevolgen gebleven: onze Zuhal is niet op haar mondje gevallen, ook al kleurt het allemaal erg Genks.

Scheermesjes

scheermesjesDat is meteen de tweede conclusie: stop het slachtofferdiscours en ga voor een help-uzelf-devies. Linksliberalen genre Gwendolyn Rutten zouden beter hun voluntaristisch vooruitgangsdenken consequent toepassen, en stellen dat onze maatschappij kansen biedt maar dat men die ook met twee handen moet grijpen. Dàt moet de baseline zijn naar allochtone jongeren toe: weg met het ressentiment en het zelfmedelijden, ga ervoor.

In mijn vorige column, over Antwerpen en het bouwkundig gedrocht naast de opera, presenteerde ik mezelf bij wijze van grap als een West-Vlaamse migrantenzoon die in de sinjorenstad aangespoeld was, en succesvol was geassimileerd. Maar het is natuurlijk wel een feit dat mijn ouders de kuststreek verlieten en als volslagen exoten in Antwerpen arriveerden, waar mijn vader – een ex-Oostfronter zonder burgerrechten- met scheermesjes ging leuren van deur tot deur. Door onze waterdichte maar volstrekt onmodieuze kledij zagen mijn zussen en ik eruit als vissen op het droge, lachen geblazen op school. Er was maar één motto dat bij ons thuis gold: per aspera ad astra, uit de stront geraken door hard te werken. Studeren verdomme en dat diploma halen.

Neen, beste Othman El Hammouchi, dankbaarheid is inderdaad niet nodig, niemand vraagt om een buiging zoals het knikkende negertje vroeger bij de beenhouwer. Wel is er dringend wat flinkigheid nodig, wat positivisme, zeker in de milieus waar de schotelantennes onveranderlijk op Marokko gericht staan en alles aan de wil van Allah wordt toegeschreven. Het besef dat we hier niet in de beste der mogelijke werelden leven maar wel in een maatschappij waar -gelukkig- talent, opleiding en enige werklust dé criteria zijn om er te geraken. Omwille van een soort diversiteitsplicht een allochtone subcultuur van de gelatenheid en het parasitisme opnemen, die dan toch weer snel gewelddadig wordt, is gewoon niet aan de orde.

Dàt moet de baseline zijn naar allochtone jongeren toe: weg met het ressentiment en het zelfmedelijden, ga ervoor.

Jawel, er zijn mensen die uit de boot vallen en die onze solidariteit verdienen, maar dat hangt doorgaans niet af van de huidskleur of de religie. De VRT zou in dat opzicht de diversiteitsquota beter afschaffen: een ‘blind’ examen volstaat, bijvoorbeeld om te zien of de kandidaat ongeacht zijn/haar kleur een opstel kan schrijven dat niet aaneenhangt met spuug en plaktouw.

Ik vraag me trouwens af waarom Othman El Hammouchi zichzelf altijd weer als moslim presenteert, en als het ware zijn ‘apartheid’ benadrukt. Moet iemand met een christelijke achtergrond dat overal zo nodig afficheren? Ik bazuin toch ook niet overal rond dat ik vrijzinnig/ongelovig ben? Of is dat een onderdeel van zijn publieke act, zoals Dalilla Hermans overal de Afrikaanse underdog speelt? Huidskleur is in onze samenleving volstrekt irrelevant, en geloof is, zoals bijvoorbeeld ook seksuele geaardheid of even goed muzikale smaak, een persoonlijke aangelegenheid waar niemand van wakker hoeft te liggen zolang het de anderen niet stoort. Zullen we het daarbij houden? De rest is, jawel, fonds de commerce zoals El Hammouchi het zelf noemt: attributen van een zorgvuldig gekozen imago-vorming, goed voor optredens in de mainstream media, maar daarbuiten tamelijk irrelevant.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 54 reacties

‘Bijna zo hoog als de Onze Lieve Vrouwetoren’

Het bijna-lelijkste gebouw van Europa krijgt er nog een paar verdiepingen bij.

Antwerp TowerIk ben de grootste Antwerpse chauvinist, meer nog dan de volbloedsinjoor, omdat mijn ouders in mijn kleutertijd vanuit West-Vlaanderen naar de Scheldestad migreerden en ik daar mits volledige assimilatie liefdevol werd opgenomen, om die stempel met bijbehorend accent nooit meer kwijt te geraken. Alle nieuwtjes over Antwerpen weerhouden dan ook mijn bijzondere aandacht en kunnen rekenen op instant respons.

In De Standaard wordt vandaag de loftrompet gestoken van de Antwerp Tower, een torengebouw in renovatie vlak naast de opera. Het moet met 20 verdiepingen het op één na hoogste gebouw van de Sinjorenstad worden, na de kathedraal (123m). Het artikel leest als iets uit een promotiefolder. Gewillig laat journaliste Elien Van Wynsberghe zich gidsen door projectleider Steven Vanderghote en businessmanager Luc Van Rysseghem van aannemer Matexi. Het panoramisch uitzicht is op zijn zachtst uitgedrukt fenomenaal, juicht Elien. ‘De noordkant is mijn favoriete kant’, zegt Vanderghote. ‘Van hieruit zie je de haven, het MAS, het Opera­plein, en af en toe zie je een schip Antwerpen binnenvaren.’ Neen toch.

De dolle jaren ’60 en ‘70

Craeybeckx

Lode Craeybeckx (1897-1976)

Aan de onderkant van de toren, waar geleefd, gewandeld, gewinkeld wordt, is het minder waw. Want het construct, daterend van 1974, staat sinds 2012 op de lijst van de 18 lelijkste gebouwen van Europa, opgesteld door webstek Stedentripper. Effectief: een wolkenkrabber naast de opera, hij staat daar als een reusachtige presse-papier plompverloren te vloeken. Door de ruimtelijke wanverhouding is het een enorme tochtplek geworden die de as Stationsplein- Keyserlei- Operaplein permanent in een gure herfstsfeer dompelt, ook midden in de zomer. De Sinjoor heeft het ding nooit aanvaard, de toerist kijkt er verbouwereerd tegen aan en probeert het onding niét in de lens te krijgen. Maar Matexi en consoorten kennen geen schaamte, voor hen telt alleen het grote geld.

Het tabula rasa-sfeertje van de late jaren ’60 sloeg om in een modernistische megalomanie én vernielzucht.

Twee architecten tekenden voor het misbaksel: architecten Jozef Fuyen en Guy Peeters, beiden notoire vrienden van betonboeren én kind aan huis bij Stedenbouw. Want de echte verantwoordelijke voor deze miskleun is natuurlijk de vergunnende overheid. Antwerpen heeft in de jaren ’60 en ’70, onder een vrijwel homogeen socialistisch bestuur met de legendarische Lode Craeybeckx als burgemeester, een ware kaalslag ondergaan. Het tabula rasa-sfeertje van de late jaren ’60 sloeg om in een modernistische megalomanie én vernielzucht. Complete historische sites moesten er aan geloven en werden vervangen door grootse landmarks die vooral de lokale potentaten dienden te vereeuwigen. Iets gelijkaardigs heeft zich toen ook in Brussel afgespeeld, met als drijvende kracht projectontwikkelaar Charly De Pauw, bijgenaamd King Parking en boezemvriend van toenmalige schepen van stedenbouw Paul Vanden Boeynants.

Ook de Antwerp Tower is het resultaat van de verticale betonwoede uit die tijd. Maar het huidige Antwerpse stadsbestuur heeft de kans gemist om een en ander recht te zetten. Overal waar projectontwikkelaar Matexi opduikt, staat erfgoed onder druk en worden skylines om zeep geholpen. Zoals het DS-artikel al doet vermoeden, draait de pers- en communicatie-afdeling van het bedrijf voortreffelijk. In werkelijk geen enkel medium, behalve eentje in Apache, kon ik een kritische bemerking vinden over wat als een van de lelijkste gebouwen van Europa wordt beschouwd.

Stinkende potjes

Matexi

Zelfs op de geïdealiseerde computerschets van de promotor frappeert de wanverhouding. Links het operagebouw, rechts in de verte het Centraal Station.

Mij dus een raadsel waarom geen bouwmeester, stadsarchitect of bewindsvoerder op het idee is gekomen om het gedrocht met de grond gelijk te maken. Zoveel middelen besteden aan stadsvernieuwing, het operaplein, de leien, en dan eindigen bij dit: begrijpe wie kan.

Dit is gewoon georganiseerde verloedering, met volle medewerking van het beleid. Zo’n hoogbouw, in hoofdzaak bestemd voor kantoorruimte, is iets dat aan de stadsrand nabij de ring thuishoort, niet in het hartje van de stad. In de coulissen en aan de fornuizen wordt evenwel anders beslist: men herinnert zich nog het stinkend potje van Land Invest, dat tegen alle adviezen in ook aan hoogbouw mag beginnen aan de Tunnelplaats, en waar lijnen van de Luikse PS en de Antwerpse N-VA samenkomen, naast innige banden met de ondertussen veroordeelde Jeroen Piqueur en zijn Optima Bank. Politiek en immobiliën, ze blijven mekaar vinden in achterkamertjes.

Mocht de overheid met zijn bouwmeesters al eens wat schoonheid in de publieke ruimte creëren, en wat minder konkelfoezen met projectontwikkelaars, dat ware al een goed begin.

De West-Vlaamse (!) vastgoedontwikkelaar Matexi, die dus de Antwerp Tower mag oplappen, is evenmin onbesproken. Via zijn naderhand failliet verklaarde dochterbedrijf Vitare ontleende het bedrijf 42 miljoen euro aan de Vlaamse overheid, voor sociale huisvesting, om gronden aan te kopen. Een bedrag dat naar Matexi werd doorgesluisd en nooit werd terugbetaald. 42 miljoen euro gestolen overheidsgeld, terwijl er 135.000 mensen op de wachtlijst voor een sociale woning staan. Niettemin staan overheden in de rij om met deze promotor scheep te gaan, ranzige westfluten, rasgenoten waar ik niks mee wil te maken hebben.

Ik wil dit desastreus beleid inzake ruimtelijke ordening ook aankaarten omdat de Vlaming door bouwmeesters en allerlei experten een schuldcomplex wordt aangepraat. We zouden teveel ruimte verspillen, de stad ontvluchten en een lap grond op de buiten willen zoeken om onze fermette neer te poten, liefst mét SUV op de parking want niets is op wandelafstand bereikbaar. Wel ik zeg u: via miskleunen als de Antwerp Tower, én alle onzindelijke verhalen van belangenvermenging, zal de baksteenreflex van de Vlaming alleen maar groter worden, evenals zijn afkeer van ruimtelijke planning en bouwmeesters die ons een nieuwe manier van leven willen opleggen.

Mocht de overheid al eens wat schoonheid in de publieke ruimte creëren, en wat minder konkelfoezen met projectontwikkelaars, dat ware al een goed begin. Helaas, de overheid creëert lelijkheid, mist verbindende architectuur en beheert als een slechte huisvader. Mocht er nog eens iemand een boom over identiteit willen opzetten: aan de hoek van de Keyserlei en de Frankrijklei staat de grootste ontkenning daarvan. Als nieuwe bijdrage aan de Vlaamse canon kan ik dan ook zeker Oh Lieve Vrouwe Toren van La Esterella aanbevelen, mits één toegevoegd couplet:

Oh Lieve Vrouwe Toren
Niet langer schittert gij op de Scheldetroon
In de stad waart nu de betonnen Antigoon
Met dank aan de snode bouwpromotoren

 

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 21 reacties

Sloop eindelijk eens die Reyerstoren (en wat eronder zit)

VRT toren

Het nieuwe Vlaamse regeerakkoord heeft zoals bekend een aantal onprettige verrassingen in petto voor de VRT. 2,4 miljoen euro vet wegsnijden per jaar, tot in 2024, naast een aantal duidelijke vingerwijzingen dat de publieke omroep zich meer met de Vlaamse identiteit moet bezig houden, en journalisten wat terughoudender mogen zijn wat betreft hun persoonlijke politieke overtuiging.

De passus draagt een duidelijke N-VA-stempel. Door het volslagen onbeschreven blad Benjamin – what ’s in a name– Dalle (CD&V) tot mediaminister te bombarderen, hebben Jambon en C° de perfecte pispaal in huis om de verwensingen van links in ontvangst te nemen en meteen te draineren naar de partij die op sterven na dood is. Waarna de stoffelijke resten kunnen verdeeld worden onder de overige partners. Maar waar moet het met de publieke omroep naar toe op langere termijn? In de conclusies van mijn boek Na het journaal volgt het nieuws geef ik een paar aanzetten.

Hoe het groeide

Slissen

– Weiteket? – Joa. – Wette gaai et? -Joa. – Woroem vroagdet dan?

Sinds de oprichting van de BRT in 1960 was volksopvoeding een centrale pijler in de missie van de openbare omroep, met als glijmiddel ontspanning op Vlaams niveau waarin herkenbare lokale volksfiguren tot echte halfgoden uitgroeiden (Schipper naast Mathilde, Slissen en Cesar). Het heette dat de Vlaming diende ontvoogd te worden via een uitgebreid gamma schooltelevisie, met iconische schermfiguren, gaande van Armand Pien tot Nonkel Bob, waaraan de Vlaming zich kon spiegelen.

Aan het eind van de jaren ’60 maakte een nieuwe generatie zijn opwachting aan de BRT-studio’s: de generatie Zinzen, die zich van de ’68-barrikaden had teruggetrokken om via een lange mars door de instellingen het linkse gedachtegoed te verbreiden. Uiteraard was de publieke omroep daartoe dé ideale megafoon. In vrij korte tijd hadden deze ambitieuze soixante-huitards de nieuwsredactie quasi gemonopoliseerd, en verschoof de originele missie van volksopvoeding naar deze van indoctrinatie.

De komst van VTM in 1989 betekende een schok, die echter niet van aard was om de roderoze journalistenkolonne van de toenmalige BRT te verontrusten. Integendeel, men koos voor de vlucht vooruit met nog meer nadruk op de ‘juiste’ leer en het wegselecteren van mensen die niet beantwoordden aan het juiste politieke profiel. Sindsdien tonen alle studies een onveranderlijke ideologische eenzijdigheid onder de Vlaamse journalisten, vooral juist deze van de publieke omroep die door alle Vlamingen wordt gefinancierd.

Sindsdien ook bleef de omroeptoren aan de Reyerslaan hét symbool van een visie op de openbare omroep als een waarheidszender, bijna in Sovjetstijl,  top-down, streng hiërarchisch, uitermate bedilzuchtig en zelfs infantiliserend. De manier alleen al waarop Martine Tanghe het Journaal voorleest is van een benauwelijke neer-búi-gend-heid (traag uitspreken, kijk diep in de autocue). De totalitaire programmastructuur van de Nieuwsdienst, die ons al vanaf de vooravond vergast op nieuws, naadloos overlopend in duiding (Terzake) en nog later in allerlei talkshows (De Afspraak, Vandaag), ademt een sfeer uit van evangelisatie.

Een avondje nieuws en duiding

AfspraakIn die ketting is strikte, ‘droge’ informatie niet meer te scheiden van journalistieke opinies, waarbij figuren als Rudi Vranckx onbekommerd hun ervaringen in Syrië mixen met persoonlijk activisme en een bijwijlen genante vedettecultus. Elke terughoudendheid is zoek. Vaste ankers en presentatoren genre Bart Schols en Danira Boukhriss spelen voluit in een framing-scenario, waarbij ook het vaste kransje van opiniemakers niet mag ontbreken, zorgvuldig door de redactie gecast in functie van hun voorkomen, achtergrond, en uiteraard wat ze te vertellen hebben. Het is meer een vaste ceremonie; wie zo’n avond helemaal uitzit zonder weg te dommelen, is helemaal gehersenspoeld en klaar om de volgende dag de wereld te bekijken zoals de VRT-nieuwsredactie het graag heeft.

De millennium-generatie van journalisten lijkt in dat opzicht geen soelaas te hebben gebracht. Met figuren als bovenvermelde Bart Schols en Danira Boukhriss blijft men steken in het spoor van Zinzen en C°, badend in een postmoderne luchtigheid weliswaar, maar net daardoor nog subtieler inzake het inlepelen van vooroordelen. Met de geschreven pers als vaste back-up. Dat dit model onhoudbaar is, beseft zowat iedereen die zich niet vastklampt aan de VRT als behoeder en uitdrager van de links-progressieve weldenkendheid. De Vlaming heeft het gehad met ‘zijn’ openbare omroep, en snakt naar nieuws zonder toegevoegde pocosaus. Voor duiding en commentaar zorgen we zelf wel, of we halen de mosterd naar keuze. En nu zelfs het troetelkind van alle talkshowpresentatoren en full-time slachtoffer van racisme Dalilla Hermans een Afrikaanse banvloek over de VRT heeft uitgesproken -ze lieten haar niet meer met rust-,  lijken de dagen van de openbare omroep geteld.

De vraag is alleen, of het langzaam financieel wurgen van de VRT, met alle kokhalsreflexen van dien bij het zittende personeel, op langere termijn een oplossing biedt voor het journalistiek-objectief deficit. Die verrottingsstrategie wil ik eigenlijk iedereen besparen, ook de betrokkenen. Meer ingrijpende hervormingen zijn nodig om de democratische balans terug te vinden, en de Vlaamse publieke omroep ook te hersmeden tot omroep van alle Vlamingen. Daar moet een breed politiek debat over plaats grijpen dat meer inhoudt dan een paar zinnetjes in een regeerakkoord.

Copernicaanse omwenteling

Sanctorum_boekenbeursIn dat opzicht kan misschien het Nederlands model inspireren: een nieuw op te richten Openbare Omroep die zich strikt beperkt tot nieuwsgaring zonder het flou artistique van de duidingprogramma’s. Deze redactie levert bondige nieuwsfeiten zonder tendentieuze commentaar, gecombineerd met een cultuuraanbod. Daarnaast is er plaats voor een aantal zendgemachtigde verenigingen (in Nederland: AVRO/TROS, VPRO e.a.) naast kleinere aspirant-omroepen (bv. PowNed). Het model lijkt interessant voor Vlaanderen, en een uitweg uit de eeuwige discussie rond (gebrek aan) objectiviteit.

Het vormt dan helemaal geen probleem dat al die nieuwsmakers, van Kathleen Cools tot Bart Schols, duidelijk met een links ideologisch profiel te koop lopen, maar laat gewoon het woordje ‘openbaar’ weg. Ontsla ze allemaal en laat hen solliciteren binnen een op te richten links/groene omroep, die uiteraard door leden gefinancierd wordt en ook zendtijd krijgt volgens het aantal leden. We zullen dan wel zien hoeveel van hen nog aan de bak komen. Idem dito uiteraard voor een Vlaams-nationalistische zender, een christelijke, enzoverder.

Terugkeer naar de zuilentijd? Misschien wel, maar die zenders hoeven uiteraard niet gelieerd aan politieke partijen, liefst zo min mogelijk zelfs. Dat is in Nederland ook niet zo. Wel aan levensbeschouwingen, en die zijn nu eenmaal de basis van elk pluralisme. Evenmin hoeft zo’n zendgemachtigde vereniging een echokamer van het Grote Gelijk te worden: daar kunnen zoals in Nederland pittige praatprogramma’s openbloeien. Noteer tenslotte dat elke aspirant die de grondprincipes en waarden van onze rechtstaat niet uitdrukkelijk accepteert, mag uitgesloten worden van deze vrije opiniemarkt.

Meteen is deze Copernicaanse omwenteling enorm besparend. We krijgen dan een gelaagd audiovisueel landschap, met een neutrale nieuwsdienst die zich op haar kerntaken terug plooit, daarnaast ‘gekleurde’ zenders die zorgen voor duiding en commentaar, en uiteraard ook eigen of gekochte reportages mogen brengen, en in een derde pijler de commerciële zenders die vooral ontspanning brengen. Want geef toe: het organiseren van kwissen en spelletjesprogramma’s is al evenmin een taak van de openbare omroep, laat dat over aan de pretzenders.

Deze hertekening vergt meer politieke moed en creatief denkwerk, maar is op langere termijn een veel grotere waarborg voor het democratisch pluralisme in Vlaanderen. De VRT heeft als instituut zijn houdbaarheidsdatum bereikt, en een mediaminister dient zich daarvan bewust te zijn. Sloop eindelijk die Reyerstoren. De 21ste eeuwse glasvezeltechnologie biedt voor méér stemmen ruimte dan voor de tunnelvisies van een handvol zelfverklaarde volksopvoeders.

Na het journaal volgt het nieuws: het boek en de lezing over de Vlaamse media, meer info klik hier.

Niet te missen ook: Boekenbeurs – Panelgesprek over de Vlaamse media, met Johan Sanctorum en Luckas Vander Taelen Moderator: Pieter Bauwens

Zaterdag 9 november, 10u30-11u30, Letterenloft, zaal 3.  

Geplaatst in Geen categorie | 15 reacties

Het gaat prima met de planeet, dank u

AardeDe afgelopen week waaiden ons boeiende berichten tegemoet over de toestand van deze aardkluit, de eindigheid van het mensdom en hoe daarmee wordt omgegaan. Veel geharrewar, peppersprays, naast ruimtetrips voor het goede doel. Aan uw dienaar om ze ineen te vlechten tot een groter geheel, take it or leave it.

Rebellie tegen de zesde extinctie

Eerst is er het verhaal van de familie die in de Nederlandse provincie Drenthe al jaren op een afgelegen boerderij ‘het einde der tijden’ afwachtte, compleet afgezonderd van de buitenwereld, en levend van een groentetuin en een geit. De precieze omstandigheden worden nog onderzocht, maar het lijkt te gaan om een geval van religieuze bewustzijnsvernauwing waarbij een kleine groep zich ‘uitverkoren’ acht om aan de apocalyps te ontsnappen. Terugkeer-naar-de-natuur-romantiek, religie en horror in één Hollands interieur.

Op een vreemde manier viel de ontdekking van die mini-sekte samen met de acties van Extinction Rebellion, een uit Engeland overgewaaide beweging die de mens wil redden van de totale uitroeiing, en daarvoor ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ als strategie hanteert. Dat is een opmerkelijke shift: de klimaatbeweging die eerst ‘de planeet’ wou redden, schijnt te beseffen dat die planeet zich van de mens weinig aantrekt, maar dat vooral de mens zelf de grond onder de voeten heet voelt worden. Het woord extinction (totale uitroeiing) verwijst naar het door de wetenschap algemeen erkend gegeven dat de aarde sinds zijn ontstaan al een aantal extincties heeft gekend, vijf naar het schijnt, waarbij deze van 66 miljoen jaar geleden, vermoedelijk ten gevolge van een meteorietinslag, de recentste en de bekendste is. Onder anderen de dinosauriërs zouden erdoor van de aardbodem verdwenen zijn. De zesde extinctie die voor de deur staat, dat was een stokpaardje van Prof. Etienne Vermeersch zaliger: dit keer zorgt de mens als dominante soort zelf voor de ineenstorting van de biodiversiteit, zijn eigen verdwijnen inbegrepen.

Gehaaide zakenlui gaan mee in de vijf-voor-twaalf-paniekstemming, en laten u geloven dat hun producten ons van de extinctie zullen redden.

Maar de planeet, hij boerde voort en zal voortboeren, ook zonder de mens. Rebelleren de activisten van Extinction Rebellion tegen een door-en-door natuurlijk fenomeen? Want wat Vermeersch al wel besefte, was dat de bezorgdheid om die extinctie een soort eco-humanisme betrof, een vorm van soortegoïsme waar de aarde niet van hoeft wakker te liggen: we vormen maar een stip in de geo-historiek. Dat ecohumanisme neemt allerlei rare vormen aan, van activistische zitstakingen tot plat-commerciële verkoperspraat. In een radiospotje van ING-bank vraagt een kind aan zijn papa om duurzaam te beleggen omdat ‘het goed is voor de planeet’, terwijl die beleggingen natuurlijk vooral goed zijn voor ING. Iedereen gaat zich nu met de planeet bemoeien, in naam van zichzelf. Gehaaide zakenlui gaan mee in de vijf-voor-twaalf-paniekstemming en laten u geloven dat hun producten ons van de extinctie zullen redden. Of hoe eschatologisch straatactivisme en kapitalistisch cynisme mekaar eigenlijk perfect aanvullen. En hoe Extinction Rebellion raakpunten vertoont met religieus fundamentalisme, een gelijkenis die ook Steven Vandenborre niet ontging.

Overview en zelfliefde

En dan is er de uitsmijter: de sentimentindustie rond Moeder Aarde. Recent is het inzicht weer opgedoken dat de aanblik van de aarde vanuit de ruimte ons ‘meer respect’ doet krijgen voor de planeet, en dat we ons ‘verbonden’ moeten voelen in een poging om het klimaat te redden en meteen heel de mensheid. Een vracht vol vrome ambities, al in 1987 door de Amerikaanse ruimtefilosoof Frank White gebundeld onder de naam van The Overview Effect (1987). Astronauten ontpoppen zich zo tot de strafste klimaatpropagandisten, omdat zij ook echt de aarde vanuit de ruimte hebben gezien, en onder de indruk waren van de schoonheid van onze planeet. Dat kan tot echte cosmic orgasms(!) leiden, dus zakdoekjes meenemen, weet ook onze Vlaamse raketman Frank burggraaf De Winne.

Dat idee heeft nu commerciële vaste vorm gekregen, uiteraard in Amerika, wat dacht u. Al enkele jaren onderzoekt het Overview Institute de mogelijkheden om reizen rond de aarde in een bemande satelliet te verkopen, net met de bedoeling om die ‘verliefde klik’ jegens onze planeet teweeg te brengen. Ecotoerisme voor rijken, zoals je in het Amazonewoud luxehotels hebt waar je door de ramen zo de wilde beesten ziet wandelen. Wie geen geld heeft voor zo’n satelliettrip, kan zich behelpen met beelden die het bedrijf SpaceVR aanbiedt, gemaakt met satellietcamera’s. Google Earth, maar iets verder af en in real time.

‘Moeder Aarde’ heeft geen kinderen, en al zeker niet het frenetieke koekoeksjong dat mens heet.

Business as usual dus, denken we ook aan de bijdragen die u kan storten aan een of ander schimmig fonds als u last hebt van vliegschaamte. Maar afgezien van deze ecologische cash cows is het Overview Effect een ronduit foute emoshow waarin planeet, natuur en menselijke angst voor de biologische extinctie door mekaar worden gehaald. Want het klopt natuurlijk niet dat de aarde zich druk maakt om klimaatveranderingen die ons slecht uitkomen. Kort gezegd: de planeet blijft zichzelf, de natuur zal veranderen, de mens zal verdwijnen. Extincties zijn vanuit planetair standpunt grote schoonmaak-operaties waarin de biologische teller weer op nul wordt gezet, sorry Extinction Rebellion, Space VR en ING.

Dat cyclisch patroon maakt het menselijk perspectief quasi-nietig en stelt de kosmische realiteit op scherp. ‘Onze’ planeet is ongeveer vierenhalf miljard jaar geleden gevormd uit een samentrekking van materiaal uit de zonnenevels. Het ontstaan van zuurstof door fotosynthese, gecombineerd met de aanwezigheid van water, leidde tot een bizar fenomeen dat we leven noemen waarin alles een vervaldatum draagt, zowel individuen als soorten, want op het einde gaat het over een (vrij constante) hoop moleculen en atomen. Over nog eens 4,6 miljard jaar begint de zon te zwellen tot het stadium van rode reus en zal hij finaal de aarde opslokken. Tegen dan is uiteraard alle leven uitgeroeid, hoe het er ook mag uitzien.

Tegen de achtergrond van deze kosmische realiteit zijn de idyllische kijkreizen naar onze mooie planeet Disney-achtige vormen van zelfbegoocheling. ‘Moeder Aarde’ heeft geen kinderen, en al zeker niet het frenetieke koekoeksjong dat mens heet. Onze ‘liefde’ voor haar is zelfliefde, een bijna Narcistisch fenomeen waarbij menselijke overlevingsdrang en planetaire tijdlijn met elkaar worden vereenzelvigd. Ten onrechte, de aarde stelt het uitstekend en is al bezig veegborstel en vuilblik boven te halen. Einde verhaal. Plaudite, amici, comedia finita est.

Lof der zotheid

Desiderius Erasmus (1466-1536)

Met dit citaat, toegeschreven aan de Romeinse keizer Augustus op zijn sterfbed, en nadien vaste slotformule in de commedia dell’arte, komen we eindelijk bij het besef dat alle leven de kiemen van de dood in zich draagt, en dat het leven pas levenswaardig wordt, als we dat ook accepteren.

Dit is geen pleidooi voor berusting. De recepten voor een uitstel van de extinctie zijn zelfs tamelijk simpel: 1) Een reductie van de wereldbevolking met factor tien 2) Een drastisch herbebossingsprogramma 3) Resolute ban van fossiele energie (ook geopolitiek veel evenwichtiger) 4) Afbouw van de veestapel en aannemen van andere eetgewoonten (veel gezonder), en 5) Wie gaat dat allemaal betalen? Al wie geld heeft, de (super)rijken om te beginnen.

De mentale voorwaarde om dat simpele vijfpuntenprogramma uit te voeren is echter een zesde, overkoepelende conditie: een kosmisch bewustzijn dat ons onze juiste plaats in het universum doet beseffen.  Een filosofische reflex dus. Het hierboven aangehaalde inzicht dat we maar eendagsvliegen zijn op een planeet die zich van onze strapatsen niks aantrekt, en zonder God die met ons een plan heeft. En dat we nooit zullen emigreren naar andere planeten, we zijn daar gewoon te dom voor en het universum te uitgestrekt, zoals Nobelprijswinnaar natuurkunde Michel Mayor terecht en ontnuchterend opmerkt.

We missen dat element van relativering en onthechting, het kunnen lachen met eigen dwaasheid en verwaandheid,

Het is net deze bescheidenheid die politiek-maatschappelijk en ecologisch tot een andere houding leidt. Niet deze van ‘red de planeet’, maar ook niet per se een van ‘red de mensheid’ want dat plaatst ons net helemaal buiten het kosmische verhaal. Sentiment noch paniek zijn hier aangewezen. Wel humor en ironie, out of the box. Het kijken naar de aarde vanuit de ruimte levert dan geen extatisch gestamel op, maar veeleer datgene wat bij intelligentere buitenaardse beschavingen vermoedelijk opkomt als ze de telescoop naar deze aardkluit richten: een Homerisch gelach om de de fratsen van Trump, Poetin, Jambon, en de andere zes miljard grote en kleine acteurs van la comédie humaine.

We missen dat element van relativering en onthechting, het kunnen lachen met eigen dwaasheid en verwaandheid, en dan zijn we snel bij de echte humanisten genre Dante (Divina Comedia, De goddelijke klucht) en Erasmus (Laus stultitiae, Lof der Zotheid), naast de grapjas die Albert Einstein was. De fanatische humorloosheid van de klimaatbeweging, maar eigenlijk ook van de tegenstanders, wijst er eigenlijk op dat we intellectueel niet klaar zijn om een en ander in het juiste perspectief te plaatsen. De globale aangroei van religieus fanatisme is al evenmin bemoedigend. Het is allemaal veel te serieus, en net daardoor ridicuul-grotesk. Mijn groene inborst klapt ineen als ik Anuna De Wever hoor ratelen, en de eindeloze tirades van Jean-Marie Dedecker tegen de ‘klimaatreligie’ leiden hier tot een langgerekte geeuw. Kan eens iemand wat licht en lucht brengen?

Dit allemaal gezegd zijnde ga ik een schop in Moeder Aarde steken en prei planten voor de winter. Met de bruine middenvinger naar de Overview-reizigers in hun satelliet. Heb ik daar Frank De Winne nu binnensmonds horen vloeken?

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

 

 

Geplaatst in Anders groen | 32 reacties

Twee memorabele ambetanteriken

Zwoernaal

Is Vlaanderen rijp voor een nieuw kritisch-satirisch magazine?

Het is een verzuchting waarmee ik mijn jongste boek over de Vlaamse media afsluit: Vlaanderen heeft dringend nood aan een blad/magazine dat de bakens van de vrije meningscultuur tussen Maaseik en De Panne verzet. Naast (of onder) een opiniewebstek als Doorbraak of een nieuwssite als Sceptr lijkt de tijd rijp voor een radicaal-tegendraads medium waar stoute cartoons, humor die de grenzen opzoekt, naast snedige columns en ongenadig filerende analyses het verschil maken. Het onderscheid met wat men doorgaans de mainstream media noemt, maar ook met de zogenaamde alternatieve pers die zich nabij het zwart gat van de politieke correctheid bevindt.

Sluipende censuur

journaal

Inhoudelijk ijzersterke Samizdat-literatuur…

Onze zogezegd democratische samenleving gaat gebukt onder een verregaande en nog steeds uitbreiding nemende pococratie. Daarmee wordt bedoeld een dwangregime van de politieke correctheid, waarvan de media zelf de bewakers zijn, en de openbare omroep de marktleider.

Zoals ook mijn collega-bedelaar Sid Lukkassen opmerkt, is de heilige koe van de vrije meningsuiting een quasi-dood kadaver. Journalisten en intellectuelen van allerlei slag schermen voortdurend met dat principe en roepen zichzelf haast tot martelaar van de vrije pers uit -lees De Journalist, het orgaan van de Vereniging van Vlaamse Journalisten er maar eens op na-, maar tegelijk bouwen ze voor zichzelf allerlei barrières in, zogezegd omwille van de deontologie, het fatsoen, etc. Deze barrières zijn ingegeven door groepsdenken en corporatisme, het idee dat het beroep zichzelf moet ‘reguleren’ waardoor journalisten zich bewust of onbewust aanpassen aan wat de mainstream verwacht. De redactionele hiërarchie bij de grote kranten, waaraan de inktkoelies zich onderwerpen, doet de rest. Perslui vormen op die manier een sub-establishment, een ons-kent-ons-cultuur die zachtjes in de richting drijft van de welbekende powers that be, de machtscenakels, het Wetstraatmilieu, de culturele nomenklatura, het wereldje van de opiniemakers.

Deze middelpuntzoekende beweging, uiteraard ingegeven door de zeer menselijke hang naar status, wordt door de rechtstaat zelf gefaciliteerd. Het recht op vrije pers en vrije mening is grondwettelijk verankerd, maar tegelijk zijn er allerlei beperkingen ingebouwd, die zich al evenzeer op morele waarden beroepen: tegen het racisme, tegen het seksisme, tegen discriminatie, tegen het beledigen van minderheden, overtuigingen en religiën, enzovoort. Dat zijn uiteraard sluipende censuurmechanismen waarvoor organisaties als UNIA zijn opgericht, en waardoor rechtsvervolging altijd als een zwaard van Damocles boven het hoofd van een columnist hangt.

Perslui vormen op die manier een sub-establishment, een ons-kent-ons-cultuur die zachtjes in de richting drijft van de welbekende powers that be. 

In deze dubbelzinnige realiteit kan een ‘stout’ medium niet anders dan op gespannen voet met het systeem leven. De dag dat een hoofdredacteur van zo’n blad in een gladde talkshow als De Afspraak verschijnt, is het om zeep, en het moment waarop De Standaard of De Morgen zich in lovende bewoordingen uitlaten over dat magazine, mogen we er een kruis over maken. Een kritisch-satirisch blad dat niet tenminste eens per jaar met een klacht wordt geconfronteerd, is die naam niet waardig. Het gaat dus om een dialectisch spel tussen macht en dissidentie, waarbij het de kunst van de Tijl Uilenspiegels is om het publiek aan hun kant te krijgen.

Kerken en zuilen

DeZwijger

Een Vlaamse Canard enchaîné bleek op dat ogenblik niet leefbaar…

In dat opzicht hebben twee figuren bakens uitgezet en een draad gesponnen die we vandaag misschien weer kunnen opnemen. Enerzijds Mark Grammens (1933-2017), oprichter-uitgever van het Journaal, en anderzijds Johan Anthierens (1937-2000), hoofdredacteur van De Zwijger. Niet toevallig twee generatiegenoten die in de donkere jaren ’80 van vorige eeuw naar buiten kwamen met hun project. De ene schreef zijn veertiendaags krantje alleen vol en deed dat 25 jaar lang. De andere moest er na een paar jaar de brui aan geven: een Vlaamse Canard enchaîné bleek op dat ogenblik niet leefbaar.

 

Uiteraard was er qua invalshoek en stijl een wereld van verschil tussen beiden. De immer serieuze asceet Grammens analyseerde ongenadig in een ietwat archaïsche stijl; de altijd spottende Anthierens ironiseerde en schoffeerde met een taalvirtuositeit die zelfs benoorden de Moerdijk bewondering afdwong. Journaal sprak vooral een rechts-flamingant, ouder publiek aan, De Zwijger had eerder een jonger, links-vrijzinnig lezersbereik.

‘Linkse’ of ‘rechtse’ humor zijn gewoon vormen van slechte humor, het komt er net op aan alle ideologische loopgraven te overstijgen.

Die tweedeling is jammer en onterecht, het typeert het Vlaamse kerken- en zuilensyndroom. Mark Grammens was overigens een ’68-er, maar dan van het soort dat zich niet liet mee glijden in de lange mars door de instellingen. Johan Anthierens kwam uit een Vlaams-nationalistisch nest maar evolueerde tot de compromisloze rebelse sarcast die na De Zwijger nauwelijks nog werk vond wegens zoveel tegen de schenen gestampt dat ‘vrienden’ en netwerken het lieten afweten. Daarom zie ik beide figuren als complementaire modellen voor een Vlaams kritisch-satirisch medium dat het vuur aan de schenen legt van al wie in Vlaanderen iets betekent, rood, groen, blauw, geel, maakt niet uit.

Ook al vond De Zwijger vooral gehoor bij een links-progressief publiek, Johan Anthierens besefte heel goed dat hij ook dat publiek een uilenspiegel moest voorhouden en elke levensbeschouwelijke comfortzone diende op te geven. ‘Linkse’ of ‘rechtse’ humor zijn gewoon vormen van slechte humor, het komt er net op aan alle ideologische loopgraven te overstijgen. Een blad als Pallieterke neemt in dat opzicht geen enkel risico en richt zich sinds zijn ontstaan tot een rechts-nationalistisch nichepubliek. Op zich is daar niks mis mee, behalve dat satire er zichzelf mee kortwiekt, het eindigt als een echokamer van gelijkgezinden.

Samizdat

De voorbeelden van Anthierens en Grammens tonen daarbij aan dat echte kritiek en satire in Vlaanderen tot op heden altijd eenmansprojecten zijn geweest van caracteriels met een sterk gemotiveerd publiek, maar al bij al vrij eenzaam. Dat is in Nederland niet zo, het is een typisch Vlaams fenomeen. Ze behielden de status van struikrovers die als het ware – zoals bij Grammens- in de achterkeuken met hun vrouw het krantje plooiden, in een omslag staken en postzegels plakten.

Dit amateurisme is sympathiek maar op de duur ook uitputtend: je hebt wel degelijk een structuur, een back-office, degelijke distributiekanalen en een stevig financieel model nodig om echt die luis in de pels te worden die geen enkele politicus of culturo wil hebben. Waarbij de centen moeten gezocht worden bij geldschieters, donateurs, lezers (uiteraard), maar vooral niét bij officiële subsidiekanalen of allerlei ‘fondsen’. Ik merk dat iedere keer als ik een lezing geef rond mijn mediaboek: de Vlamingen hebben het gehad met de hypocrisie van de weldenkendheid. Er is geld, er is goodwill, er is talent, er is hang naar straffe satire, er zijn tekenaars en columnisten die de sprong willen wagen.

We moeten ons voorbereiden om een toename van de censuur, o.m. via nieuwe EU-restricties op het vrije internet, daarom is een ‘papieren’ editie belangrijk.

Dat neemt niet weg dat een radicaal kritisch-politiek medium, dat niemand graag heeft maar toch iedereen wil lezen, een zeker Samizdat-gehalte moet hebben, een woord dat verwijst naar de clandestiene dissidente pamfletten in de voormalige Sovjet-Unie. We moeten ons voorbereiden om een toename van de censuur, o.m. via nieuwe EU-restricties op het vrije internet, daarom is een ‘papieren’ editie belangrijk. Wat vandaag nog vanzelfsprekend lijkt, is het morgen niet meer. Met een digitale én een papieren poot kunnen we daarop anticiperen: misschien wordt dat gazetje dat ‘onder de toonbank’ wordt verkocht en clandestien van hand tot hand gaat, wel de laatste vluchtheuvel van de vrije menuingsuiting, en was Grammens in dat opzicht profetisch.

De Vlamingen hebben door de geschiedenis heen geleerd om hun lach- en sluitspieren te beheersen, hun kak in te houden zoals het spreekwoord zegt. Onder Jambon-I en straks Di Rupo zoveel mag het wat meer zijn. Tijd om met de erfenis van twee memorabele ambetanteriken echt iets te doen.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 18 reacties

Eliud Kipchoge had ook gewoon een fiets kunnen nemen

marathonHet werd hier al eens gezegd: grote bewondering voor Oost-Afrikaanse hominiden (zeg niet mensapen) als Eliud Kipchoge, die onlangs in Wenen de twee uur-muur van de marathon doorbrak. Het gaat hier om nakomelingen van veedieven die dankzij hun lange beenspieren in één nacht met gestolen beesten naar huis konden spurten, soms honderd kilometer ver doorheen de savanne. Daarbij vergeleken is een marathon een stadswandeling. Onze voorouders daarentegen zijn boeren en handelaren, waarvan we witte papperige benen of ellendige sprietjes erfden. Slim en sluw werden we wel, maar soms ook weer vadsig. Het superioriteitscomplex van de blanke zit hem in de korte spieren (naar de markt gaan, de lijfeigene van de zweep geven), de fijne motoriek (van centen tellen tot piano spelen), en vooral: goed kunnen liegen (voorwaarde om kapitaal op te bouwen).

Afrikanen met lange benen willen we hier niet, hun lichaam is gewoon gemaakt om ons vee en onze vrouwen af te pakken. Behalve in het voetbal: daar is de zwarte koning. Bekijk onze grasmatten en zoek vergeefs naar een bleekgezicht, het lijkt de competitie van Ghana of Burkina Fasso wel. Op een of andere manier heeft de sportwereld de savannecrimineel omarmd en hem een plaats gegeven in het middenveld, de zone waar het meest gelopen wordt. Waar is de blanke man met zijn papspieren dan gebleven, afgezien van snelwandelaars als Hazard of De Bruyne? Het antwoord is simpel: niet langer op maar veeleer rond het veld, als trainer, coach, sponsor, makelaar (dikwijls met een familienaam eindigend op -vic), de man die het overzicht heeft en dirigeert, verhandelt. De aloude veehandelaar is helemaal terug en alle gestolen paarden zijn opnieuw op stal. Hier valt nu geld te verdienen.

Laserstraal

De slimme witte man (Jim Ratcliffe, CEO van Ineos) en de sterke Afrikaan (Eliud Kipchoge): een gouden combinatie

Of hoe voetbal ook zonder oerwoudgeluiden wel een racistische onderbouw vertoont. Dat brengt ons opnieuw bij het fenomeen Eliud Kipchoge. Een fantastische atleet. Maar heel dat recordgebeuren was vooral één grote reclamestunt van Ineos, een Brits chemiebedrijf van niet onbesproken reputatie (bij ons bekend van de neer te poten plasticfabriek in de Antwerpse haven, op basis van vervuilend schaliegas) dat naar verluidt 15 miljoen euro in de onderneming investeerde.

Naast heel de marketing- en merchandisingmachine is de technische omlijsting van de recordpoging zelf indrukwekkend, om niet te zeggen grotesk: 41 ‘hazen’ die hem op snelheid moesten houden, alles netjes tussen de stippellijnen van het parcours, een autocolonne om de luchtweerstand te breken, en een laserstraal die hem precies aanwees waar en hoe hard hij moest lopen op zijn supersonische Nikeschoenen met carbonzolen. Stoppen om proviand op te doen, zoals bij een klassieke marathon, was er uiteraard niet bij: Kipchoge werd via een soort telescopisch systeem van vloeibaar krachtvoer voorzien. En heel vreemd, de atleet werd  daarvoor niet uitgejouwd als een valsspeler, integendeel, de laserstraal en alle bijkomende gadgets leken de menigte nog extra te begeesteren.

We staan nog maar aan het begin van deze techno-sportieve evolutie die later ook ons dagelijks leven veel vreugde en comfort zal bezorgen.

Akkoord, u en ik gingen ook met al deze hulpmiddelen het record niet breken, we lagen al na een paar kilometer op het asfalt. Maar daar gaat het niet om. De kwestie is dat de sportieve prestatie langzaam maar zeker ondergeschikt wordt aan de technische ondersteuning. Waarbij vergeleken klassieke doping maar kinderspel is. We staan nog maar aan het begin van deze techno-sportieve evolutie die later ook ons dagelijks leven veel vreugde en comfort zal bezorgen. Die luchtweerstand, daar kan nog veel aan gedaan worden, er kan een compleet vacuüm voor de loper gecreëerd worden. Verder zijn er natuurlijk de cyborg-ideeën. Waarom Eliud geen derde been aanreiken? Of een propeller in zijn Keniaanse anus? Of beter nog, als hij nu gewoon een fiets neemt (steelt) is de klus al na een kwartier geklaard.

Cynische rede

De wenende knecht Dario Gomez Becerra tijdens het WK wielrennen, met een platte band en zonder hulp: het is niet eerlijk

Reken dus maar dat ook het huidige marathonrecord snel zal sneuvelen dankzij het betere laboratoriumwerk en de witte jassen. In dit technisch-sportief perspectief bestaat vals spelen niet en geldt inderdaad het motto van Ineos dat Kiploge de dagen voor zijn recordpoging eindeloos herhaalde: ‘No human is limited’. Maar aan die slagzin hangt een vreemde geur, jawel, deze van de man aan de zijlijn die het renpaard in het gareel houdt, nadenkt over nog meer en nog beter, en ook zoveel mogelijk Nike-sportschoenen wil verkopen.

De mens is grenzeloos, als het erop aankomt van de spelregels die hij zelf uitvond te vervalsen.

Laten we alle morele bezwaren ter zijde laten, maar ook niet doen alsof sport gewoon maar sport is. De mens is grenzeloos, als het erop aankomt van de spelregels die hij zelf uitvond te vervalsen. Het Olympische ideaal is het meest belachelijke en hypocriete dat ooit is verzonnen. De cynische rede van de veehouder-koopman-coach, die met zijn lasterstraal het sportieve exploot tot in de puntjes regelt, laat een spoor achter tot in de schemerwereld van gokken, omkoping en matchfixing. Het komt erop aan de beste te zijn met alle geoorloofde middelen, én met de ongeoorloofde voor zover die niet ontdekt worden. Dat wist Machiavelli al, de Russen passen het principe met enthousiasme toe, in de sport en daarbuiten, niet toevallig dat ze overal ter wereld verkiezingen manipuleren.

Terwijl ik op mijn oude gietijzeren fiets de hellingen in de Druivenstreek puffend bestijg, halen oudjes van 80 en meer me fluitend in op hun Speedelec. Geen bewondering maar minachting lees ik op hun gezicht. Zij hebben natuurlijk ook die verpulvering van het marathonrecord op TV gezien, en weten dat armen en benen zonder een hoofd dat nadenkt, uitvindt, chipoteert iets euh… uit de Afrikaanse prehistorie is. I say no more.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

 

Geplaatst in Geen categorie | 22 reacties

Toulouse-Lautrec, of de absurditeit van de ‘overzichtstentoonstelling’

LouvreZopas opende het Grand Palais te Parijs zijn deuren voor een grootse overzichtstentoonstelling rond de 19e-eeuwse schilder Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901). Dat ging gepaard met een ongeziene verhuisoperatie. Wereldwijd, o.m. uit Moskou, Chicago, Los Angeles, New York, São Paulo, Doornik, Amsterdam, Kopenhagen, werden in totaal 228 werken overgevlogen naar de stad die zich nog steeds als de culturele navel van de wereld beschouwt.

Toulouse

Henri de Toulouse-Lautrec.

Afgezien van het kostenplaatje (alleen al de verzekering van het transport) is er wat te doen over de voetafdruk van deze logistieke huzarenklus. Zo’n slordige 100.000 km (vooral) vliegen en bollen om al die prenten tot in het Grand Paleis te krijgen, niet meegerekend uiteraard de verplaatsingen van het publiek dat vanuit alle hoeken van de planeet deze overzichtstentoonstelling ‘moet’ zien. Dat zijn tonnen CO2 die de lucht ingespoten worden, maar voor cultuur moet men iets over hebben, te meer daar de tentoonstelling onder het motto ‘Toulouse-Lautrec. Résolument moderne’ (‘absoluut modern’) vliegt. De marketingmachine draait op volle toeren. En Parijs is altijd een bezoek meer dan waard, zeker in goed gezelschap.

