Het Urinoir van Duchamp: cherchez la femme

urinoir2Terwijl de promostunt van schrijver-op-zijn-retour Marc De Bel doorgaat en men eerstdaags de Gentse Kalandeberg gaat openhakken op zoek naar de Rechtvaardige Rechters, komt er een nieuw monster van Loch Ness deze toch al hete voorzomer opvrolijken: het fameuze Urinoir (Fountain) dat Marcel Duchamp in 1917 inzond voor een tentoonstelling van de Society of Independent Artists in New-York. Waar het “kunstwerk” geweigerd werd, en zo de knallende start werd van wat als pop-art of (nog later) conceptuele kunst de geschiedenis in ging.
Het kunstwerk was vanaf dan geen artefact meer in de letterlijke zin, iets waar je aan werkte tot het af was. Neen, alles was kunst, alles wat je maar van straat kon rapen en tentoonstellen, met dien verstande dat heel het museale establishment meeging in de grap en er dan plots ook een stevig prijskaartje aan hing. Zie mijn uitweiding over Marcel Broodhaers en Arne Quinze in “De Langste Mars”.

Al een tijdje doken echter theorieën op dat het Urinoir in kwestie een vrouwelijk bedenksel is. Het Nederlandse kunstmagazine See All This warmde alle gissingen en hypotheses nog eens op in een grote stoofpot en komt tot de vaststelling: het Urinoir is niet van Marcel Duchamp maar origineel van Elsa Hildegard Baroness von Freytag-Loringhoven (1874-1927), geboren Elsa Plötz. Op zich ook een enorme publiciteitsstunt voor dat blad, want alle kranten en magazines namen het verhaal over, tot en met De Standaard die, zoals dikwijls, zijn bron niét vermeldt maar het voorstelt als resultaat van eigen onderzoek.

Maar goed, die Duitse barones, quid? Het traject van Elsa Plötz leest als een Dulle Griet-verhaal. Geboren in Swinemünde/Duitsland, kwam ze al vroeg op ramkoers met haar vader, een perfectionistische patriarch die haar moeder dodelijk met syfilis besmette en daarna fluks hertrouwde. Het zal haar leven als “feministe” verder tekenen. Haar relatie met mannen was op zijn zachtst gezegd dubieus, ze begon met trio’s te experimenteren, altijd in het artistieke milieu waar dat kon, en week tenslotte uit naar Amerika. Daar huwde ze na nog wat relationele strapatsen in 1913 Baron Leo von Freytag-Loringhoven, wat haar de titel van barones opleverde.
Dat was de start voor een turbulent leven op het middelpunt van de modernistische scène in New-York, waar ook Man Ray en Marcel Duchamp vertoefden. Onder de noemer dada was werkelijk alles gepermitteerd en werd het kind(erachtige) tot norm verheven. Plezant was het zeker. Samen maakte het drietal o.m. de artistieke pornofilm “The Baroness Shaves Her Pubic Hair” (1921). Elsa specialiseerde zich verder in groteske performances, charades, en avant-gardische poses.

Hysterie en leegte
Maar achter die artistieke glitter en fun verborg zich een vrouw die tot in de diepste vezel ongelukkig was. Haar passionele liefde voor Marcel Duchamp bleef onbeantwoord, ze geraakte op drift en aan lager wal, keerde terug naar Duitsland en stierf in 1927 te Parijs door een open gaskraan, vermoedelijk zelfmoord.

En nu dat Urinoir. Effectief was Elsa al een tijdje aan het experimenteren met zgn. ready mades, voor Duchamp daar ook maar op kwam. Laten we eens meegaan in de hypothese dat de zogenaamde vader van het Urinoir dat ding cadeau kreeg van de barones, dit keer onder de schuilnaam R. Mutt (R. Mutt’ = Armut = armoede), zoals Duchamp zelf later in een brief vertelt (“Une de mes amies sous un pseudonyme masculin, Richard Mutt, avait envoyé une pissotière en porcelaine comme sculpture). Dat werpt een heel ander daglicht op het object: het is geen kunstwerk maar een boodschap, een signaal, misschien zelfs een noodkreet.

