“Plateforme”: de ingebedde journalist als nieuw toeristisch archetype

vranckxNa mijn kritische column gisteren omtrent de uitbreiding van Airport Brussels, kreeg ik zwaar weerwerk en vervolgens een financiële tegemoetkoming vanwege de luchtvaartlobby én een grote touroperator. Vandaar een nieuwe, mildere visie op het reizen en meerbepaald het intercontinentale toerisme.
Want ja, mede door de toenemende onveiligheid op deze planeet staat de toeristische sector onder druk. Waar nog onbezorgd chillen tenzij thuis, en dan nog. Maar wat zoeken wij eigenlijk op vakantie? Niet alleen rust en genot, maar ook onrust, ongemak, zelfs ontbering: de reiziger wil lijden, want de mens is gemaakt om te lijden en kan niet zonder. Zelfs als alles naar wens verloopt schelden we op de kleur van de ondertassen. Ongenoegen is een zichzelf vullende blaas in het menselijk brein.
Zo is het concept van de avontuurlijke vakantie ontstaan,- niet enkel met je gat in de zon liggen maar ook flink verbranden, niet enkel lekker tafelen maar ook een voedselvergiftiging oplopen. En nu begint mijn analyse van de postmoderne homo turisticus: in de schaduw van de 19de eeuwse ontdekkingsreiziger en de 20ste eeuwse TV-reisgids genre David Attenborough, komt de 21ste eeuwse belevingsreiziger. Hij wil niet alleen beleven, kicks meemaken, maar ook met een verhaal naar huis komen, en dat liefst in real time delen via Facebook. Daarom is het tegenwoordig aanschuiven nabij de Mount Everest. De nieuwe toerist is dus meteen ook journalist/reporter, en omgekeerd is de verslaggever-ter-plaatse een toerist. VRT-reporter Rudi Vranckx speelt die rol met verve. Wat bewonder ik die man, met zijn narratieve kracht, zijn levendig relaas waarin het individueel afzien versmelt met de geur van het avontuur.

De actieve toerist
Een volgende laag komt daarboven op: de reizende mens wil niet alleen beleven en delen, maar ook participeren. Hij wil niet louter een decor consumeren maar in het sociale landschap iets betekenen en als betrokken actor zelfs geschiedenis maken. Een extreem prototype ervan is de oorlogsvrijwilliger, de vroegere Oostfrontstrijder of de actuele Syriëstrijder bijvoorbeeld. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het bij de Jihadi’s om toeristische migraties van zich vervelende jongelui gaat, op zoek naar een bestaansreden. Hier ligt beslist een terrein braak voor alternatieve reisbureau’s. Jejoen Bontinck verenigt zo de lijdende toerist met de belever, de verslaggever (Dag Allemaal!) én de activist. Hij kwam van een kale kermis thuis, wat in zijn geval een geslaagde vakantie was.
Soms overweeg ik ook wel eens om mee te vechten als aan de actie deelnemende toerist, bijvoorbeeld met de Palestijnen wegens mijn gedoodverfd antisemitisme, of met de Koerden omdat ik Erdogan niet kan uitstaan. Of met de Vlamingen tegen de Fransen, rond 11 juli. Maar het is niet simpel, het commerciële aanbod ontbreekt alsnog, en ondergronds gaan om zo’n excursie-met-meerwaarde te versieren,- ik ben er te lui voor. We heten niet allemaal Rudi Vranckx, de man die verslaat én meestrijdt met de goeden, de bewogen reporter die tussen twee loopgraven in de nobele kunst van de weldenkendheid blijft beoefenen.

Humaan reizen
Dan levert het profiel van de ontwikkelingshelper toch meer mogelijkheden voor de activistische reiziger: de man/vrouw die het exotische opzoekt met een humanitaire missie. Nu al bieden alternatieve touroperators goede-doel-reizen aan in miserabele negorijen, waar u vooral de handen uit de mouwen moet steken. Of moeten we eerder spreken van een humanitair alibi? Want onder de filantropie zitten allerlei meer egoïstische behoeften, zoals (weerom) drang naar avontuur, etaleren van neokoloniaal superioriteitsgevoel, tot en met regelrechte exploitatie in het seksueel register. Momenteel bieden vooral vluchtelingeneilanden zoals Lesbos mogelijkheden voor de humane toerist.
In zijn roman Plateforme” (2001) toont Michel Houellebecq hoe de seksvakantie in Thailand fysieke bevrediging bezorgt, maar tegelijk een filantropisch gevoel dat de lokale bevolking er beter van wordt. De sekstoerist als belever en ontwikkelingshelper, dat is volgens Houellebecq de toekomst, en neem maar meteen de journalistieke missie ook terug mee want we blijven foto’s nemen, in elk standje, het thuisfront blijft geïnformeerd.
Andermaal verschijnt Rudi Vranckx hier ten tonele, de geëngageerde reiziger/verslaggever die aan inlevingsjournalistiek doet, graag de lokale medemens empathisch benadert, ermee gaat eten en slapen, en misschien nog veel meer, wat de term ingebedde journalistiek terug tot zijn grondbetekenis voert. Moraal, lustprincipe, avonturisme en journalistieke ernst strijden hier om de voorrang, waarbij de vraag zich opdringt of Rudi nu moet vergoed worden voor die reizen, dan wel zelf zou moeten betalen vanwege die aangeboden belevenissen.
En zo komen de contouren van het postmoderne toerisme van deze en komende eeuwen tevoorschijn: de geëngageerde meerwaardezoeker die wil afzien, genieten en delen. De NGO als reisbureau, de veralgemeende burgerjournalistiek als leverancier van talloze via de sociale media gedeelde documentaires, de activist/vrijwilliger als summum van sociaal ingebed reizen. Met het sekstoerisme als absoluut model, en het vermoeden dat de vliegende reporter, op weg naar oorlogsgebied en zich bewust van de risico’s, naast een kogelvrij vest een pakje condooms in zijn valies heeft zitten.
Jaloers ben ik op Rudi, uit jaloezie is deze tekst geschreven, maar jaloezie is een krachtige emotie die veel losmaakt. Een nieuwe reiskoorts kondigt zich aan, in het zog van de vliegende reporter, complete migraties zijn in de maak op een planeet die steeds maar unheimischer wordt. Neen, we zijn nog niet thuis, ingebed betekent ook uitgebed.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .