Kriebels in de grenszone: op bezoek bij Onze-Lieve-Vrouw van Klein-Jeuk

JeukJeuk, deelgemeente van Gingelom, ligt in Haspengouw aan de Vlaamse kant van de taalgrens. Gisteren heb ik dit plekje bezocht, meerbepaald de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Klein-Jeuk, een intiem oord van meditatie.
Vlaams jawel, maar de naam van het dorp zelf heeft een Romaanse stam, namelijk ‘Goyer’, uit het Latijn ‘Gaudiacum’, afgeleid van  gaudium (‘vreugde, genot), dat we nog herkennen in het Franse joie en het Italiaanse gioia.

Meteen is dat ook de oorsprong van het woord jeuk, waarmee we een kriebeling aanduiden, een gevoel dat vraagt om te krabben. Dat is op het eerste zicht vreemd: waarom is er een taalkundige link tussen irritatie en genot? Wat is er zo vreugdevol aan Jeuk?
Neurologisch is het een uitgemaakte zaak: voor elke gewaarwording hebben wij een apart soort zenuwen. Er zijn genotszenuwen (vooral aanwezig in de erogene zones) en er zijn pijnzenuwen. Daartussen in liggen de jeukzenuwen. Zij zijn ambivalent: kriebels kunnen zowel hinderlijk als plezierig ervaren worden, dit laatste namelijk wanneer we ons beginnen te masseren. Ze liggen op een grenszone tussen pijn en lust, en dat opent enorme perspectieven: misschien kunnen we wel meer pijngevoel als kieteling herplaatsen, wat een aanzienlijke vooruitgang in levenskwaliteit zou betekenen, en alleszins een beter alternatief voor pijnstillers en antidepressiva.
Ik spreek dan nog niet over het krabben als maatschappelijk fenomeen: gezelligheid is begonnen als wederzijdse ‘scratch’-sessie tussen primaten met kriebels.

U begrijpt: de taalgrens waarop Jeuk ligt, omvat een etymologische schemerzone én een fysiologische ambiguïteit. Een oud Haspengouws spreekwoord zegt: ‘Het stoat geschreven en gedrukt, da ge moet krabben woa dat ’t jukt’. Dat is zo. Maar om het ontspannende gevoel van het krabben te bekomen, moet er ook eerst jeuk plaats vinden. De twee impliceren elkaar, en vormen een apart, eigenzinnig duo in de menselijke lustbeleving.
In de limiet wekt men de irritatie op, om hem aansluitend te kunnen blussen. Een cyclus van de zelfbevrediging die in hoger vernoemde kapel regelmatig bedreven wordt.
Ik gebruik het woord ‘blussen’, omdat ook pyromanen eerst het vuur aansteken om vervolgens mee te helpen met de blusoperatie: twee keer plezier. Freud wees al op de seksuele betekenis van de pyromanie, en het feit dat brandstichten en blussen zich verhouden als opwinding en orgasme.
Deze perversiteit ontstaat uit een autonomie van het libido, dat zich georganiseerd heeft tot spelverdeler in heel het gamma van gevoelens en prikkels. Zelfs de hevigste pijnen kunnen dan herlezen worden tot kriebels. Vrouwen die dat beheersen, kunnen tijdens de bevalling bijna een seksuele climax bereiken,-  iets waar Onze-Lieve-Vrouw van Klein-Jeuk zich op heeft toegelegd.

Waarom ik u dat allemaal vertel? Omdat die fameuze derde factor tussen pijn en genot, de jeukfactor, ook een sociale realiteit is. We bouwen spanningen op, we zoeken de irritatie, om hem te kunnen blussen. Vanuit dat perspectief zijn zelfs politieke vetes veel beter te begrijpen. In België is de taalgrens één grote jeukzone, maar de retoriek daar rond is op de duur helend en ontspannend. Het ontlaadt zich en herlaadt zich. België is één groot sado-masochistisch kabinet waar onlust en lust in elkaar overgaan. Als flamingant kan ik niet zonder België: waaraan zich anders irriteren?
Zelf ben ik een fervent ruziestoker, niet uit misantropie, maar net omdat conflicten verzoening met zich meebrengen. Ik irriteer, waardoor u kunt krabben. Alles wat ik aansteek probeer ik ook te doven, of roept andere pompiers op. Ik hoop hiermee veel misverstanden opgelost en brandjes geblust te hebben.
Tot in Jeuk, enkel op zondag.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .