Het probleem van de hoffelijke Vlaming

De Vlaamse rand verfranst terwijl je erop kijkt

Mijn oude Volvo heeft het begeven, het werd dus uitkijken naar iets anders, en dan ga je natuurlijk eerst in eigen gemeente te rade. Overijse is goed voorzien; bijna elk automerk heeft er zijn verdeler. In een aantal zaken werd ik geconfronteerd met een Franstalige verkoper die ook een paar woorden Nederlands kan. Niet zo aangenaam bij een gewichtige aankoop. Ik was er dan ook snel buiten. Eentje, die ik niet onvernoemd wil laten, Opelverdeler Piret aan de Terhulpense steenweg, deed helemaal geen moeite en had geen enkele verkoper die me in het Nederlands te woord kon staan, zelfs geen poging tot. Toen ik aandrong, vroeg men me of ik misschien een tolk wenste, alsof ik Hottentots sprak. In Overijse dus. Te mijden deze zaak.

Bier en broodjes

Piret Car Center, een autozaak in Overijse met uitsluitend ééntalig francofone verkopers: te mijden

Overijse is een Nederlandstalige randgemeente die er wel op toeziet dat de officiële communicatie in het Nederlands gebeurt. En de opschriften in horeca en handel vallen ook nog mee. Het dorps- en verenigingsleven is ook nog grotendeels Vlaams. Het probleem zit hem in de omgangstaal. Herbergiers willen bier verkopen en bakkers broodjes, en dan willen ze zelfs Chinees spreken. Ja, dat heet commerciële feeling, maar de Hollanders, die ons nog met vele lengten kloppen inzake handelsgeest, doen daar helemaal niét aan mee. Ga je in Maastricht een pint bestellen, waar behoorlijk wat Franstalige toeristen komen, dan doe je dat toch best in het Nederlands.

De verfransing -of moet ik zeggen ontnederlandsing- van de Vlaamse rand, speciaal de druivenstreek, heeft te maken met drie factoren: a) de internationalisering van de regio en de vele EU-expats b) de graagte waarmee Brusselaars zich in deze groene regio vestigen c) de gewilligheid van de Vlamingen om zich aan te passen en de facto zelf de verfransing in de hand te werken.

Het heeft dus met wat anders te maken dan handelsgeest. Sommigen spreken eufemistisch over hoffelijkheid, maar eigenlijk is het underdoggedrag. De strategie van de zwakste om zich toch maar sociaal aanvaardbaar te maken. In een andere context, de relatie tussen moslims en niet-moslims, spreekt men over dhimmitude.

Sommigen spreken eufemistisch over hoffelijkheid, maar eigenlijk is het underdoggedrag.

Het is dus een Vlaams probleem. Kom ik aan de overzijde van de taalgrens, in Waver, vijf kilometer verder, dan lijkt het alsof ik in Frankrijk ben aangekomen: hoogst uitzonderlijk dat men een antwoord in het Nederlands terug krijgt, en dat is dan nog meestal van een Vlaming die er werkt. Doorgaans bekijken ze je alsof je van de planeet Mars komt. Ik vind dat niet eens erg: zij zijn er thuis, ik op bezoek. Andermaal: de Vlaming past zich overal aan en krijgt complimentjes voor zijn talenkennis.

Maar ondertussen komt hij zelfs in eigen huis niet meer aan de bak. De vraag stelt zich: wie is de slimste, degene die zijn taal opdringt of degene die zich aanpast? In de biologie is aanpassing essentieel als het over natuurlijke factoren gaat, maar sociologisch is het andersom: wie zich conformeert levert zijn/haar identiteit in, of wordt gewoonweg verdrongen. Een brede ‘olievlek’ rond Brussel -de Denderstreek, de Noordrand tot Mechelen, heel de Oostrand en de smalle Zuidrand waar de francofonen nog steeds een ‘corridor’ hopen te vestigen- krijgt met die verdringing te maken.

Spuitbus versus olievlek

Overijse, geprangd tussen Brussel en Wallonië (Waver): de oude droom van een ‘corridor’ blijft

De porositeit van de taalgrens oefent als sinds het vastleggen van die grens in 1961 een druk naar het Noorden uit. In dat jaar werd het Vlaamse Terhulpen overgeheveld naar Wallonië om La Hulpe te worden, ‘omdat er toch veel Franstaligen wonen’. Dat verhaal van die hoffelijkheid is dus niet zo onschuldig als het lijkt, en die kaart van de Vlaamse rand komt ooit nog wel terug op de onderhandelingstafel.

Het opschrift ‘Overijse, waar Vlamingen thuis zijn’ is pure folklore. De realiteit is dat in de warenhuizen Colruyt, Delhaize en Aldi steeds meer Frans wordt gesproken. Dat is natuurlijk niet verboden, maar op een zeker moment spreekt die kassierster je uit gewoonte ook in die taal aan. Bonjour monsieur. Francofonen praten hun taal onder elkaar ook opvallend luid en groepsgewijs, om aan te geven dat dit het nieuwe normaal is. Intimidatie, het werkt.

Alleen al daarom zou die taalgrens beter een landsgrens worden.

Even bellen dan naar de postmeester van Overijse. Ja, de officiële richtlijnen van hogerhand zijn ‘Nederlands in Vlaamse gemeenten’ aan het loket, behalve ‘als de persoon kan aantonen dat hij of zij in het Franstalig landgedeelte woonachtig is’, laat de communicatieverantwoordelijke van Bpost me weten. Daar beginnen we niet aan, zegt de postmeester me aan de telefoon: de loketbedienden spreken gewoon de taal van Molière, of iets dat erop trekt, tegen iedereen die dat wil. Idem voor Engels natuurlijk. En op die manier krijg je als Vlaming de indruk van stilaan in een ander land aangekomen te zijn. Ondanks alle warme begroetingen van overheidswege als men Vlaanderen binnen rijdt. Er is zelfs een minister van de Vlaamse rand; mij een raadsel wat die man doet, behalve de compleet nutteloze ‘Randkrant’ uitgeven.

Flor Grammens (1899-1985), de man die zijn volk leerde schilderen

Alleen al daarom zou die taalgrens beter een landsgrens worden. Ondertussen ligt de oplossing in een mentaliteitsverandering bij de middenstand, een actieve sensibilisering ‘Spreek Nederlands in uw gemeente’, maar ook bij meer radicale vormen van activisme die de verfransing, zeker in de commerciële sfeer, moeten ontmoedigen. Toen een winkel van bedden en matrassen in het centrum van Overijse de opening van een vestiging aankondigde met ‘Ouverture bientôt’, haalden onbekenden, vermoedelijk van het Taal Aktie Komitee, de spuitbus boven. Het probleem was snel opgelost, geen Franstalige opschriften meer, het bedrijf doet nu zijn aankondigingen in het… Engels.

Gewoon wat duidelijke signalen geven kan veel oplossen. De spuitbus, het werkt. Laten we maar wat minder hoffelijk zijn en op onze strepen staan. Flor Grammens, vader van Mark, wist al in de jaren ’30 goed met de kwast om te gaan en dat was nochtans een beminnelijk man.

Wat Piret en consoorten betreft, handelaars die niet eens de moeite doen om Nederlandstalig onthaal te voorzien, geldt het devies: boycot. Stel een zwarte lijst op van te mijden handelszaken en laat die rondgaan. Geef daar voldoende ruchtbaarheid aan, laat de gerant in kwestie ook duidelijk weten dat hij die eervolle vermelding heeft gekregen en dat dit vatbaar is voor verandering als de toestand gunstig evolueert. Succes verzekerd. Chantage? Absoluut. Et alors?

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Dit bericht werd geplaatst in Vlaams. Bookmark de permalink .