Charlie Hebdo, het monstersucces en het gevaar voor zelf-imitatie

CharlieCharlie Hebdo brengt deze week een ‘verjaardagsnummer’ uit: op 7 januari is het precies een jaar geleden dat moslimterroristen een raid op het redactielokaal in Parijs uitvoerden, met 12 doden als gevolg, maar ook een reusachtige steunbetoging waar alle groten der aarde present tekenden (inclusief een afvaardiging van het Saudische regime), én een wereldwijde ‘Je suis Charlie’-hype.
De oplagecijfers van Charlie Hebdo spreken voor zich. Vóór de aanslag bedroeg die hooguit 30.000 exemplaren en kon je het blad hier maar in een paar Brusselse winkels vinden. De week erna verlieten 7,5 miljoen Charlies de drukkerij en ontstond er een ware jacht op dit collector’s item. Vandaag bedraagt de oplage, abonnementen inbegrepen, nog steeds zo’n 300.000, het tienvoudige dus van voor de aanslag.
Voor de kas is dat een zegen. Net daardoor was het al ruzie in ’t kot omdat de redacteurs een graantje willen meepikken van de gestegen winst. Op dit ogenblik is 70 procent van de aandelen in handen van hoofdredacteur Laurent Sourisseau. Financieel directeur Éric Portheault heeft de resterende 30 procent in bezit. Zij zijn de grote winnaars van de Charlie-hype. Maar overal waar geld te verdelen valt, kunnen gezworen vrienden vijanden worden…
Officieel eerbetoon
Een grotere bedreiging nog is de lijn van het blad zelf. Succes is een enorme valkuil. Men gaat onwillekeurig de inhoud en de toon aanhouden die het goed doet. Was Charlie tien jaar geleden een anti-establishmentverschijnsel tout court, dan heeft het zich gaandeweg gespecialiseerd in het fanatieke antigodsdienstdiscours, met de islam uiteraard als grootste pispaal. Bij de eerste of de tweede keer sta je te juichen om zoveel lef, maar bij de tiende keer denk je: ‘Daar heb je ze weer’.
En dan doemt het grootst denkbare gevaar op dat een satirisch blad kan overkomen: een nauwelijks onderdrukt gevoel van verveling bij de fans van het eerste uur. Charlie is namelijk ontstaan uit het semi-ondergrondse Hara-Kiri, dat begin de jaren ’60 van vorige eeuw het licht zag, en altijd wel ergens een proces aan zijn been had. Charles de Gaulle haatte het blad, vandaar de naam van de opvolger van Hara-Kiri: Charlie, dat de lijn zou voortzetten. Links, rechts, het regime, de roden, de groenen, iedereen kreeg er om de beurt van langs.
Maar gaandeweg identificeerde het blad zich met de republikeinse moraal rond vrijheid en laïciteit –op zich lofwaardig-, waardoor het ook steeds dichter bij de retoriek van het regime ging aanleunen. Op 15 maart 2006 organiseerde het Franse Ministerie van Cultuur een speciale zitting waarop verschillende karikaturisten van Charlie Hebdo gefeliciteerd werden als ‘verdedigers van de persvrijheid en de democratie’. Tja. Ik zou me ongemakkelijk voelen bij zoveel officieel eerbetoon, maar wie ben ik.
En nu dus is er de verjaardagseditie, met god himself op de cover, een kalashnikov op de rug, en het onderschrift “1 an après, l’assassin court toujours”. Als het Humanistisch Verbond daarmee zou uitpakken, kon ik er nog eens mee lachen, maar nu: geeuw. Let er overigens op dat niet Mohammed geviseerd wordt zoals in de oude cartoons, maar een god-de-vader die evengoed de joodse of de christelijke kan zijn. Nog een beetje en deze Charlie wordt halal.
Ik heb te doen met dit blad, en hoopte heimelijk dat het terug zijn originele gedaante zou vinden van vies arm smaadschrift, met respect voor god noch gebod, door Jan en Alleman maar vooral door het gezag scheef bekeken. En vooral onweerstaanbaar schalks-grappig.
Voor de rest blijven hopen dat zoiets in Vlaanderen opduikt. Tegen beter weten in.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Charlie Hebdo, het monstersucces en het gevaar voor zelf-imitatie

  1. Jean-Paul Briers zegt:

    Wij hebben hier in Vlaanderen wel het vrij en vrank Pallieterke. De rest van de media catalogeer ik onder de gemeenschappelijke noemer ‘Lügenpresse’ of regimepers.

Reacties zijn gesloten.