Dit “lelijke” land, en waarom ik er nog altijd zot van ben

Bij deze hulde aan Bert Vanwynsberghe uit Marke, een gat in La Flandre Profonde tussen Wevelgem en Kortrijk, wiens tuinhuis-met-hertgewei tot zijn verbijstering werd opgenomen in de cataloog van de Belgische lelijkheid, genaamd Ugly Belgian Houses. Bert vindt het triest en voelt zich gepakt omwille van de term “gedrocht” op de Facebookpagina die de auteur van dat boek, Hannes Coudenys, PR-agent en social media-expert bij het Creative Lab van de VRT, erop nahoudt.

Maar wat is lelijk? Wat betekent het als zo’n reclamejongen iets “lelijk” vindt? En hoe verhoudt lelijkheid zich tot authenticiteit? Waarom koesteren we onze koterij in de achtertuin, ondanks de mening van Vlaams bouwmeester en architect-professor Leo Van Broeck? En waarom gaf ik ooit een medescholier een toek op zijn bakkes omdat hij mijn moeder een lelijk kreng noemde? Precies.
Dit om maar te zeggen dat het “gedrocht” van Bert Vanwynsberghe op de juiste plaats staat, namelijk in zijn achtertuin, en dat het als een geuzentitel moet beschouwd worden. In feite is dit helemaal geen Belgian Ugly House maar een stuk Vlaamse volkskunst met een schat aan referenties, die zelfs verwijzen naar het Lam Gods (1432) van de gebroeders Van Eyck, meerbepaald het middenpaneel met het offerlam op het schrijn, maar dat weet Hannes Coudenys, de semi-analfabetische samensteller van de cataloog der lelijkheid, natuurlijk niet.
In het Westvlaams zijn hert en hart namelijk gelijkklinkend (“èrte”), en heeft dat gewei niets te maken met herten (die in deze streek niet voorkomen), maar is het een verwijzing naar het (bloedend) hart van het mystiek Lam, dat op zijn beurt dan weer staat voor een verhaal van lijden, opoffering en verlossing.
Freud, en in zijn spoor Derrida, wezen op het belang van de verbale dubbelzinnigheid die al in het onderbewuste oprijst, als een creatief spel van de taal zelf. Zo ontstaan versprekingen en daaruit putten wij woordspelingen. Zo wil een Westvlaming, die droomt dat hij zijn poetsvrouw met dienstencheques betaalt, eigenlijk met haar in de koffer (“cheques” wordt uitgesproken als seks). Maar is dat “gewei” ook niet een beetje een echo van de antenne, zoals die “oerlelijke” TV-antennes die alle Vlaamse daken ooit sierden? Of twee handen die zich uitstrekken naar de hemel? Of is het een boom bovenop het huis, waardoor dat huis een ondergrond wordt, een geheimzinnige kelder die al onze dromen en angsten herbergt? Natuurlijk wel. Alles wat u erin ziet, zit er ook in, dat is het wonder van kunst, dat het ons allemaal tot kunstenaars maakt.
Op die manier echter vormt de hilarische keet van de Vlaamse primitief uit Marke een betekenisvolle, zinnige tekst, die “schoonheid” bezit en uitstraalt. Als ik die foto bekijk, moet ik glimlachen, nadenken, dromen, en er iets over schrijven. Ik zou er verliefd op kunnen worden. Echter, het feit dat Bert Vanwynsberghe “maar” een huisschilder is, die in zijn vrije tijd wat rommelt, is het beslissend criterium voor Coudenys om iets ‘ugly’ en onnozel te vinden. Aan de andere kant wordt een snobby jetset-artiest als Arne Quinze vast gerekend tot de interessante, boeiende, controversiële artiesten, waarvan de rode plastic rotsen op de Oostendse Zeedijk ons van bewondering omver moeten doen vallen. Een grote naam en een dito factuur helpen ook om alles serieus te nemen: als Zaha Hadid een glazen schip op een gebouw zet, dan heet dat grote architectuur,- als Bert Vanwynsberghe een gewei op zijn tuinhuis plant, is het lachwekkend.
Daar heb ik grote moeite mee. De ondraaglijke lichtheid die me overwaait bij het gehannes van Coudenys (zie youtube-interview), die werkelijk niets te vertellen heeft, ook niet over zijn uitlachboek, doet vermoeden dat mensen die iets “lelijk” vinden vooral innerlijke schoonheid missen, om het maar eens filosofisch te stellen. Op geen enkel moment doet de schoonheidsspecialist een poging om in een verhaal te kruipen, het blijft lacherige gimmick tegenover de domme Vlaming/Belg en zijn non-architectuur.
De reclamemaker, die leeft van netwerken en public relations, staat perplex tegenover een beeld dat niets verkoopt, zelfs de maker niet, maar puur verwijst naar identiteit en herinnering, zoals we de plek koesteren en nooit meer vergeten waar we ons eerste lief kusten.
Creative Lab, my ass, leve de Vlaamse koterij en de bizarre superstructuren. Dit lelijke land, en waarom ik er nog altijd zot van ben. Nog even en ik ga liederen zingen, hou me tegen.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

