Privacy-manie en DNA-fobie: niets zo mooi als een beslapen bed

Gisteren berichtte ik over een conflict tussen een Leuvense professor wetenschapsfilosofie en zijn assistente, waarbij me zelfs kwalijk werd genomen dat ik hun namen voluit publiceerde. Ik doe het nogmaals: Jan Heylen en Mona Simion, niet om het te stigmatiseren, maar integendeel, om hen als spelers in een sterk verhaal te honoreren, onverwisselbaar en uniek. Achtereenvolgens had ik het over de academische krabbenmand, het statuut van zoiets raars als ‘wetenschapsfilosofie’, en tenslotte het element passie. Want ja, om een doctoraatsstudente echt, letterlijk bij de haren te rukken en tegen de muur te duwen, daar is toch hartstocht mee gemoeid, en waar hartstocht speelt, ruik ik waarheid.

Ongetwijfeld zal professor Heylen dus een spoor hebben achtergelaten op zijn assistente, en wellicht zelfs vice versa. Omdat elke daad nu eenmaal een afdruk nalaat, dat is de essentie van het forensisch onderzoek. Er is ‘iets’ gebeurd, en dat ‘iets’ wil zich manifesteren als waarheid. Niet zomaar in woorden, maar ook materieel, concreet.

Dat is een interessante link met het existentialisme, de visie op de mens als gesticulerend wezen tussen geboorte en dood. Wat doen u en ik op deze plek, deze tijd, in dit universum? Waarom staan we elke morgen toch weer op, om steeds weer dezelfde steen naar boven te rollen? Waarom maken we ons niet eenvoudigweg van kant?

Leven, identiteit, diaspora

Het antwoord zit in het DNA: een spoor nalaten, dat is wat we allemaal willen, het is de kwintessens van onze passie. Het DNA zelf gebiedt het ons, jaagt ons ’s avonds het bed in en ‘s morgens er weer uit: leef, beweeg, reis, op de manier van op te lossen, stukjes te verliezen, beetje bij beetje te sterven, en zo te overleven, onsterfelijk te worden.

Alles wat zich verder nog “cultuur” noemt, is maar een schaduw van dat proces. Vergeet Shakespeare of Beethoven: er blijft steeds iets plakken van ons, we zijn allemaal forensen met een materiële nalatenschap. In alles wat u en ik doen, elke beweging, elke ademstoot, elke flatus, lossen we erfelijk materiaal dat eeuwig blijft zwerven en beschikbaar blijft voor lectuur, reconstructie.

Men zou elk leven zo kunnen herlezen tot diaspora-traject: op elke plek waar we gestaan, gezeten, gevochten, geslapen, gevreeën, gegeten, gekust, gespuugd hebben, of jawel, eventueel ook gemoord,… ligt onze materiële afdruk, onze biologische handtekening waarmee we de ruimte signeren. Geen gezever, geen geblaat, geen gehuichel, het is wat het is. Er is de wens tot intimiteit en er is de fataliteit van de betrapping, die misschien wel uitgelokt wordt door de ‘daders’ in kwestie.

De DNA-biologie is in dat opzicht misschien wel de belangrijkste ontdekking van de laatste 500 jaar. Het is a.h.w. de concrete bevestiging dat onze aanwezigheid hier en nu nooit zinloos, onopgemerkt is. Het is de grondslag van onze echte identiteit. Een sporadische, “verliezende”, oplossende identiteit, die reist en evolueert, maar toch steeds zichzelf blijft.

In dat opzicht moet ik de privacy-fanaten enigszins terechtwijzen, ook nu weer, n.a.v. het voorstel om een nationale databank van vingerafdrukken op te richten. Natuurlijk is Jan Jambon een rechtse zak die vooral de controlestaat wil uitbouwen, en dan nog geïnspireerd op het model van de (godbetert) Marokkaanse schijndemocratie.

Maar de onmetelijke, complexe schoonheid van de DNA-molecule, in zoveel versies als er ooit levende wezens op deze planeet bestonden, bestaan en zullen bestaan, staat ver boven die snuffelzucht van Big Brother. Intrinsiek heb ik er geen problemen mee dat mijn vingerafdrukken zich bevinden op de tas waaruit ik koffie drink, op de persoon die ik heb aangeraakt, en dat mijn DNA zich in het bed bevindt dat ik heb beslapen: het is zo gebeurd en het moest zo zijn. Mijn DNA mag dus overal gevonden worden, en als ik schuldig ben, ben ik schuldig. Ik verheug me op die eindelijke, simpele waarheid, die ons van elke leugendwang of hypocrisie ontlast.

Het existentiële verlangen om sporen na te laten is veel intenser dan de strategische behoefte om ze te wissen, anders werden er veel minder misdaden opgelost. Onbewust willen we dus ook dat ze gevonden worden, en ach, als ik Jan Jambon gelukkig kan maken met zijn uitgebreide verzameling vingerafdrukken, haren en spermavlekjes, waarom niet.

Niets zo mooi als een leeg, beslapen bed, met gekreukte lakens en lichte sporen van de daad. Zoiets wil je haast niet opruimen.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

3 reacties op Privacy-manie en DNA-fobie: niets zo mooi als een beslapen bed

  1. bertie zegt:

    Aan de hand van vingerafdrukken en DNA-profielen kan de overheid voortaan vaststellen wie welke stenen heeft verlegd in de rivier. Voetstoots geeft de elektronische chip op de identiteitskaart het exacte tijdstip prijs.
    We evolueren logischerwijs naar een misdaadloze maatschappij, maar mijn zesde zintuig waarschuwt me dat ik de dingen te helder zie.

  2. lucdevincke zegt:

    “…de visie op de mens als gesticulerend wezen…”. Bedoelt ie soms “testiculerend” wezen?

  3. Jan Braeken zegt:

    Volgens mij is de mythe van het DNA dringend aan ontmaskering toe. Het DNA is de zoveelste marketingstrategie die, zoals alle marketing, gebaseerd is op een leugen. Ik meen bijvoorbeeld te weten dat er honderden miljarden cellen met DNA zijn in slechts één menselijke lichaam, en dat die cellen zich onophoudelijk delen en evolueren. Hoe kan men in zulk een eindeloze, veranderende evolutie ‘wetenschappelijk’ beweren dat de volledige ‘ontrafeling’ van één DNA-streng van één nog niet gedeelde cel, (dus van een op dat moment statische, onveranderlijke cel), absoluut representatief zou zijn voor álle zich onophoudelijk delende en evoluerende cellen met DNA-strengen van alle mensen op onze planeet, met andere woorden ontelbare, oneindig veranderende DNA-strengen ? De statistische relevantie, en bijgevolg de wetenschappelijke bewijskracht van die éne, gefixeerde en statisch gedecodeerde DNA-streng kan ikzelf alleen maar omschrijven als nul, of beter min oneindig. Hoe kan men in hemelsnaam algemeen geldende, veralgemenende uitspraken doen over het DNA, en over wat men er tegenwoordig ook allemaal aan koppelt, – tegenwoordig is alles DNA, en iedereen schijnt er blind in te geloven -, als die éne zogenaamd ‘volledige gedecodeerde’ DNA-streng (laten het ondertussen misschien wat meer zijn) een paar seconden later al veranderd was indien men haar niet had geanalyseerd ? Dat noem ik belachelijk. Dat is belachelijke wetenschap.

Reacties zijn gesloten.