En nu ga ik even in op de betekenis van het woord hysterie, een term die het best past bij heel de groteske scenografie van de barones. Het woord komt van het Grieks hystera, baarmoeder, en wordt door Freud gebezigd als een cruciale term in de vrouwelijk pathologie, namelijk als syndroom van de “lege baarmoeder”, het gefrustreerde seksuele verlangen maar ook de onvervulde kinderwens.
Vanuit die optiek wordt alles duidelijk: het opgezonden Urinoir is niet alleen een ultieme schimpscheut jegens de patriarch/vaderfiguur, maar ook een (lege) baarmoeder waarin geen sperma terecht komt maar enkel pis. Een liefdesgeschenk aan de man die haar niet liefhad. Wat kan je dan beter cadeau doen dan een porseleinen pissijn?
Hadden Marcel en Elsa een kind gehad, dan zou ons veel modernistische absurditeit bespaard gebleven zijn. Maar Marcel beantwoordde de hartenkreet niet en stelde het ding ten toon als begin van een nieuw kunsttijdperk. Het is alsof je een liefdesbrief niet beantwoordt maar wel in de krant publiceert, en onder jouw naam. Een verschrikking moet dat geweest zijn voor de toch al labiele Elsa Plötz alias barones von Freytag-Loringhoven.

Marc Coucke casht
Haar geflirt met de dada-beweging krijgt dan ook iets meer duiding: dada, zijnde een verwijzing naar kindergebrabbel en het nulniveau van de taal, is wellicht een sublimatie van Elsa’s verdrongen kinderwens en, weerom, de hysterie als samentrekking van de lege baarmoeder.

Finaal is dit verhaal een weergaloze illustratie van het ziekelijk karakter van kunst an sich. Mannen vangen biologische signalen op van vrouwen en verkopen ze gewoonweg door als “kunst”. Mannen hebben sowieso geen baarmoeder, kunnen geen kinderen krijgen, en zijn in feite nog veel hysterischer dan vrouwen. Alleen: ze kunnen het beter verpakken en rationaliseren. Daardoor is vrouwelijke kunst een contradictie en is de biologische ontknoping de enige die ertoe doet: de seksuele vereniging met het kind als apotheose.
Was will das Weib? Een gevulde uterus. Dat net dit niét doorgaat, is het begin van een hoop misverstanden die vooral sinds dat Urinoir een steile vlucht hebben genomen, tot en met de mosselpotten van Broodthaers en de kakmachine van Delvoye.
Het is helemaal niet te verbazen dat geboren zwendelaars/charlatans als Mark Coucke fans van Duchamp en Urinoir-verzamelaars zijn. Het tekent een universum van de schijn, de bluf, het groteske en, jawel, de hysterie die voortkomt uit een gevoel van leegte, ook wel omschreven als nihilisme. Kunst reflecteert geen emoties, ze parasiteert erop en perverteert ze.

Elsa is kinderloos gestorven, het meest passende zou zijn dat het Urinoir alsnog gebracht wordt naar de plek waar het thuishoort: het openbaar toilet. Maar deze restitutie zal niet plaats grijpen want dan stuikte heel de kunstmarkt in mekaar. Het is anderzijds belachelijk om het Urinoir alsnog aan Elsa von Freytag-Loringhoven toe te wijzen en de kunstboeken te herschrijven in een zogenaamde feministische versie: het object was helemaal geen kunstwerk maar een intiem cadeau met een boodschap. En tegelijk een uiting van wanhoop, ongeloof, vertwijfeling, het voorgevoel dat het signaal niet zou beantwoord worden.

Tot zover mijn Freudige lezing van The Fountain. Er moeten vandaag geen kinderen meer gemaakt worden want we zijn al met teveel. Wat rest is decadentie. Vrouwen zijn hopeloos hysterische wezens en mannen cynische smeerlappen, laten we het daarbij houden. Uiteindelijk is heel deze wereld hysterisch, omdat de man/vrouw-relatie niet klopt en de biologische evidentie verknipt wordt tot een onleesbaar patroon waarin ruis de echte signalen doorlopend overstemt. Als dat cultuur is, dan mag het van mij stoppen. En dat geldt zeker ook voor dit schrijven. Bij deze.

 

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.
Dit bericht werd geplaatst in Femen. Bookmark de permalink .