Edoch, wat is de intrinsieke zin van zo’n megalomane ‘overzichtstentoonstelling’, behalve dat de plaatselijke horeca er beter van wordt? Een paar cultuurfilosofische bedenkingen.

Op zoek naar de uitgang

museumZoals elke toerist bezochten we in Parijs ooit het Louvre, dé grot van Ali Baba op artistiek-picturaal vlak. In het begin probeer je elk schilderij toch een blik te gunnen. Maar het Louvre stelt zo’n 35.000 werken ten toon (slechts een tiende van wat nog in de kelders staat), waaronder die verdomde Mona Lisa waarvan we toch een blik willen opvangen tussen de drummende menigte. Na twintig zalen begint de maag te grollen, wordt zoonlief lastig en op het einde renden we gewoon doorheen de gangen naar de verlossende sortie, ongetwijfeld grote meesterwerken miskennend.

Wat leert ons dat over de grote museale complexen? Dat ze het artistiek plezier vooral bederven, alleen al door de veelheid van ten toon gestelde objecten, de dwanggang, het neurotisch alles moeten/willen zien én verstaan. Zowel de bezoeker als het werk ondergaan het instituut. Musea zijn begraafplaatsen voor kunst; bureaucratische, zwaar gesubsidieerde cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk. Het is vervreemd van de ruimte rondom zich, tenzij dan via de ‘context’ die in ronkende catalogusteksten en via de oortjesgids uit de doeken wordt gedaan. Geeuw.

Musea zijn begraafplaatsen voor kunst, bureaucratische cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk.

Fuck dus de overzichtstentoonstellingen, de retrospectieves. Laat die dingen waar ze zijn, ook zonder CO2-boekhouding.  Hoe kleiner het museum, hoe beter. De contemplatie die elk kunstwerk vraagt, dat moment van stilte en bezinning, daarvoor is namelijk tijd en ruimte nodig. Iets wat Modest Moessorgski in zijn Schilderijententoonstelling wist weer te geven. Sterker nog: afgezien van monumentale kunst, publieke decoratie en graffiti denk ik dat de eigenlijke habitat van de meeste schilderijen of tekeningen het interieur is, de huiskamer, of minstens een ruimte waar geleefd wordt.

Mijn woning herbergt een handvol van die kleinoden. Alleen gasten krijgen ze te zien. Geschonken kaders met inhoud, zoals eentje van mijn vriend Frank Van den Veyver, en een paar eigen brouwsels zoals de Zwarte Madonna in de gang, verbonden met een eigen stukje levensverhaal zoals elk object. Misschien doe ik ze ooit wel eens weg, of geef ik Frank zijn schilderijtje door als ik het beu ben en ik nog eens ergens moet binnenkomen met iets in mijn handen. De essentie is echter dat ze tot mijn leven behoren en dat bezoekers het verhaal kunnen inademen, met of zonder woorden. Er is ook spaarzaamheid, niet aan elke muur hoeft zo nodig iets te hangen. Verderop in de tuin is er wat plaats voor kitsj en onnozele gimmicks. Geen enkele plicht om wat dan ook te zien of te doorgronden.

Denk nu niet dat ik me hier als beeldend kunstenaar of, godbetert, verzamelaar profileer: werkelijk iedereen met een dak boven zijn hoofd creëert zijn eigen ‘museum’, is zijn eigen curator, al was het maar door een muur te schilderen of ergens een poster op te hangen.

De reproductie als verlossing

Lautrec_ambassadeurs,_aristide_bruant_(poster)_1892En zo kom ik als vanzelf tot bij de gevierde artiest van het moment, Henri de Toulouse-Lautrec. We kennen hem als de mismaakte dwerg,- gevolg van inteelt in een hoogadelijke familie,- die zich onderdompelde in het Parijse nachtleven van de Belle Epoque. Als geniale observator en sarcast ontwierp hij een eigen beeldtaal die perfect aansloot bij het hem omringende universum van hoeren en hun cliënteel, danseresjes, cabaretiers, kunstbroeders, pafferige bourgeois, opgeblazen aristocraten en tutti quanti.

Maar Toulouse-Lautrec was geen schilder die aan zijn ezel ging zitten om een besteld portret te konterfeiten. Hij was vooral een succesrijk lithograaf en afficheontwerper die niet dacht vanuit het origineel maar vanuit de reproductie, en dat maakt hem echt ‘modern’. Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert. Door de reproductie wordt het werk verlost van zijn origineel en vermenigvuldigt zich, dat was ook het wonder van de boekdrukkunst.

Hoeveel mensen zouden thuis de poster Aristide Bruant dans son Cabaret niet hebben hangen, al was het maar om een lelijke plek op het behang te verbergen? Voor tien euro heb je hem, en dat lag ook in de bedoeling van deze kunstenaar: iets maken dat zich in duizendvoud verspreidt, in het bereik van iedereen. Deze diaspora gaat compleet in tegen de groteske verzamelwoede die, ironisch genoeg, ook de Toulouse-Lautrec-tentoonstelling kenmerkt, maar die subtiliteit zal de Parijse curatoren wel ontgaan.

Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert.

En zo ontmoeten het motief van het huis-museum en de diaspora van het kunstwerk elkaar: dankzij de fotografie en de drukkunst ( en misschien straks 3D-print) zijn we bevrijd van het juk van de curatoren, en mag het origineel nu rustig blijven sluimeren in een Japanse kluis. Ik heb het hier uiteraard over Van Gogh’s Zonnebloemen en de kunstspeculatie in het algemeen, de waanzinnige bedragen die voor een schilderij worden neergeteld, terwijl ook die Zonnebloemen in een uitstekende kleurweergave voor tien euro te koop zijn en in onze living een plaats kunnen vinden. Elk rechtgeaard kunstkenner zal daar nu wel bij steigeren en een discours afsteken over de geur, de fascinatie van het echte object, de textuur, de zichtbare klodders verf, het zal me worst wezen. De armoedzaaier Vincent Van Gogh, trouwens generatiegenoot en een tijd goed bevriend met Toulouse-Lautrec, heeft van de latere miljoenendans rond zijn werk alleszins nooit kunnen profiteren, hij had ze misschien ook beter onder de vorm van reproducties verkocht.

Soit, na het Louvre zakken we af naar Montmartre, indertijd dé werkplek van Henri de Toulouse-Lautrec. Een meute ‘artiesten’ hangt daar rond op zoek naar argeloze toeristen. Eentje komt op ons af, tekent mijn vrouw in vijf seconden en vraagt er honderd oude Franse franken voor. Wat doe je dan, een toerist hoort zich nu eenmaal te laten afzetten door de locals. Vreselijk, we hebben die schets hier nooit durven ophangen, ze ziet eruit als een verzopen kip, een dronken peuter had het beter gedaan.

De conclusie is dat kunst niet in een museum thuis hoort, dat is een aberratie, en dat de weg naar Parijs ons zelfs niet bij de wereld van iemand als Toulouse-Lautrec brengt. Wat moeten we er dan nog doen? Geld achter laten, Thomas Cook maakt nu toch een doorstart en de economie moet draaien en vliegtuigen moeten vliegen. Bon voyage.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties