Paraskevidekatriafobie: zoek het dier in het woord

zwarte katVandaag vrijdag de 13de, een prachtige lentedag maar niettemin een zogenaamde ongeluksdag, die het ongelofelijk mooie woord paraskevidekatriafobie heeft opgeleverd: de angst om op deze dag ook maar iets te doen, een voet te verzetten, zich buiten te wagen wegens risico op calamiteiten. Terwijl iedereen weet dat de meeste ongelukken zich statistisch gezien binnenshuis afspelen.
Het woord paraskevidekatriafobie op zich is een vorm van exorcisme, een magische bezweringsformule, en dus eigenlijk ook weer een vorm van bijgeloof. Het feit dat wij woorden gebruiken om dingen aan te duiden, en op een of andere manier ook dat ding oproepen: bijgeloof. Het feit dat premier Michel in Zaventem de leuze ‘Brussels is back in business’ liet aanbrengen, in de veronderstelling dat die woorden op zich ook wel iets zouden teweeg brengen: bijgeloof.
Afgezien van het arbitrair karakter van het woord ‘bij-geloof’ (alsof er ook ‘echt geloof’ bestaat, en naar Lourdes reizen om van dat priapisme af te raken, géén bijgeloof is) denk ik dat 99% van ons doen en laten, inclusief de taal, nog altijd op die magische premissen berust. Ook de zogenaamde wetenschappelijk-rationele kijk op de wereld. We moeten ons in dat opzicht niet teveel op de borst kloppen en altoos over ‘Verlichting’ praten, alsof de 18de eeuw ons definitief heeft verlost van het primitieve denken. Ons reptielenbrein is echt niet in staat om iets anders te geloven dan wat het gelooft. Wishfull thinking dus.
In die zin is het (bij)geloof in vrijdag de 13de wezenlijk niet verschillend van de relativiteitstheorie. Ik weet dat ik nu weer mensen kwaad maak met die boutade, maar Einstein, zelf een (bij)gelovig man, besefte met heel zijn gevoel voor humor en (zelf)relativiteit dat de wereld van de dingen, de natuur dus, en de wereld van de menselijke psyche twee verschillende werelden zijn. Dus zuigen we verhalen uit onze duim, heel de tijd.
Dé filosoof die deze verpletterende waarheid naar voor bracht, was een tijdgenoot van Einstein, namelijk Ludwig Wittgenstein, van wie we allemaal het citaat kennen: ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’.
Paraskevidekatriafobie dus. Ik weet niet wat het is, maar ik geef het een naam, dan betekent het tenminste iets voor mij. Meer kunnen wij niet doen. Het feit dat wij onze vijanden verwensen en onze geliefden koosnamen geven, ‘smoutebolleke’ of wat dan ook, toont aan dat we de ene weg willen toveren en de andere oproepen. Taal is niet neutraal, nooit geweest, het is een wilde verzameling toverspreuken die soms, een beetje, of niet werken, maar die tenminste onze sprakeloosheid temperen. Want dat is echte angst: sprakeloosheid.
En zo wordt vrijdag de 13de zowaar een geluksdag, ‘elk nadeel heb zijn voordeel’ zei Cruyff: door erover te praten en te schrijven wordt het bijgeloof wetenschap en komt de zwarte kat genoeglijk spinnen aan mijn benen. Ook voor haar is het uiteindelijk vrijdag de 13de, en u wil niet weten wat mensen vroeger allemaal met katten deden om het ongeluk van zich af te schudden.
Zo dadelijk begint dan het Feest van de Vurige Tongen, het Pinksterwonder dat ik niet als bijgeloof mag bestempelen omdat het katholicisme in België een erkende godsdienst is. Persoonlijk kan ik als alcoholist en kattenliefhebber niets anders zijn dan katholicist, en onderga dus met veel vreugde de weldoende kracht van de Heilige Geest die me woorden zoals deze uit de mond neemt.
En die me mijn favoriete poes laat verwennen.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

7 reacties op Paraskevidekatriafobie: zoek het dier in het woord

  1. P. Eggermont zegt:

    De term paraskevidekatriafobie is gebaseerd op de Griekse woorden paraskevi (‘vrijdag’) en dekatria (‘dertien’) met – fobie als achtervoegsel om ‘vrees’ aan te geven. De term werd voor het eerst gebruikt in de vroege jaren negentig door Dr. Donald E. Dossey, een Amerikaanse psychotherapeut gespecialiseerd in fobieën en stress management, die naar verluidt beweerde dat diegenen die in staat waren het woord uit te spreken toen werden genezen.
    Op MacMillian Dictionary leest men ook dat een gerelateerde term triskaidekafobie is, van het Grieks tris (‘drie’), kai (‘en’), en deka (‘tien’), die werd bedacht in de vroege twintigste eeuw om algemeen te verwijzen naar de angst voor het getal dertien, maar ook vaak werd geassocieerd met angst voor vrijdag de 13e. Dit woord vormt nog de basis voor een lexicale variant, nl. Friggatriskaidekaphobia, wat ook ‘angst voor vrijdag de 13de’ beteken . Het voorvoegsel Frigga is gebaseerd op de naam van een oude Scandinavische godin die werd geassocieerd met hekserij en vrijdag (de heksensabbat).
    “De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld” ?
    Men leert slechts om te filosoferen, maar men wordt nooit filosoof. Dit vanuit het verlangen naar iets wat men niet kent, wat men niet kan kennen, wat men niet kan vatten. Dat ligt allemaal besloten in het woord filosoof… Het houdt daarbij niet op bij taal in strikte zin. Nietzsche zou eens hebben uitgedrukt dat ons schrijfgerei, meewerkt met onze gedachten, terwijl hijzelf één van de eerste schrijfmachines bezat. Vandaag worden de grenzen van onze wereld gevormd door computers verbonden via het internet met tal van gearchiveerde vindplaatsen…

    • greetje zegt:

      Bedankt voor deze uitleg, maar enigszins merkwaardig dat men een woord naar het Grieks vormt terwijl daar net een “dinsdag” de 13e als ongeluksdag voor bijgeloof telt?

      Trouwens lijkt me heel die heisa historisch voornamelijk opgefokt te zijn begin jaren 1900 door ene Thomas Lawson met zijn boek “Friday the thirteen”. Daarvoor was er weinig of geen sprake van….algemeen bijgeloof in allerlei vormen wel en blijkbaar dus overal op zeer verschillende wijzen geïnterpreteerd. Heb je op zo’n, dag pech, wordt het enkel uitvergroot en zet je brein het zelf in gang een volgende keer… Placebo’s, placebo’s…

  2. Marc Schoeters zegt:

    Ik ben – zoals de titel van het artikel vraagt – in het woord “paraskevidekatriafobie” prompt op zoek gegaan naar de naam van het dier. En ik vond het bijna direct: ara! Groot was dan ook mijn verbazing toen ik vaststelde dat deze mooie papegaai verder in het artikel nergens maar dan ook nergens ter sprake komt!

  3. P. Eggermont zegt:

    In de filosofie heeft men het soms over immanentie. Volgens van Dale, het nieuw handwoordenboek der Nederlandse taal – bij mij echter niet zo nieuw meer – betekent immanentie inwonen, met als voorbeeld de immanentie van God in de wereld. Het bijvoeglijk naamwoord van dit zelfstandig naamwoord, ‘immanent’, staat voor inwonend, innerlijk bijblijvend (het tegenovergestelde van transcendent) met als voorbeeld een immanente oorzaak of het immanent gebruik der rede, met als bijkomende verklaring : dat zich houdt binnen de grenzen van de ervaring. In de Indische filosofie heeft men twee visies op de ‘theory of causation’ : de satkaryavada als de ‘pre-existence of the effect in the cause’ en de asatkaryavada als de ‘non-existence of the effect in the cause’. Volgens de eerste visie is dan karya (‘the effect’) aanwezig in een potentiële vorm in de karana (‘the cause’), nog voor het zich manifesteert. Dit even terzijde. Men zou kunnen stellen dat taal een begrensde ervaring is (De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld. Wittgenstein). Neem het voorbeeld van het woord Pinksteren met als achterliggende betekenis het feest van de Heilige Geest. Wat is de Heilige Geest? De Heilige Geest is tout court de geest, meer bepaald bij de eerste christenen onmiddellijk na de verrijzenis van Christus. In het Engels ‘Pentecost’, het Frans ‘Pentecôte’ en in het Duits vertaald als ‘Pfingsten’. De aanhef van het woord is de verschillende talen identiek d.m.v. de consonant p, een zogenaamde plofklank (van het woord ‘ontploffen’). Taal is iets dat wordt uitgestoten met een auditieve ervaring bij de toehoorder als gevolg. Het medium bestaat uit luchttrillingen, veroorzaakt door tussenkomst van het menselijk spraakorgaan (mondholte, tong) – kan ook dat van een dier zijn-. Aan het uitbrengen van de consonant p gaat een lichte compressie van lucht vooraf (afsluiten keel, neus en mond met spiercontracties ter hoogte van het middenrif). In het Duitse woord ‘Pfingsten’ wordt de ‘p’- consonant onmiddellijk gevolgd door de’ f’-consonant, een zogenaamde wrijfklank, wat resulteert in een versterkend effect – denk aan het geluid bij een plotse lekke band! -. In het woord ‘psyche’ is dit ook het geval, met hier de ‘s’-consonant i.p.v. de ‘f’-consonant, met een sisklank als gevolg – en zoek hier nu niks Freudiaans achter! – . De ‘p’- consonant is vergelijkbaar met de ‘b’-consonant. Let op de schrijfwijze, meer bepaald de morfologische overeenkomst. Er bevindt zich een omringd gebied, afgesloten, dat in het handschrift echter open is, waar dan nog een lijnstukje is aan toegevoegd met een welbepaalde richting (horizontaal) met de zin vooruit. Het paaltje, het verticale lijnstukje, aan de geschreven consonant komt me voor als een grens. Het verschil tussen beide consonanten is dat het ‘buikje’ van de letter ‘b’ zich bij ‘p’ bovenaan bevindt, in overeenstemming met de ietwat hogere tonaliteit, wat verwijst naar iets dat zich hoger bevindt, in elk geval minder vanuit de onderbuik. Als je na deze beschouwingen nadenkt over het woord Pinksteren, ook wel afgekort als Pinkster, zie je een aantal immanente evidenties. Het hele woord is a.h.w. vervat in de aanhef ervan, het moet enkel nog zo uitgesproken worden… Het heeft te maken met iets dat verdicht wordt, een gas of een damp, een adem, wat een metafoor is voor de geest. Denk maar aan de etymologische betekenis van geestrijke dranken, dranken ontstaan na distillatie (door overschrijding van de dampspanning na temperatuurwijziging ontstaat het ‘geestrijke’ gedeelte) of aan de uitdrukking ‘de geest geven’, met een allusie op het uitstoten van zijn laatste adem (Maer ziel en leven was vervloghen met den aessem – Joost Van den Vondel). Wat verdicht is, de geest, wordt uitgelaten waarbij een lichamelijke grens tussen wat buiten en binnen is, wordt overschreden. Het betreft hier een beweging van binnen naar buiten het lichaam en vice versa, de transmissie van een welbepaalde geestesgesteldheid met een beoogd effect. Denk maar aan alle woorden die met het voorvoegsel ‘be’ (versterkte stemhebbende ‘b’-consonant) aanvangen : betogen, bekoren, belichamen, beloven, besturen, betoveren, beweren, bewieroken, bewijzen, bevragen, bewoorden, bewonderen, bezweren, …

  4. P. Eggermont zegt:

    De christenen in de Oudheid werden aanvankelijk beschouwd als een Joodse sekte. In de Handelingen (na de Evangeliën in het Nieuwe Testament) wordt verhaald hoe de eerste christenen leefden tussen de dood van Christus en de aankomst van Paulus in Rome. De Joodse leiders bleven de eerste christenen vijandig gezind. Zo werd Stefanus (eerste martelaar van het christendom) gevangen genomen en gestenigd. De eerste christenen bleven serieus vervolgd door de Romeinse overheid, o.m. ten tijde van de keizers Nero (64-68) en Domitianus (81-96). Dit alles moet toch heel wat paranoia bij de eerste christenen teweeg gebracht hebben?! Naar het schijnt zouden de catacomben niet gediend hebben om er in onder te duiken, maar eerder als ondergrondse begraafplaats ten dienste van de nog jonge christelijke geloofsgemeenschap. Ook vindt men er vele muurschilderingen. Wat vaak voorkomt is de afbeelding van Christus als de Goede Herder. Pas vanaf de vierde en vijfde eeuw wordt Christus er afgebeeld als een man met baard en lange haren. Voordien werd hij weergegeven als een jonge man, met korte haren en zonder baard! http://jongerlo.org/geloofsvorming/archief_geloof/geloofsvorming_geloof_catacombe_christus.htm
    De glossolalie, vermeld bij de eerste christenen – het ‘spreken in tongen’ – , die in de kerk van de eerste eeuwen na Christus nog veel voorkwam, duikt veel later terug op bij Anno O., patiënte van Josef Breuer, die door hypnose werd behandeld voor neurose. Zo sprak ze vreemde talen die ze nooit geleerd had. Josef Breuer werkte samen met Sigmund Freud, grondlegger van de psychoanalyse…

  5. P. Eggermont zegt:

    Men kan denigrerend doen over het Feest van de Vurige Tongen, het Pinksterwonder en stellen dat het allemaal bijgeloof is, zodoende de draak steken met spiritualiteit, de geestelijke kant van het leven. Dan moet men wel eens uitleggen hoe Yogi Prahlad Jani, de man van meer dan 70 jaar in het YouTube-filmpje, die van zijn hele leven schier nog niks gegeten of gedronken heeft, het klaar speelt om in leven te blijven. De hindoe wordt in Indië vereerd als een heilig man!

    • greetje zegt:

      Zelf noem ik dit bepaald geen “leven”…
      Een pasklare verklaring is er niet te geven, daarvoor dient zijn lichaam veel grondiger wetenschappelijk onderzocht te worden en speelt ethiek een rol en Indische tradities?
      Wat hier toegepast werd is enkel enkele vaststellingen, maar niet naar oorzaken hoe zijn lichaam wel functioneert?

      Een groot deel van de bevolking in india leeft in armoede, en daarmee gepaard gaan honger. Wij eten teveel en kunnen met aanzienlijk veel minder overleven.
      Het lijkt me ook niet onwaarschijnlijk en onmogelijk dat over verschillende generaties heen en door beïnvloeding denkkracht en overtuiging hij zijn metabolisme heeft kunnen veranderen en voedsel uit de omgeving (atmosfeer) via huid opneemt en afgeeft?

      De huid wordt nog steeds miskend als het grootste orgaan van ons lichaam, aandacht is door de tijd heen voornamelijk aan onze andere organen besteed.
      Voorlopig lijkt me dit het meest waarschijnlijke hij voeding en uitstoot via dit orgaan geregeld kan krijgen. Wat leeft er allemaal op die huid aan bacteriën e.a. dat meewerkt aan dit proces? Als wij het te warm hebben zweten we en zullen we ook minder urineren, maar geven die afvalstoffen via de huid af.

      Met de tijd zal er wel een logische verklaring kunnen gegeven worden aan dit aparte fenomeen. Zelf hou ik het voorlopig op “de huid” als grootste orgaan hier ander functies overgenomen heeft in samenwerking met omgevingsbacteriën die zijn lichaam voeden en reinigen?

Reacties zijn gesloten.