Het gevecht tussen Rubens en de emmers: de poetsvrouw als dea-ex-machina

lekEen paar dagen geleden durfde ik nog de muurplug benoemen als de essentie van de schilderijententoonstelling, maar nu is deze weerom overtroffen dankzij de overvloedige regenval.
In het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel (waar dus ook Brueghels ‘Strijd tussen Carnaval en Vasten’ hangt, toeval bestaat niet) zijn namelijk emmers opgedoken om het water op te vangen dat via een lekkend dak naar binnen sijpelt.
Voor u schande spreekt over deze mismeestering van ons artistiek patrimonium: kunst bevindt zich soms op onverwachte plekken, en het is de pop-art die ons dat bijbracht.
Kan een pissijn (Marcel Duchamp) of een mosselpot (Marcel Broodthaers) als kunst beschouwd worden, dan geldt dat nog veel meer voor een dozijn goed geplaatste emmers die, behalve het visuele aspect, ook een klankspel opleveren van heerlijk tikkende regendruppels. En ik zeg het dit keer zonder zweem van ironie.

De vraag wanneer een emmer een doorweeks gebruiksobject is, en wanneer kunst, is een foute vraagstelling die eigen is aan de museumcultuur zelf. Ooit veegde een poetsvrouw in het Zuid-Italiaanse Bari ‘per abuis’een kunstwerk bijeen, bestaande uit kartonnen dozen en oude kranten. Geraamde schade: 10.000 euro.
Zoiets gebeurt regelmatig, en zo’n grensverleggende kunstenaar moet eigenlijk niet komen klagen: als hij banale voorwerpen tot kunst wil verheffen, op zich een nobele onderneming, moet hij ook accepteren dat iemand –in casu een poetsvrouw-, ze opnieuw desublimeert en prijsgeeft aan de dagelijkse realiteit, zijnde die van de vuilbak. Waarmee de floor manager het afsluitend onderdeel wordt van de performance.
Maar tegelijk, andersom, kan die poetsemmer ineens poëzie opleveren, en dat is in Brussel het geval. Er ontstaat nu, gelijk aan de strijd tussen Vasten en Carnaval, een spanning tussen de ‘klassieke’ meesterwerken van Rubens en Jordaens, en de toevallige nieuwkomers. Deze zijn per definitie tijdelijk, maar net dat accentueert hun belang in het verhaal. Alleen kinderen durven onbeschaamd toegeven dat de tikkende emmers hen meer intrigeren dan de Rubensen. Maar ondertussen blijven de gidsen met de vinger naar boven wijzen en de reguliere collectie parafraseren. Geeuw.
De steriele Hollandse hospitaalinterieurs waarin kunst wordt geëtaleerd maakt die vervreemding totaal. Iets zegt me dat lekkende daken, bloedvlekken op het doek, putten in de weg en gebarsten ruitjes, niet zomaar accidenten zijn, maar ons ook terug kunnen brengen naar een realiteit die ons ontglipt. Cultuur die dat niet doet, maar integendeel verder het opbod van de waan opdrijft, maakt ons bijziend en dat is politiek dan weer handig.

Waarschuwing: laat die emmers daar vooral niet staan, voor iemand op het idee komt om het toch weer als ‘kunst’ te beschouwen met een bordje eronder. De poetsvrouw moet de ultieme, nachtelijke scheidsrechter van het museum blijven. Als een losgebroken Dulle Griet maakt ze kunst en vernietigt ze weerom. Jan Hoet kon het in zijn diepste nachtmerries niet vermoeden.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .