De koers gaat door, behalve voor één: over de korte lijn tussen emo en cynisme

Goolaerts
Een dezer dagen wordt Michael Goolaerts begraven, de jonge renner die zich letterlijk dood reed op de kasseistroken van Parijs-Roubaix afgelopen zondag. Het gebeuren heeft veel weerklank gehad, er waren vele betuigingen van rouw en medeleven vanuit het wielermilieu en daarbuiten. Dat is goed, het geeft misschien wat troost, vooral voor de nabestaanden en zijn geliefde. Daarnaast zijn er ook een paar ongemakkelijke waarheden die uit dit drama opdampen en die op een blog als deze niet onvermeld mogen blijven.

De emotionaliteit verhult namelijk ook een zekere onverschilligheid die al in de koers zelf bleek: geen renner die afstapt, zelfs geen volgwagen die stopt, ze reden bijna over hem heen want “het leven gaat door”, zo klonk het na afloop. Dat is natuurlijk waar, en na enige aarzeling besloot de wedstrijdorganisatie ook om de koers gewoon verder te zetten, u begrijpt, dat is een hele machine die je niet zomaar afblaast, er zijn zoveel toeschouwers komen opdagen, er is de televisie, de slotceremonie, en patati en patata. Had het nu nog Sagan geweest, maar Goolaerts, met alle respect, wie had daar al van gehoord vóór deze Parijs Roubaix?
Soit, de hulpdiensten waren snel ter plaatse om de weg schoon te maken, en Michael bleek na de autopsie wel degelijk gestorven aan een hartfalen. Oef!, hoor ik de organisatoren zuchten, want als de kasseien het hadden gedaan, waren er natuurlijk misschien wél –excusez le mot- koppen gerold. Ook oef! bij de ploegdirectie want de renner had nog maar pas een medische screening ondergaan die niet wees op een probleem. Oef! bij iedereen dat men er niets kon aan doen, gewoon brute pech, en dan ondertekenen we met z’n allen het rouwregister.

Een Australiër in de prikkeldraad: koers kan schoon zijn
Omwille van deze lichte vorm van hypocrisie is het voor een halve buitenstaander bijna amusant –ik weet het, dit woord is misplaatst- om de massale blijken van medeleven ook te lezen als excuses en gladstrijken van plooitjes, want één feit staat als een paal boven water: Michael Goolaerts is gestorven op zijn fiets als een ridder op zijn paard, in de oorlog om, ja, om wat? Om het kermisgebeuren annex reclamestoet die koers heet, de televisie die plaatjes wil schieten, de supporters en TV-kijkers die beslijkte coureurs willen zien zweten en afzien op die onberijdbare wegels in het Noord-Franse hellegat, de ploegen en hun sponsors die vooral hun naam in beeld willen zien komen en dat met de chronometer opvolgen, enzovoort. Of hoe kort de lijn wel is tussen emo en cynisme.
In de achtergrond van zo’n koers gebeurt overigens heel wat om de ambiance te verhogen. Zo kwam de Australiër Mitch Docker (wie?) met zijn volle lijf in de prikkeldraad terecht en brulde het uit van de pijn. Goed voor vijf seconden publiciteit, de pers maakte er zich zelfs vrolijk over (Auwtch!)

Wat als…?
Moeten we ons nu schuldig voelen om de dood van Michael Goolaerts? Zijn we allemaal ergens aasgieren? Ach, dat is de hamvraag natuurlijk. Onder het motto “de een zijn dood is de andere zijn brood” ontwikkelde die goeie ouwe Sigmund Freud al de stelling dat rouw een manier is om verdrongen schuldgevoelens te verwerken. Hoe meer emo, tranen en rouwretoriek (“tragisch”, “dramatisch”, “groot verlies” het was toch zo’n sympathieke jongen…), hoe meer vermoedens daaronder gisten over ons aandeel in de zaak. In de eerste plaats uiteraard voor de nabestaanden. Ik kan me voorstellen dat de ouders van Michael Goolaerts, die zo gedreven achter zijn rennerscarrière stonden, op dit moment in hun binnenste denken: wat als…? Zoals de ouders van de vijftienjarige knaap die men op een parking vond en van het dak bleek gesprongen, vermoedelijk ook met vreselijke vragen zitten. Dubbel is het lijden na zo’n zelfmoord: één keer om het verlies, één keer om de schuldvraag “had ik iets kunnen doen om dit niet te laten gebeuren?”
In een breder perspectief, net omdat alles met alles verband houdt en het leven en de dood zo met elkaar vervlochten zijn, is de schuld universeel. Niet moreel, laat staan juridisch, maar metafysisch, net, bizar genoeg, omwille van die universele, “zachte” causaliteit die maakt dat mensen elkaar beïnvloeden, we elkaar dingen laten doen vanuit een eigen agenda, tot de dood daar een einde aan maakt. Simpel: ook naar de koers kijken doe je niet vrijblijvend. Het is ondoenbaar om continu met deze schuldenlast te leven, en de volkswijsheid zegt dat je toch “van iets moet dood gaan”. Dat klopt helemaal,- alleen bij zo’n publieke, gemediatiseerde dood is het gepast om de keerzijde van het verhaal publiek te belichten. Bij deze.

Nog dit: vorig jaar vielen er in ons land 620 verkeersdoden, waarvan de helft jonger dan 25. Dat zijn cijfers waarachter drama’s schuilgaan, gebroken levens, maar het is ook de prijs die we willen betalen om vrolijk individueel te snorren op de overvolle wegen, en af en toe toch eens diep te gaan. Komaan, 620, dat valt nog mee, alleen vingers gekruist dat ons eigen kind er nooit bij zal zijn. Mochten er één, twee, drie nullen achter dat getal staan, dan zouden we misschien eens in ons haar krabben en een zondebok aanwijzen. Maar nu is de betrokken minister in volle euforie omdat het er geen 700 zijn. Ook hier kan enig collectief schuldinzicht nuttig zijn, al was het maar preventief om nu net die ene dode te vermijden. Met dank aan Michael Goolaerts, door wiens val een hoop jonge vrouwen aan hun lief zullen vragen of Parijs-Roubaix rijden wel zo gezond is.

Ziezo, op deze vrijdag de 13de kan dit volstaan als autopsie. Tot morgen, bij leven en welzijn.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .