Alsof die Nobelprijs ook bedoeld zou zijn voor de Vlaamse mainstream media

Maria Ressa en Dmitri Moeratov

Een zwaar misverstand

De Nobelprijs voor de Vrede is dit jaar toegekend aan twee journalisten die in moeilijke omstandigheden en onder een autoritair regime de vrijheid van het woord op zich nemen:  De Filippijnse Maria Ressa met haar kritische website Rappler, en Dmitri Moeratov van Novaja Gazeta, het enige resterende onafhankelijke dagblad in Rusland. Ressa wordt al jarenlang geïntimideerd en gepest door het Duterte-regime. In 2012 kreeg ze zes jaar gevangenisstraf aan haar been wegens zogenaamde smaad. In Poetin-Rusland worden dissidenten vergiftigd of naar de Goelags gestuurd. Wie daar een onafhankelijke journalistiek probeert te doen, riskeert zijn/haar nek.

Ook al was in het verleden die toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede politiek geïnspireerd, niemand zal betwisten dat deze twee journalisten alle steun verdienen. Er zijn natuurlijk nog wel collega’s van hen die in even moeilijke omstandigheden werken, dus laten we het maar een symbolische blijk van appreciatie noemen. 

Politiek correct

Peter Vandermeersch, marketeer-van-het-jaar in 2007

Een andere kwestie is de gretigheid waarmee de mainstream media in Vlaanderen en omstreken deze Vredesprijs recupereren en zichzelf nadrukkelijk in de hulde betrekken. ‘Nobelprijs is welkome steun in de rug voor alle journalisten’ wordt er in de lage landen getoeterd. Dat roept wel wat vraagtekens op. Bevinden onze modale media en hun journalisten zich in de positie van moedige collega’s onder autoritaire regimes? Helaas, het is veeleer het tegendeel: de mainstream media in Vlaanderen zijn vooral gezagsgetrouwe modellen van politieke correctheid.

Het Nobelprijscomité had vermoedelijk niet het soort journalisten in gedachten van kranten die door de overheid worden gesubsidieerd, en die vooral kind-aan-huis zijn binnen het politieke establishment.

In De Afspraak (waar anders) van afgelopen maandag mocht Peter Vandermeersch nog eens alle registers opentrekken om zichzelf te promoveren tot journalistieke held, in het zog van die Nobelprijs. Vandermeersch, alias de marketeer zoals Koen Meulenaere hem noemde omdat hij in 2007 tot marketeer-van-het-jaar werd gebombardeerd, is de man die De Standaard polijstte tot een glad joepieblad, aangenaam om in te adverteren, waarbij zorgvuldig alle politiek incorrecte hangijzers worden gemeden. Het is een mainstreammedium in de slechtste zin van het woord: conformistisch, intellectueel lui, zich afstemmend op een modieus links progressisme, en in dat opzicht vooral afgevend op zogenaamd ‘fakenews’ dat in de sociale media opborrelt.

De huidige DS-hoofdredacteur, Karel Verhoeven, is een van de hevigste ontkenners van de woke-ideologie en de cancelcultuur: allemaal ‘verzinsels van rechts om zich aan te stellen’. Het Nobelprijscomité had vermoedelijk niet het soort journalisten in gedachten van kranten die door de overheid worden gesubsidieerd, en die vooral kind-aan-huis zijn binnen het politieke establishment.

Ontslagen cartoonisten

Al jaar en dag komen in deze gesettelde media alleen gesettelde ‘opiniemakers’ aan bod, die het dan ook nog eens mogen uitleggen op VRT-talkshows allerhande. Deze incest heeft niets met persvrijheid te maken maar vooral met ons-kent-ons-cultuur. De respectievelijke boegbeelden van de ‘vrije pers’ munten bij ons vooral uit in neerbuigend moreel suprematisme tegenover het rechtshangende klootjesvolk. Knack-hoofdredacteur Bert Bultinck is onsterfelijk (belachelijk) geworden dankzij de uitspraak dat racisme tot het DNA van elke autochtone Vlaming behoort.

De persinstituten lijken zich vooral de vrijheid te permitteren om aan zelfcensuur te doen.

Maar dus die moedige onderzoeksjournalisten. In heel de PFOS-affaire en de doofpotoperaties daarrond heeft ook de Vlaamse pers een twijfelachtige rol gespeeld. Het probleem was bekend in ambtenarenmiddens, al in 2017 was het gesignaleerd naar het beleid toe, maar Verhoeven en C° vonden het blijkbaar niet nuttig of opportuun om in deze beerput te gaan roeren. We hebben hier te maken met gezagstrouwe en luie journalistiek, die ik ook te berde bracht in een paneldebat naar aanleiding van de Nederlandse Media Week.  

Dat vooral satireschrijvers en cartoonisten onder druk staan in onze zogenaamde vrije democratie, is een frappant gegeven. In 2018 ontsloeg de Süddeutsche Zeitung cartoonist Dieter Hanitzsch omwille van een ‘antisemitische’ spotprent waarin de toenmalige Israëlische premier Benjamin Netanjahu het moest ontgelden. Aan de andere zijde van de oceaan, een jaar later, mocht tekenaar Pat Chappatte beschikken bij The New York Times, dat maar meteen besloot om te stoppen met politieke cartoons. Persvrijheid zei u? De persinstituten lijken zich vooral de vrijheid te permitteren om aan zelfcensuur te doen. En het gevaar voor moedige journalisten of tekenaars komt bij ons vooral vanuit de grote media zelf waarvoor ze werken.

Ig-Nobelprijs

Voor de VVJ staat mediakritiek gelijk met ‘agressie tegen journalisten’. Inclusief meldpunt.

De Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) is een corporatistische beroepsorganisatie die de belangen van haar leden behartigt, maar helemaal niet in een globale cultuur van de vrije meningsuiting geïnteresseerd is. Ooit censureerde de vereniging in haar ledenblad De Journalist zelf een interview met Rik Torfs, die zich al te kritisch had uitgelaten over… de mainstream media. Vanzelfsprekend eist ook de VVJ voor zich een plaatsje op in de Nobelhulde. Het is deze vereniging ook die pleitte voor een meldpunt voor agressie tegen journalisten: leest men de motivering erop na, dan blijkt men alle mediakritiek als ‘verbaal geweld’ op te vatten.  

In autoritaire regimes heb je mensen die hun nek durven uitsteken, in zogenaamde democratieën wordt de toon gezet door opiniemakers die de mainstream organiseren én zich tegelijk op de borst kloppen.

De ene journalistieke positie is dus de andere niet. Bij ons ligt de persvrijheid in de alternatieve media, de kleinere webmagazines én de sociale media, de bloggers, die bij voorkeur worden genegeerd of geschoffeerd door de perskaartjournalisten. De Nobelprijs voor Maria Ressa en Dmitri Moeratov is een belangrijk signaal, maar veroorzaakt tegelijk enorm veel ruis in het medialandschap. In autoritaire regimes staan onafhankelijke journalisten en opiniemakers bloot aan repressie, in zogenaamde democratieën botst men tegen de pensée unique aan, door het regime én de mainstreampers in stand gehouden. Zie ook het geval Marc Van Ranst en het covid-discours.

Er zou misschien nog een scherts-Nobelprijs moeten ingesteld worden voor dit soort journalistieke helden, naar analogie met de Ig-Nobelprijs voor de meest nutteloze uitvinding. Alle hoofdredacteurs van de Vlaamse media meteen op de shortlist.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .