Toulouse-Lautrec, of de absurditeit van de ‘overzichtstentoonstelling’

LouvreZopas opende het Grand Palais te Parijs zijn deuren voor een grootse overzichtstentoonstelling rond de 19e-eeuwse schilder Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901). Dat ging gepaard met een ongeziene verhuisoperatie. Wereldwijd, o.m. uit Moskou, Chicago, Los Angeles, New York, São Paulo, Doornik, Amsterdam, Kopenhagen, werden in totaal 228 werken overgevlogen naar de stad die zich nog steeds als de culturele navel van de wereld beschouwt.

Toulouse

Henri de Toulouse-Lautrec.

Afgezien van het kostenplaatje (alleen al de verzekering van het transport) is er wat te doen over de voetafdruk van deze logistieke huzarenklus. Zo’n slordige 100.000 km (vooral) vliegen en bollen om al die prenten tot in het Grand Paleis te krijgen, niet meegerekend uiteraard de verplaatsingen van het publiek dat vanuit alle hoeken van de planeet deze overzichtstentoonstelling ‘moet’ zien. Dat zijn tonnen CO2 die de lucht ingespoten worden, maar voor cultuur moet men iets over hebben, te meer daar de tentoonstelling onder het motto ‘Toulouse-Lautrec. Résolument moderne’ (‘absoluut modern’) vliegt. De marketingmachine draait op volle toeren. En Parijs is altijd een bezoek meer dan waard, zeker in goed gezelschap.

Edoch, wat is de intrinsieke zin van zo’n megalomane ‘overzichtstentoonstelling’, behalve dat de plaatselijke horeca er beter van wordt? Een paar cultuurfilosofische bedenkingen.

Op zoek naar de uitgang

museumZoals elke toerist bezochten we in Parijs ooit het Louvre, dé grot van Ali Baba op artistiek-picturaal vlak. In het begin probeer je elk schilderij toch een blik te gunnen. Maar het Louvre stelt zo’n 35.000 werken ten toon (slechts een tiende van wat nog in de kelders staat), waaronder die verdomde Mona Lisa waarvan we toch een blik willen opvangen tussen de drummende menigte. Na twintig zalen begint de maag te grollen, wordt zoonlief lastig en op het einde renden we gewoon doorheen de gangen naar de verlossende sortie, ongetwijfeld grote meesterwerken miskennend.

Wat leert ons dat over de grote museale complexen? Dat ze het artistiek plezier vooral bederven, alleen al door de veelheid van ten toon gestelde objecten, de dwanggang, het neurotisch alles moeten/willen zien én verstaan. Zowel de bezoeker als het werk ondergaan het instituut. Musea zijn begraafplaatsen voor kunst; bureaucratische, zwaar gesubsidieerde cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk. Het is vervreemd van de ruimte rondom zich, tenzij dan via de ‘context’ die in ronkende catalogusteksten en via de oortjesgids uit de doeken wordt gedaan. Geeuw.

Musea zijn begraafplaatsen voor kunst, bureaucratische cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk.

Fuck dus de overzichtstentoonstellingen, de retrospectieves. Laat die dingen waar ze zijn, ook zonder CO2-boekhouding.  Hoe kleiner het museum, hoe beter. De contemplatie die elk kunstwerk vraagt, dat moment van stilte en bezinning, daarvoor is namelijk tijd en ruimte nodig. Iets wat Modest Moessorgski in zijn Schilderijententoonstelling wist weer te geven. Sterker nog: afgezien van monumentale kunst, publieke decoratie en graffiti denk ik dat de eigenlijke habitat van de meeste schilderijen of tekeningen het interieur is, de huiskamer, of minstens een ruimte waar geleefd wordt.

Mijn woning herbergt een handvol van die kleinoden. Alleen gasten krijgen ze te zien. Geschonken kaders met inhoud, zoals eentje van mijn vriend Frank Van den Veyver, en een paar eigen brouwsels zoals de Zwarte Madonna in de gang, verbonden met een eigen stukje levensverhaal zoals elk object. Misschien doe ik ze ooit wel eens weg, of geef ik Frank zijn schilderijtje door als ik het beu ben en ik nog eens ergens moet binnenkomen met iets in mijn handen. De essentie is echter dat ze tot mijn leven behoren en dat bezoekers het verhaal kunnen inademen, met of zonder woorden. Er is ook spaarzaamheid, niet aan elke muur hoeft zo nodig iets te hangen. Verderop in de tuin is er wat plaats voor kitsj en onnozele gimmicks. Geen enkele plicht om wat dan ook te zien of te doorgronden.

Denk nu niet dat ik me hier als beeldend kunstenaar of, godbetert, verzamelaar profileer: werkelijk iedereen met een dak boven zijn hoofd creëert zijn eigen ‘museum’, is zijn eigen curator, al was het maar door een muur te schilderen of ergens een poster op te hangen.

De reproductie als verlossing

Lautrec_ambassadeurs,_aristide_bruant_(poster)_1892En zo kom ik als vanzelf tot bij de gevierde artiest van het moment, Henri de Toulouse-Lautrec. We kennen hem als de mismaakte dwerg,- gevolg van inteelt in een hoogadelijke familie,- die zich onderdompelde in het Parijse nachtleven van de Belle Epoque. Als geniale observator en sarcast ontwierp hij een eigen beeldtaal die perfect aansloot bij het hem omringende universum van hoeren en hun cliënteel, danseresjes, cabaretiers, kunstbroeders, pafferige bourgeois, opgeblazen aristocraten en tutti quanti.

Maar Toulouse-Lautrec was geen schilder die aan zijn ezel ging zitten om een besteld portret te konterfeiten. Hij was vooral een succesrijk lithograaf en afficheontwerper die niet dacht vanuit het origineel maar vanuit de reproductie, en dat maakt hem echt ‘modern’. Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert. Door de reproductie wordt het werk verlost van zijn origineel en vermenigvuldigt zich, dat was ook het wonder van de boekdrukkunst.

Hoeveel mensen zouden thuis de poster Aristide Bruant dans son Cabaret niet hebben hangen, al was het maar om een lelijke plek op het behang te verbergen? Voor tien euro heb je hem, en dat lag ook in de bedoeling van deze kunstenaar: iets maken dat zich in duizendvoud verspreidt, in het bereik van iedereen. Deze diaspora gaat compleet in tegen de groteske verzamelwoede die, ironisch genoeg, ook de Toulouse-Lautrec-tentoonstelling kenmerkt, maar die subtiliteit zal de Parijse curatoren wel ontgaan.

Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert.

En zo ontmoeten het motief van het huis-museum en de diaspora van het kunstwerk elkaar: dankzij de fotografie en de drukkunst ( en misschien straks 3D-print) zijn we bevrijd van het juk van de curatoren, en mag het origineel nu rustig blijven sluimeren in een Japanse kluis. Ik heb het hier uiteraard over Van Gogh’s Zonnebloemen en de kunstspeculatie in het algemeen, de waanzinnige bedragen die voor een schilderij worden neergeteld, terwijl ook die Zonnebloemen in een uitstekende kleurweergave voor tien euro te koop zijn en in onze living een plaats kunnen vinden. Elk rechtgeaard kunstkenner zal daar nu wel bij steigeren en een discours afsteken over de geur, de fascinatie van het echte object, de textuur, de zichtbare klodders verf, het zal me worst wezen. De armoedzaaier Vincent Van Gogh, trouwens generatiegenoot en een tijd goed bevriend met Toulouse-Lautrec, heeft van de latere miljoenendans rond zijn werk alleszins nooit kunnen profiteren, hij had ze misschien ook beter onder de vorm van reproducties verkocht.

Soit, na het Louvre zakken we af naar Montmartre, indertijd dé werkplek van Henri de Toulouse-Lautrec. Een meute ‘artiesten’ hangt daar rond op zoek naar argeloze toeristen. Eentje komt op ons af, tekent mijn vrouw in vijf seconden en vraagt er honderd oude Franse franken voor. Wat doe je dan, een toerist hoort zich nu eenmaal te laten afzetten door de locals. Vreselijk, we hebben die schets hier nooit durven ophangen, ze ziet eruit als een verzopen kip, een dronken peuter had het beter gedaan.

De conclusie is dat kunst niet in een museum thuis hoort, dat is een aberratie, en dat de weg naar Parijs ons zelfs niet bij de wereld van iemand als Toulouse-Lautrec brengt. Wat moeten we er dan nog doen? Geld achter laten, Thomas Cook maakt nu toch een doorstart en de economie moet draaien en vliegtuigen moeten vliegen. Bon voyage.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

2 reacties op Toulouse-Lautrec, of de absurditeit van de ‘overzichtstentoonstelling’

  1. Yvo G zegt:

    In Antwerpen, koninklijk museum van schone kunsten, placht ik graag in de lege gangen en zalen rond te zwerven, ongezien door geeuwende suppoosten, om me neer te zetten voor een prachtig doek van een groot of kleine meester, en daar dan rustige een kwartiertje naar te kijken. Het kan ook simpel. En daar is géén seconde opwinding.

Reacties zijn gesloten.