Het Congo-museum van Leopold II, of het rariteitenkabinet van een zieke geest

In het Koninklijk Museum voor Midden Afrika, gelegen in Tervuren bij Brussel, zitten ze met de handen in het haar. Momenteel is het instituut dicht voor verbouwing. In 2017 wil men openen met een geheel vernieuwde tentoonstellingsvisie, waarbij de hamvraag blijft: hoe Leopold II portretteren, de man die het rond 1900 als ‘Musée du Congo’ neerpootte, in de voor hem en die tijd bombastische stijl?

Sinds elke Belg vertrouwd is met het verhaal van de afgehakte negerhandjes (volgens voorzichtige schattingen kwamen zo’n 5 miljoen Congolese inboorlingen om in het koloniaal privé-domein van Leopold, dat is dus van de orde van de Holocaust), is het onmogelijk om zonder sarcasme de bonte verzameling maskers, dieren, opgezet, gedroogd, of op formol, maar ook levensecht nagemaakte inboorlingen, te aanschouwen. Soms lijkt het meer op een rariteitenkabinet van een eenzame pervert dan een wetenschappelijke tentoonstelling.

Vorstelijke malaise

Deze status van trofeeënverzameling overschaduwt alle antropologische aspiraties en alibi’s die het Museum voor Midden-Afrika naar voor schuift. De collectie verwijst niet alleen naar de jager-veroveraar, maar ook naar zijn dynastieke status, in casu het Belgische koningsschap dat Leopold II ervoer als een minderwaardige, niet helemaal serieus genomen operette-aristocratie. Was België niet ontstaan als een compromis tussen Europese grootmachten? Had zijn vader, Leopold I, België niet aanvaard als troostprijs na een mislukte sollicitatie voor de Griekse troon? Was strikte neutraliteit niet de voorwaarde voor deze Belgische bufferstaat om zich überhaupt op de kaart te mogen zetten?

Anders gezegd: het Congo-avontuur van Leopold II was het uitvloeisel van een tomeloze frustratie bij een megalomane monarch zonder macht of reëel charisma. Het groteske toneelstuk van Hugo Claus ‘Het leven en de werken van Leopold II’ (1970) benadert eigenlijk nog het dichtst deze schizofrenie.

Binnenlands was de vorstelijke malaise al even groot: Leopold I en II haatten de democratie, die hen steeds meer in een protocollaire rol dwong. Het koningshuis, traditioneel francofoon, representeerde zich dan gaandeweg als de ‘brug tussen de gemeenschappen’, later zelfs als de brug tussen autochonen en allochtonen (zie de surrealistische poging van Boudewijn I om de Grote Moskee van Brussel te arabiseren en ‘uit vriendschap’ gewoon over te dragen aan de Saudische monarchie) -, maar niettemin blijft het Paleis van Laken de residentie van impotente, zich kapot vervelende monarchen. Jannen zonder Land die, horresco referens, steeds maar meer macht moesten afstaan en op den duur zelfs hun boekhouding moesten laten uitvlooien door parlementaire klerken die alsmaar aan hun dotaties knabbelden.

Het is van belang om deze frustratie, inherent aan het Belgische koningshuis, terug te koppelen naar de zieke geest van Leopold II, wiens megalomanie onder meer dat ‘Musée du Congo’ opleverde. Wat moet je nu met zo’n onding? Het als een protserig patriottistisch mausoleum opvoeren? Neen toch? De geschiedenis onder de mat vegen en vrolijk verder gedroogde insecten uitstallen? Toch de volle waarheid zeggen en tonen, over de manier hoe de opzichters huis hielden in die privé-kolonie Congo-Vrijstaat? Neen, dat kan de directie niet aan, want de volle waarheid gaat uiteindelijk ook over heel de perversiteit van dat koloniaal fantasme, de permanente existentiële crisis van de Coburgs, tot en met de moord op Patrice Lumumba onder goedkeuring van Boudewijn I, én uiteindelijk het absurde karakter van het Belgische construct zelf.

Het ‘Musée du Congo’ blijft, onder en achter de wetenschappelijke facade, het lugubere rariteitenkabinet van een maniak. Het crypto-sadistische horrorkarakter van de ‘verzameling’ zou door een durvende curator ook als dusdanig kunnen getoond worden, maar dan wordt het meer een meditatief-documentaire plek à la Auschwitz of de Dossin-kazerne.

Met sommige plekken, zoals het Dutroux-huis in Marcinelle, valt echt niks meer aan te vangen, ze zijn louter ballast voor het collectief geheugen, dus bulldozer erover. Misschien is dat ook wel een optie voor het Museum van Tervuren: afbreken en vers groen op de plek, de finale afrekening met een verleden waar u en ik toch heel weinig mee te maken hebben. Tenzij men kiest voor een tweede leven van het gebouw en het park: handschoenenmuseum, pretpark, fitness, concertzaal. Dàt is ook een statement.

Leopold II is niet van ons, en evenmin alles wat hij belichaamt: het Belgische koningshuis, de bufferstaat van 1830, het sukkelachtige land met zijn overspannen ambities.
Die vervreemding tonen,- overstijgt wellicht de grenzen van een federaal-gesubsidieerde ‘wetenschappelijke instelling’.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

2 reacties op Het Congo-museum van Leopold II, of het rariteitenkabinet van een zieke geest

  1. Greta Troubleyn zegt:

    Nu die kinderen die je hier opvoert stroken alvast niet met de werkelijkheid – ongeval met een krokodil of islamitische afstraffing voor diefstal of om hun kinderen te vrijwaren meegenomen te worden om te werken in de plantages, door eigen volk dus?
    Leopold & compagnie hadden geen voordeel om dit toe te passen, vermits ze werkers nodig hadden. Het afhakken van de handen oorspronkelijk van toepassing bij gedode mensen om als bewijs te dienen, ze ervoor een vergoeding kregen.
    De wreedheden bestonden reeds van daarvoor en NIET DOOR of althans NIET ALLES kan op kap van de kolonisten geschoven worden.
    DE ECHTE WAARHEID mag wel eens meer aan het licht komen NU….

  2. Alex Dirix zegt:

    Wie heeft deze tekst geschreven?

Reacties zijn gesloten.