4 reacties op Dit “lelijke” land, en waarom ik er nog altijd zot van ben

  1. Pingback: Cultuur en cultuurprogramma’s: zolang Chantal er maar plezier aan beleeft | Acta Sanctorum

  2. Thomas Cato zegt:

    Wel opmerkelijk dat die Coudenys blijkbaar toestemming van de architecten nodig had voor de foto’s in zijn boek. Hij vroeg het ook aan de bewoners, maar dat moest eigenlijk niet, wettelijk telde alleen die van de architect. Want die heeft copyright. Echt, dat intellectueel eigendomsrecht is compleet doorgeschoten.

  3. Hans Becu zegt:

    Waarom ik vind dat JS een tien keer beter cultuurfilosoof dan een politiek analyse wordt hier perfect geillustreerd. Zo denken ze er in het nva-HQ overigens ook over hoor Johan.

  4. Greta Troubleyn zegt:

    Een gewei wordt jaarlijks vervangen, we hebben slechts één hart of hert een zeer significant verschil!.

    Gluren bij de buren – een bliksemafleider – (hopen) voordelig elektriciteit af te tappen.
    Een klimladder met rustig zitje en uitzicht nu er zijn wel heel wat andere gedrochten aan koten in België te vinden.

    Het “Lam Gods” is wel van de gebroeders Van Eyck (Limburgers dus West-Vlaming!).
    Vlaamse primitieven een groot onrecht, want minstens even goed of misschien zelfs beter dan de latere renaissance toppers als Titiaan of Giorgione?

    Hedendaagse Limburgse kunstenaar Kasper Bosmans (Lommel) eentje om in het oog te houden.
    Zijn reeks “Vocabulary” (momenteel in Hallen Haarlem) me kunnen beroeren. Een reeks met verschillende wiskundige en lettermatige doordenkers en zoekertjes naast de visueel, cijfer- en lettermatige knipogen. Eerst Evelyn Taocheng Wang als blikvanger op 1 geplaatst,maar na diepere bestudering en tellen van de symbolen e.d., waar ik bij 3 van de 4 (het vijfde niet gefotografeerd, dus mis een deel ) op het getal 11 uitkom en bij, wat voor mij het meest aansprak het getal 10 uitkom (perfectie), maar er kunnen fouten of onvolledige zichten en visies inzitten? Kasper duidelijk op 1 en er valt nog veel meer te ontdekken. De doorhalingen in de letters van zijn naam en DeCOrative VOCabulary duidelijke boodschap. De S’en in zijn naam dollartekens, Co & VOC Verenigde Oostindische Compagnie spreken voor zich lijkt me? Zeker naast de tentoonstelling van Taocheng Wang waar de doorstreepte letters bij de kunstwerken, nog niet allemaal volledig duidelijk zijn. De G kan voor geld staan, maar de afzonderlijke C een raadsel, tenzij het voor China staat?

Reacties zijn gesloten.