Het recht op vergankelijkheid: de ontmaagde maagd van Borremans moet niet zo pruilen.

Enige tijd geleden bezong ik de schoonheid van een leeg, beslapen bed: gekreukte, half verfrommelde lakens die het voorbije samenzijn van twee mensen suggereren, ingedeukte kussens, hier en daar een plek. Maar de schoonheid zit ook in het efemere: dra komt iemand dat bed opmaken en is het weer een leeg canvas, wachtend op het volgende meesterwerk.

Ik denk ook aan afgeveegde tekenborden, krijttekeningen op de stoep, graancirkels: wie heeft ooit het waanidee verzonnen dat kunst eeuwig moet zijn? En welke angst verbergt die conservatiedrang in een wereld waar alles snel verandert en vervluchtigt?

In dezelfde zin heb ik onlangs betoogd dat de restauratie van de oud-Syrische stad Palmyra vooral een propagandashow van Poetin en Assad uitmaakt, en dat we nooit mogen vergeten dat de hoop stenen die er al duizenden jaren liggen, misschien wel gewoon voorbestemd zijn om te vergaan, zoals alles vergaat, ook de cultuur die deze architectuur voortbracht. De IS-barbarij mag ons niet doen vluchten in museaal fetisjisme rond een zogenaamd ‘werelderfgoed’, terwijl ons onderwijs de geschiedenislessen zo goed als afgeschaft heeft.

Voor de rest is alles eindig: deze facebookpagina, uw en mijn bestaan, die van de aarde, het zonnestelsel, het heelal. Waarom ontzeggen wij dan aan bepaalde objecten het recht om te vergaan?

Er zijn al een pak verhalen in omloop van poetsvrouwen die in een museum per ongeluk een modern kunstwerk ‘opruimen’, in de veronderstelling dat het rommel was. Ik hou van poetsvrouwen, net omdat ze heel die conservatiedrang te kakken zetten. Ze zijn de mestkevers van het museum, ze ruimen op, breken af, en maken net daardoor plaats voor dingen die we voorheen niet zagen. Het was ook onderhoudspersoneel dat in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, in feite een ruïne met een lekkend dak, emmers in de zalen plaatste waardoor er bij regenweer druppelmuziek klonk die de plek ont-musealiseerde tot een ode aan de natuur, het leven, de metamorfose.

Een gruwel voor reguliere kunstliefhebbers, maar misschien een uitweg uit onze verstarde kijk op het universum waar terreur en angst voor het einde helemaal de toon zet en ons waarnemingsvermogen versmalt.

Nog een poetsanekdote

Borremans

Een paar weken terug werd het Gentse openluchtkunstwerk ‘De Maagd’ van Michaël Borremans getroffen door een klodder duivenpoep. Een symbool dat kan tellen: vredesduiven, in deze tijd, kakkende op werk van een van onze grootste Vlaamse levende schilders. Zelf zou ik dit als kunstenaar als een waardevolle toevoeging gezien hebben, maar niet zo Borremans, die een dadelijke poetsbeurt eiste en kreeg. Had hij dit maar niet gedaan. Want de stadswerkman die met de klus was belast, verwijderde niet alleen netjes de duivenpoep maar ook de verfstrepen die Borremans naast het schilderij had aangebracht, bij wijze van extra signatuur. Groot misbaar, de kunstenaar eiste nu een ‘grondige restauratie’ van het ontmaagde werk, in casu een herstelde veeg ernaast. Neen, hij wou dat niet zelf doen: professionele restaurateurs moesten die klus klaren die… feestelijk bedankten, er zijn grenzen, zelfs voor een icoon als Borremans. Tactvol lieten ze de kunstenaar weten dat niemand die ‘spontane’ vegen zou kunnen herstellen.

Er is dus een voor en na, ontdek de verschillen. En zo is er toch iets veranderd, ondanks de verwijderde duivenpoep, en dat is goed. Er bestaat zoiets als recht op vergankelijkheid, voor iedereen, maar ook voor kunstwerken. Soms is restaureren ronduit pervers.

De wegwerpmaatschappij en de obsessie voor onvergankelijkheid houden elkaar in evenwicht. We kunnen niet leven, en daarom ook niet sterven. Op de wegwerpmaatschapij steunt heel onze economie, de eeuwigheidsobsessie maakt deel uit van een quasi-uitgebluste cultuur zonder vitaliteit. Ik weiger ze allebei. Er kunnen maar dingen ontstaan als er ook vergaan. Traag, gestaag, op het ritme van de natuur.

De EU, België,- ze hebben hun houdbaarheidsdatum bereikt of al overschreden, dat voel je zo. Het restauratiewerk en de mummificatie zijn nutteloos en zelfs levensbedreigend voor wie na ons komt. Ook onze Westerse cultuur en Verlichtingsideologie is op sterven na dood, tenzij ze zichzelf kan heruitvinden (een van mijn perspectieven als filosoof), maar ook dan zal ze niet meer zijn wat ze was. Recyclage en metamorfose zijn natuurlijke recepten die ook het menselijk universum kenmerken. De ontmaagde maagd van Borremans moet niet zo pruilen: laat haar moeder worden van een dochter en dan, discreet, van het toneel verdwijnen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

2 reacties op Het recht op vergankelijkheid: de ontmaagde maagd van Borremans moet niet zo pruilen.

  1. Marc Schoeters zegt:

    In 1982 had Joseph Beuys (1921-1986) – de halfgod van de toenmalige kunstavant-garde – in een hoek van een zaal van de Staatlichen Kunstakademie in Düsseldorf een klomp van vijf kilo vette boter gelegd – de zogenaamde “Fettecke” (Vethoek). Een jaar na de dood van de zelfverklaarde “sjamaan” hebben poetsvrouwen het inmiddels stinkende zooitje netjes in een grote afvalemmer gedeponeerd en weggegooid. De Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen werd daarop veroordeeld tot uitbetaling van een schadevergoeding van 40000 Duitse marken aan een zekere Johannes Stüttgen – een “Meisterschüler” van de overleden kunstenaar.

    Zo gaat dat bij de “vrije” Meesters van de avant-garde. Ze plempen in naam van hun “vrijheid” de leefomgeving van anderen vol stinkend vet, rottend en wankel hout, al of niet ingeblikte drollen, roestende containers en gekraste kraaienpoten. Maar wee een arme poetsvrouw (m/v) als die zich ook eens lekker laat gaan.

    Maar geen nood. In navolging van al die andere avant-gardecharlatans moet de stadswerkman die de verfstrepen van Borremans heeft verwijderd nu gewoon een dossier indienen bij het ministerie van cultuur om met terugwerkende kracht zijn daad als een “artistieke performance” te kwalificeren en daarvoor een vette subsidie op te strijken. Er zijn “kunstenaars” die met minder op hun palmares een mooie carrière zijn begonnen.

    Avant-garde: dat zijn de mensen die alleen vandaag niet van gisteren zijn.

  2. Greta Troubleyn zegt:

    Poets wederom poets

Reacties zijn gesloten.