24 reacties op Het Urinoir van Duchamp: cherchez la femme

  1. Christel VdM zegt:

    Heel geestig, uw Freudiaanse kijk op de zaak. In het Metropolitan museum of Art staat nog een sculptuur van de excentrieke barones von Freytag – Loringhoven, genaamd “God”. https://www.metmuseum.org/art/collection/search/261000. Een verdraaide rioolpijp, die ook al ondersteboven werd gezet. Een ironische knipoog naar het urinoir. Wat zou de barones hiermee willen zeggen? Ook een verborgen boodschap voor Marcel Duchamp, die zich ook wel eens als een vrouw verkleedde met het pseudoniem ‘Rrose Selavy’ (een woordspeling op ‘Eros, c’est la vie’) zeker? Een verwrongen fallussymbool? Of misschien eerder kritiek op de fallocentrische, patriarchale maatschappij?
    Dat de barones uit het leven stapte, heeft echter niks te maken met het ‘lege baarmoederssyndroom of liefdesverdriet, maar met de bittere armoede, waarin ze tijdens haar laatste levensjaren verzeilde. Haar vader had haar onterfd, ze ging zelfs met kranten leuren en bedelen bij haar beroemde vrienden.
    Duchamp is een van de vele charlatans, die ongestraft op de rug van andere artiesten plagieerde. Fabre is ook zo iemand. Zum kotzen.
    De hele conceptuele kunst is een grote grap. Maar dat een vrouw daaraan de basis legde, bewijst dat vrouwen degelijk wel gevoel voor humor hebben en de man bij de neus nemen of een lange neus trekken ;-).

    • biohenri zegt:

      Zum kotzen, indeed!

    • Fend zegt:

      “Fabre is ook zo iemand. Zum kotzen.” Zum kotzen ? Leuk, zeer leuk. Te laat ! Kotsen zit er niet meer in. U kan niet eens meer kotsen ! De dieven anticiperen namelijk zeer bijdehands. Nog voordat u uw braakneigingen voelt opkomen, wordt deze fysieke impuls u al ontnomen. Zie u daar eens staan met uw kotsneigingen, uw blik gericht op een hoop laat-dadaïstische rommel van conceptuele kunstenaars , nou ja kunstenaars, die alles goed en wel, op voorhand in uw plaats hebben onder gekotst , gekakt, geplast en met bloed besmeurd. De hele conceptuele kunst is geen grote grap, het is een tragedie waarin de barones lang niet de enige gedupeerde is. Heeft u een ticket betaald om de kakmachine te zien, de “cloaca” , “de riool” ? Te laat, u participeert. U krijgt uw eigen kots in uw gezicht.

      • Christel VdM zegt:

        Dag meneer Fend, zo te lezen bent u een grote fan van de conceptuele kunst. Hoe u zo enthousiast uw mening hier ventileert. Niet alles van de dadaïstische kunst is zum kotzen. De schilderijen van Francis Picabia, foto’s van Man Ray, poëzie van Paul van Ostaijen zijn in mijn ogen degelijk wel kunst. Die zou ik wel inkaderen en aan de muren ophangen.
        Goedenacht.

      • Fend zegt:

        Ja, ja, uw rode stylo slaat paars uit van de verbeterzucht. Ik heb het over de conceptuele kunst, die u onder kotst vooraleer uw braakneigingen ook maar kunnen opkomen, en die een hoop gedupeerden meezeult, zoals ooit de barones een gedupeerde was. Koop een goede rode stylo, zodat u de rode lijn kan volgen en een goede bril want ik heb het niet eens over de dadaïsten gehad, kan u even nagaan, dat zou mij bijgod uw lesje kunstgeschiedenis besparen.

      • Christel VdM zegt:

        Goedemorgen, meneer Fend, wat heb ik uw lieftallige woorden gemist. Als ik zo graag een rode stylo zou bovenhalen, dan had ik meteen het foutje in de titel van deze column gecorrigeerd. Het is Duchamp en niet Duchamps. Al heeft Johan Sanctorum eerst een andere titel gezet. Maar, u hebt gelijk. U had over de conceptuele kunst en niet over de dadaïstische kunst. Maar ik had in mijn commentaar over Duchamp en Fabre als charlatans, die andermans ideeën stelen en met de eer zijn gaan lopen. Ik vind Fabre nog altijd om te kotsen, ja. Ik ben hem al eens tegengekomen in het park toen hij aan het joggen was. Als ik nu eens een fluitje had zoals in het sprookjesverhaal van Grimm – de rattenvanger van Hamelen – zou ik alle katten in de buurt lokken en hen met de dwergspitsmuisklootjes (de eer is aan de geniale Marc Schoeters ;-)) van de charlatan Fabre laten spelen.

  2. Marc Schoeters zegt:

    De verborgen – zeg maar vrouwelijke – kant van de moderne kunstgeschiedenis moet nog geschreven worden. Aan de Dada-beweging namen veel vrouwen deel. Zo maakte de kunstenares Hannah Höch in 1920 de fotocollage “Schnitt mit dem Küchenmesser Dada durch die letzte weimarer Bierbauchkulturepoche Deutschlands” – vrij vertaald: snee met het keukenmes Dada door de laatste bierbuikcultuurperiode van Weimar-Duitsland. Deze fotocollage is even iconisch als het urinoir van Duchamp. Hannah Höch was biseksueel en haatte de patriarchale oorlogscultuur. De beschaving is in handen van mannetjes die stijf in het gelid staan maar alleen schieten om te doden – niet om nieuw leven te verwekken. De Eerste Wereldoorlog was het grote failliet van deze erectiecultuur. Dada betekent in het Frans “hobbelpaard”. De vroegere dekhengstcultuur – met saters als Rodin en Gauguin – wordt vervangen door de cultuur van het hobbelpaardje. Dit heeft geen zizi meer en schommelt alleen nog maar wat op en neer. Wat heeft een gezonde vrouw daaraan? Het urinoir van Duchamp heeft dus een heel andere boodschap dan Johan Sanctorum laat uitschijnen. Het is geen “lege baarmoeder” – geen symbool van vrouwelijk hysterisch nihilisme – maar een teken van mannelijke onmacht. Het stijf in het gelid staand mannetje wordt een slap plassertje. De zizi doet alleen nog maar pipi. En dat impotente plasgedoe brengt ons opnieuw bij Marcel Duchamp. Die behoorde vanaf 1911 tot de kunstenaarsgroep van Puteaux – genoemd naar de gemeente ten westen van Parijs. Puteaux zou men letterlijk kunnen vertalen als “wateren (“eaux”) van de hoer (“pute”). Toeval? Nee hoor. De Puteaux-groep noemde zich ook La Sectio d’Or. En dat laatste betekent Gulden Snede. Nu valt alles op zijn plaats. De mannetjes van Dada waren onmachtige hobbelpaardjes die hun zizi nog alleen uit hun broek haalden voor het urinoir. Ze waren afgunstig op het sterke vrouwelijke geslacht – dat zij net als de katholieke kerk indeelden in ofwel een urinepoel van de aardse hoer (“Puteaux) ofwel een Gulden Snede (“Section d’Or”) van de hemelse maagd. En heel deze impotente vertoning van mannelijke dwergspitsmuisklootjes wordt gesymboliseerd door het urinoir. De man staat voor een urinoir weliswaar pal rechtop – maar zijn geslacht hangt lullig naar beneden en moet zelfs ondersteund worden. Er komt alleen maar slappe thee uit – geen levenskrachtige kiemen voor een nieuwe cultuur. De vrouwen van Dada hadden dat heel scherp door. Ze hadden al die bierbuiken het liefst doen leeglopen met een krachtige snee van het ultieme keukenmes: hun eigen geile gulden snee. Maar de onmachtige mannetjes hebben het pleit uiteindelijk – net als altijd – gewonnen. In tegenstelling tot hun mannelijke collega’s zijn de meeste Dada-kunstenaressen gestorven in bittere armoede en bijna totaal vergeten. Ziezo. Zizizo. Nu ga ik in mijn toilet verder zeiken.

    • Francis Aerden zegt:

      Schitterend !

    • Christel VdM zegt:

      Love it! Hoe je met de woorden speelt, fantastisch gewoon! Qua verbeelding en humor overtref je hier Johan Sanctorum met zijn grijsgedraaide ‘Was will das Weib’ plaat. :-*

  3. Tonton d'Amérique zegt:

    REINHEIT VERPFLICHTET! Mocht je aanbeland zijn bij de urinoirs, denk ook eens aan degenen die ze moeten reinigen! Als je zo nodig moet gaan sproeien, neem ’n dweil voor ’t knoeien!
    Tip voor de uitbater : vergeet als hulp bij meer gericht plassen het stickertje van de vlieg niet (bij een model van urinoir zonder vlieg)!
    Maak van plassen bij je thuis een kunst : https://www.toiletsticker.com/?gclid=CjwKCAjwjZjZBRAZEiwAPeLSK_pB72rDXVlBBZP8B9IWaLb2T_VozV_MR7TqDqqnl3ah3C8dAQQwoxoCZucQAvD_BwE

  4. Fend zegt:

    “De hele dekhengstcultuur – met saters als Rodin en Gauguin – …” … hebben ook heel wat gedupeerden meegezeuld. De visionaire en geniale Camille Claudel, wie na dertig jaar zeer uitzonderlijke creativiteit, als verdienste nog eens dertig jaar heeft mogen brommen in een gesloten instelling, sans pitié Rodin. Sans pitié Gauguin wie een briljante vernieuwer bedacht op onherroepelijke ineenstorting. .

    • Christel VdM zegt:

      Ben hier mee eens dat Camille Claudel het beter verdiende. Inderdaad een schande dat ze haar laatste dertig levensjaren moest doorbrengen in een psychiatrisch instelling. Het was niet Rodin maar haar broer Paul Claudel en haar moeder die haar lieten opsluiten. De broer schreef zelfs in zijn dagboek het niet aan vrouwen is om geniaal te zijn. Haar vader stond echter wel achter haar kunstenaarschap en steunde haar volop, helaas stierf hij in 1913. Hoewel Rodin wel goed wist dat ze talentvol was, maar ja het ego van de man – vooral de mannelijke kunstenaar – is steeds groter dan de liefde en erkenning voor zijn muze.

    • Marc Schoeters zegt:

      Meneer Fend. Why so offended? U hebt blijkbaar ook een rood potlood(je). Ik heb Rodin en Gauguin als saters natuurlijk niet willekeurig gekozen. Ik hou wat kunstenaars betreft noch van dekhengsten noch van hobbelpaardjes. Een creatieve amateurfilosoof is namelijk niet voor één gat te vangen.

      • Fend zegt:

        De zeer christelijke dichter Paul Claudel had er alle belang bij om de schande van de familie buiten het gezichtsveld van zijn ambities te houden, maar zelfs toen hij een kasteel bezat dacht hij er nog niet aan zijn zus daar bij die gekken weg te halen. Net voor zijn dood heeft hij één keer zijn spijt daarover betuigd. Ja, die moeder, daar spreken we niet eens over hé.
        Maar dat is niet het onderwerp nietwaar ! Waar is mijn rood potloodje? Ach, hier, ik heb het gevonden ! Er bestaat een goede kunsthistorische studie over alles wat Rodin , nu al meer dan een eeuw zo u wilt, ontleende aan Claudel, en dat is heel wat. Maar er is uiteraard wat anders aan de hand geweest dan ontleningen. Rodin was uiteindelijk maar een vertaler in de materie van wat de impressionistische schilders hadden bedacht terwijl Claudel het veel verder is gaan zoeken met een immens lef. Haar genialiteit was een doorn in zijn oog, maak u geen illusies. Haar genialiteit is het geweest die hem dwong haar te onderwerpen in de pose van muze (wat ze oorspronkelijk niet eens begreep) maar met de “Clotho” begreep ze wel dat ze die rol beter beleefd afsloeg.
        En daarmee bevalt een andere zin me ook maar zeer matig: “…is steeds groter dan de liefde en erkenning voor zijn muze”. Komt nogal zwak over, fatalistisch in zekere zin, ook niet erg feministisch. U brengt Rodin onder bij de mannelijke kunstenaars, dat is uw recht uiteraard, wiens ego groter is dan de liefde en erkenning voor zijn muze en daarmee brengt u Claudel onder bij de muzen, dat is ook uw goed recht natuurlijk, de muzen die nadat zij het ego van de man hebben opgeblonken, voorwaar kunnen rekenen op liefde en erkenning . Wat nobel zeg. Maar is dat nu net het probleem ! Claudel zocht geen erkenning als muze ! … een doordenkertje… Al een rode stylo gekocht ?

