Einstein meets Ensor: over het bevrijdende gelul van twee genieën

Ensor_Einstein

Dankzij mijn stukje van gisteren over het wereldkampioenschap garnalen pellen, kwam Katty Vanmassenhove gisteren ook even op het TV-journaal, uiteraard zonder de filosofisch-erotische duiding die ik erbij gaf. Dat hoeft ook niet. Het schijnbaar banale is niet banaal, het zogenaamd kleine nieuws bevat dikwijls veel meer dan de headlines. Wat hierna volgt, bevestigt dat.

Het was me even ontglipt, maar op 2 augustus 1933, dus net 85 jaar geleden, ontmoetten James Ensor (uiterst rechts op de foto) en Albert Einstein (uiterst links) elkaar in het restaurant Au Coeur Volant in De Haan. Einstein was toen al een beroemdheid en stond op het punt om naar Amerika te emigreren, op de vlucht voor het nazisme. Ook Ensor had het na een periode van miskenning als kunstenaar helemaal gemaakt en was het malin génie van het establishment geworden.

De naam van het restaurant is een speelse knipoog naar het lokale dialect: een vliegend hert is een soort kever, maar een “hert” is ook het Westvlaams voor hart, vandaar le coeur volant, het vliegend hart, een surrealistische onnozelheid die helemaal past in het vervolg van het verhaal.

Hegel_vacances

René Magritte: “Les vacances de Hegel” (1958) 

Want er bestaan geen nota’s van de gesprekken tussen de twee genieën, enkel een paar getuigenissen van disgenoten. Waarover hadden Einstein en Ensor het zoal? De dramatische wereldpolitiek van het moment? Het mystieke verband tussen de relativiteitstheorie en gemaskerde skeletten? Literatuur, filosofie, psychoanalyse? Vergeet het: de heren hielden zich naar verluidt vooral bezig met small talk, moppen tappen en flirten met de serveuse. Onnozel doen en veel port drinken, waarbij het niveau zienderogen zakte. Einstein zou Ensor op een zeker moment gezegd hebben: “Ik begrijp uw kleuren niet”. Daarop zou de kunstenaar hebben geantwoord: “En ik begrijp uw wiskunde niet”. En doe ze nog eens vol, Germaintje.

Voor sommigen zal dat een ontnuchtering zijn, voor mij niet: het is de kracht van de trivialiteit. Genieën zijn hun genialiteit dikwijls beu, en dat moet ook, je kunt zo’n zwaar hoofd niet blijven torsen zonder dat het er af valt. Alcohol speelt daarin een essentiële rol van oplosmiddel. Ik maak me zelfs sterk dat de trivialiteit –de flauwe moppen, het gezever, het gescharrel met de dienster- de voedingsbodem uitmaakt van creativiteit en het fameuze “out of the box” denken. Zonder garnalen, geen blauwe vinvis. Humor en erotiek vormen de vochtige bedding waarop gedachten rijpen en bizarre zwammen oprijzen, soms regelrecht uit de stront.

Voor de rest maakt de triviale, bijna kinderachtige conversatie tussen de Nobelprijswinnaar fysica en de grootste modernistische schilder van zijn tijd, een onbedoeld fuck-you gebaar naar de interessanterig-aanstellerige zweefgesprekken tussen quasi-engelen zoals die op Klara de norm zijn. Gesprekken van mensen die zichzelf belangrijk vinden en hun eruditie etaleren. De humor die Einstein en Ensor delen is het antidotum tegen Cultuur met een grote C, de bubbel van de intellectuele zelfgenoegzaamheid.

Het is de reden waarom ik Dag Allemaal met meer geestdrift lees dan Hegel, ook al had deze ook best zijn grappige momenten. De Oostendse strandkrab en garnalenvisser groet u vanuit het ondiep.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Einstein meets Ensor: over het bevrijdende gelul van twee genieën

  1. Marc Schoeters zegt:

    Het triviale is altijd de voedingsbodem geweest van het verhevene. De beschaving ontspruit uit het dagelijks bevredigen van de lijfelijke begeerten. Geest ontstaat uit goesting. Neem nu de heer Hegel. Die hield zich voor een groot deel van de tijd niet onledig met het bedenken van grote wereldsystemen – zoals ons wordt voorgehouden. De grote werelddenker was niet alleen een verwoede hasjiesroker – maar ook een onverbeterlijke rokkenjager. En bij hem bleef het niet bij wat gescharrel – zoals het brave dollen van Einstein en Ensor met de dienster van het Vliegend Hart. Hegel ging – zoals altijd – dieper. Zo slaagde hij erin zijn hospita – mevrouw Christiana Burkhardt – in blijde verwachting te brengen. Zij beviel eerder van Hegels onwettige zoon dan hij van zijn filosofisch hoofdwerk – “De Femonologie van de Geest”. Eerst komt de onderbuik van de filosoof aan bod, dan pas zijn hoofd. Eerst het scheefpoepen, dan pas de Wereldgeest. De geschiedenis is helemaal geen steeds volmaaktere synthese van these en antithese – al geloven de intellectuele engelen die de zendtijd van Klara volkwaken en de cultuurbijlagen van De Standaard volkwakken dat nog zo graag. De geschiedenis is een chaotische eeuwige herhaling van miljoenen buiken en onderbuiken die aan de lopende band moeten worden gevuld en ontlast. Geen these en antithese – maar antipasta en pasta. Zo kan de rijke cultuurgeschiedenis van Noord-Italië alleen maar begrepen worden vanuit de culinaire begeerte. In de 12de eeuw ontstond in Bologna niet alleen de eerste universiteit ter wereld – maar ook de “turtlein” of tortellini. Eerst moet de buik worden gevuld met pasta vooraleer het menselijk dier zich waagt aan de academisch antipasta voor de geest. En eten heeft altijd te maken met seks. Tortellini is gemodelleerd op de blote navel van een vrouw. Een kok van een herberg zou een glimp van een naakte reizigster hebben opgevangen – en zo op het idee van de eerste tortellini zijn gekomen. De beste tortellini is de in pasta geboetseerde navel van Venus. Het oermodel voor tortellini wordt dan ook bewaard in het aan de universiteit verbonden Palazzo della Mercanzia van Bologna. Uit de pasta van de tortellini kwam de antipasta van de artistieke renaissance en het moderne wetenschappelijke denken tevoorschijn. Geen toeval dat Copernicus, Galilei en Paracelsus allemaal aan de universiteit van Bologna hebben gestudeerd. It’s the pasta, stupid! Mij verbaast het dus geenszins dat Einstein en Ensor elkaar hebben ontmoet in een restaurant – of all places. En het zou me ook niet verbazen als een van beide heren achteraf met de dienster nog wat meer hadden gedaan dan “scharrelen”. Misschien lopen er in De Haan nu nog nietsvermoedende nazaten rond van de losse scharrelkip die zich maar al te graag door Albert of James liet verleiden. Vrouwen houden van grote geesten. Hoe groter de geest, hoe groter het beest. En De Haan heette in die tijd niet voor niets Le Coq. Iedereen – behalve geslachtloze intellectuele engelen – weten welk orgaan daarmee bedoeld wordt.

Reacties zijn gesloten.