      • Fend zegt:

        Offensief? Neen, Meneer Schoeters , zo zou ik dat niet omschrijven. Omtrent Rodin kwam er al in voorgaande mijn reactie. Ik had wel begrepen waar u naartoe wilde, maar u vermeldde Rodin en Gauguin zonder verwijzing naar het onderwerp: cherchez la femme, meer bepaald de gedupeerde vrouw. Gauiguin valt daar niet onder ! Vandaar benoem ik in mijn eerste reactie aan u de naam niet van… Van Gogh…

      • Christel VdM zegt:

        Een schone broer, hé, die Paul Claudel. Dat hij zijn katholieke reputatie en zijn literaire ambities hoger achtte dan het geluk van zijn zus. Maar goed, Rodin was in feite geen haar beter. Ik bedoelde eigenlijk de erkenning -van het kunstenaarschap – voor Camille, die degelijk wel dé inspiratiebron was voor de oudere beeldhouwer. Hun passionele (en voor Camille helaas destructieve) relatie heeft een aantal schitterende sculpturen opgebracht. Denk maar aan Le baiser en Danaïde. En dit beeld zegt al zoveel over hun amoureuze liaision: http://www.musee-rodin.fr/en/collections/sculptures/age-maturity-or-destiny-or-path-life-or-fatality.

      • Marc Schoeters zegt:

        Wat Gau(i)guin als sater betreft, Meneer Fend, vraag het eens aan de vrouwen in zijn leven. Mette Sophie Gad – die hij vijf kinderen gaf of Paou’óura – die hij syfilis schonk. Of tellen alleen mannelijke slachtoffers?

      • Fend zegt:

        U heeft daarin absoluut gelijk, daarbij was Gauguin op de grens van pedofiel, maar hij was nu eenmaal naar eigen zeggen een groot kunstenaar wat inhield dat hem alles gepermitteerd was.
        Ik bedoelde dat in dit stukje ‘cherchez la femme’, de leidraad de gedupeerde kunstenares is en dat dit zowat algemeen werd doorgetrokken, ook in uw eerste reactie. De houding van Gauguin tegenover vrouwen mag dan al ver van gezond zijn geweest, maar, naar mijn weten, heeft hij geen kunstenaressen creatief uitgebuit.

      • Fend zegt:

        Jamaar, je kunt niet willen van iemand waarmee je een verhouding hebt dat zij jouw muze is, en gelijktijdig weigeren muze te zijn voor je geliefde , enfin, dat is ziekelijk.

        Maar inderdaad, Paul Claudel en Rodin waren geen haar beter, dat is waar. Zo stooft Paul Claudel het klaar om via zijn zus Camille, Rodin te overtuigen een introductiebrief te schrijven voor zijn eerste belangrijke post op een ministerie én hij doet het, natuurlijk doet hij het, terwijl hij weet hoe de vijandigheden broeden in dat nest Claudel. Je moet ook niet vergeten dat Paul Claudel zich al van in den beginne tegen dat ‘concubine-gedoe’ had gekeerd, Rodin was daarvan op de hoogte gebracht door Camille Claudelle, en toch schrijft hij die aanbevelingsbrief. Tja. Het kan dan ook niet erg verwonderen dat hij zijn zus dertig jaar laat wegrotten en dat Rodin geen poot uitsteekt om haar daaruit te krijgen (hij zou een wederdienst hebben kunnen gevraagd aan Claudel, maar neen).

        Rodin heeft wel mooie dingen gemaakt, dat zal ik niet ontkennen, maar hij was geen uitvinder, geen vernieuwer, dat was Camille Claudel wél.

      • Christel VdM zegt:

        Volkomen mee eens. Het was geen gezonde relatie en zoals ik al eerder schreef, het ego van de kunstenaar is immens groot, dat hij geen ruimte laat voor de ander. Rodin, Gauguin, Picasso, Duchamp en vele anderen. Hoeveel levens zij niet hebben verwoest. Jammer voor de vrouw / geliefde.
        En ik vond het heel mooi hoe u opkomt voor de vrouwelijke kunstenaars :-).

  5. Fend zegt:

    Ik ben het helemaal niet eens met uw opvatting dat het ego van kunstenaars groot is. Dat is een complete veralgemening. U zou evengoed kunnen zeggen dat alle apothekers geldwolven zijn. Er zijn er evenveel kunstenaars met een ontzettend klein ego.

    Er vallen vaak, op de één of de andere manier, bij het creatieve proces, doden.

    U begrijpt me verkeerd, ik kom niet op voor vrouwelijke kunstenaars, ik kom op voor een bepaald type kunstenaar.

    • Christel VdM zegt:

      Alright. U hebt weer gelijk. U komt eerder op voor miskende artiesten, die in uw ogen vernieuwend of geniaal zijn. Maar hoeveel vrouwelijke kunstenaars zijn de afgelopen eeuwen wél erkend?

  6. Fend zegt:

    Het is iets heel specifieks dat mij bezighoudt, niet noodzakelijk de miskende artiesten, maar dat zou te ver leiden.

    Het is een understatement dat veel vrouwelijke kunstenaars afgelopen eeuw niet erkend werden, velen werden tout court genegeerd of erger nog misschien, op hoge leeftijd erkend, waaraan ze dan niet veel meer hebben en het dan ook vaak niet meer willen omdat het dan vissen achter de netten is geworden, wanneer een ander met de pluimen is gaan lopen plagieer je dan in zekere zin, jezelf, in de publieke opinie.

    Ook nu is de zaak nog niet bepleit. Als het puntje bij het paaltje komt, worden in deze eeuw slechts 15 % van de grote museale exposities gewijd aan vrouwelijke kunstenaars, terwijl hoog opgeleide vrouwen zoals advocaten en artsen toch aan 50% komen of zelfs hoger scoren dan hun mannelijke collega’s. En dan kan je in gedachte nemen dat van die 15 % er een hoop vrouwen kansen krijgen door politiek correcte invalshoeken die niet noodzakelijk artistieke criteria zijn, waardoor ons beeld op de precieze toestand troebel blijft. Enfin, het weerspiegeld alvast onze tijd.

    • Christel VdM zegt:

      Bent u soms actief in de kunstwereld? Het is inderdaad zo dat vrouwelijke kunstenaars hedendaags meer aandacht krijgen in musea, ook al is dat meestal vanuit de politiek-correcte invalshoek. Maar toch zijn er interessante solo-exposities van kunstenaressen, van wie ik anders nog nooit eerder heb gezien. Hoewel ik absoluut geen fan ben van het SMAK, ben ik drie jaar geleden naar Gent geweest voor de expositie van Berlinde De Bruyckere. Puur uit nieuwsgierigheid. Haar misvormde wassen beelden en verstrengelde paardenlichamen, de installaties met kreupelhout. Die beelden bleven wel hangen. Door de manier waarop ze de paarden etaleerde, had ik al het vermoeden dat ze opgegroeid was in een beenhouwerij (en inderdaad, haar vader was slager). Veel mensen vonden haar sculpturen macaber. Maar we zijn eigenlijk allemaal vlees. Wezens van vlees en bloed. Maar ze toont ook de kwetsbaarheid van de mens en het dier. Het lijden.
      Er is ook een boeiende reportage van De Bruyckere in haar atelier over haar werk en het creatieve proces. https://www.youtube.com/watch?time_continue=1745&v=ZotDGJONHJM
      En onlangs was er ook een kleurrijke retrospectieve van Anne-Mie Van Kerckhoven in het MHKA (die heb ik echter niet gezien). Ze lag steeds in de clinch met Jan Hoet, die haar een sneer gaf : ‘vrouwen moeten geen kunstenaar zijn, die moeten kinderen kopen’. Hoet, de mislukte artiest, die Fabre en Delvoye naar de kroon stak.

      In het MAS te Antwerpen loopt er tegenwoordig een grote expo van Michaelina Wautier, die dankzij de kunsthistorica Katlijne Van der Stighelen vanonder het dikke stof wordt gehaald. De schilderijen van Wautier werden vroeger meermaals aan een mannelijke kunstenaar toegeschreven, alsof men niet wou geloven dat een vrouw -in de zeventiende eeuw – dergelijke kunstwerken kon maken. Voor mijn part mogen ze dus nog meer van zulke ontdekkingen doen.

      En inderdaad, wat hoog opgeleide vrouwen betreft, in de medische wereld is hun aanwezigheid sterk toegenomen. Zeker bij de apothekers. Ik had zelf drie mannelijke stagemeesters en toen ik pas begon te werken, was ik derde apothekeres naast vier mannelijke collega’s. En nu zijn we met twaalf vrouwen en slechts één man…Bij de anesthesisten is de man-vrouwverhouding ongeveer gelijk. En in musea zijn de meeste gidsen én bezoekers vrouwen. Waar zijn de mannen gebleven? Die zoeken hun toevlucht in de digitale wereld en in cafés. Want “wijven moeten niet zoveel complimenten maken”, zeker.

Reacties zijn gesloten.