Gent, zijn feesten, zijn pisgeur, zijn Belleman

Belleman2Speciaal ben ik uit vakantie terug gekomen om thuis te kunnen blijven van de Gentse Feesten, en toch nauwgezet de verslaggeving hierover te volgen. Grote nieuwigheid dit jaar: net nu het publieke sanitair voor hen in ruime mate aanwezig is, hebben ook vrouwen het wildplassen ontdekt. Nieuw verworven vrijheid? Of quasi-rebellie van brave burgertrutten?

Enige historiek is hierbij relevant. De allereerste Gentse Feesten werden gehouden in het hongerjaar 1843, op uitdrukkelijke aanvraag van de industriëlen, die het werkvolk liever één keer uit de bol zagen gaan, dan elk weekend, met het bijbehorende absenteïsme op maandag. Het moest maar eens uit zijn met de buurtfeestjes her en der: vanaf dan nog één keer een ‘Algemene Kermis’, ingeluid door de Belleman, symbool van gezag en orde.

Anders gezegd: ook al kun je er nu oesters eten en komt de nette middenklasse vanuit het ganse Vlaanderland zich hier een etmaal bezuipen, toch is deze stadskermis een overblijfsel van het brood-en-spelen-verhaal uit een donkere tijd van grote armoede.

Terecht keerde de Gentenaar de Feesten de rug toe na de 2de wereldoorlog, en ontdekte zijn eigen vrijetijdsproject, niet gepatroneerd door vorst en vaderland. Vrije tijd als niet-gealiëneerde bezigheid, een dagje naar de kust, een SM-club opstarten, een gedicht schrijven, of gewoon niets doen.

Een van hen was Walter De Buck, beeldhouwer, zanger en pornograaf, die in 1962 een clubje oprichtte, genaamd ‘Trefpunt’, waar een paar artistieke alternatievelingen elkaar vrij discreet konden ontmoeten. Het is de Stad Gent zelf die hem uit zijn hol haalde en tot stadskunstenaar bombardeerde. Zijn vzw-tje mocht de nieuwe Gentse Feesten organiseren, met Walter als dialect-sprekende megafoon, in naam van de grote sociale cohesie. Walter had niets door en tokkelde verder op zijn gitaar.

Deze recuperatie, onder socialistische vlag uiteraard, leidde zoals gezegd tot een remake van de proletenkermis uit de 19de eeuw, maar dan vooral ten dienste van de middenstand en de horeca. De verplichte zwijnerij echter herinnert nog volop aan de tijd dat het werkvolk moest feesten op bevel, en zich voor de rest van het jaar mocht kapot labeuren. Idem dito trouwens voor de grote concurrent, het Aalsters Carnaval, en eigenlijk alle ‘volksfeesten’ ter wereld.

Anders gezegd: het is mijn anarchistisch-libertaire inborst die walgt van dit obligaat-jaarlijkse zuip-, kots-en zeikfestival. Het wildplassen is de perfecte metafoor voor deze repressieve tolerantie (Herbert Marcuse). Het mag niet, maar iedereen doet het, enkel tussen 17 en 26 juli, om te bevestigen hoe onvrij we eigenlijk wel zijn, en hoe we allemaal die elektriciteitstoeslag van 8% toch zullen betalen, willen of niet. Met de wildplasboetes wordt overigens het legale sanitair gefinancierd, zodat dit quasi-subversief ritueel perfect nuttig is en de kas doet kloppen.

Weer moet ik als filosoof voor pretbederver spelen: de pisgeur van de Gentse Feesten herinnert net aan de demagogische oorsprong ervan. De manier hoe De Buck als stadsanimator onschadelijk werd gemaakt, herhaalt zich in het obligate massaritueel rondom de kotsemmer, dat ideologisch eigenlijk maar weinig verschilt van de collectieve uitzinnigheid in de fascistische meeting, nu ook beschikbaar in Tomorrowland-variant.

Steeds opnieuw komt me dan die onvergetelijke film ‘Una giornata particolare’ (1977) van Ettore Scola voor de geest, een dag uit het leven van vermoedelijk de twee enige Romeinen die niét aanwezig waren op het feestelijk treffen van Hitler en Mussolini, 8 mei 1939.

Diep in de achtergrond, ver van het gewoel, broeit een ander soort vrijheid dan die van het zogenaamde volksfeest en de geregisseerde hysterie. Het privé-feest, binnenskamers of in de achtertuin, is kwalitatief iets helemaal anders dan de bonte kermis waar Vlamingen, het knechtenvolk, zo verzot op zijn.

Of wat dacht u van deze quote van de filosoof Jürgen Habermas: “Als de utopische oases uitdrogen, ontstaat een woestijn van banaliteit en radeloosheid”. Uitgerekend het motto waarmee de vzw Trefpunt van De Buck zaliger tegen zijn eigen bierkaai vecht. De echte Gentenaar rest dan ook nog maar een ding in deze periode: de pisgeur van zijn stad ontvluchten en met vakantie gaan. Vreemde ongerijmdheid, en toch zo herkenbaar.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

3 reacties op Gent, zijn feesten, zijn pisgeur, zijn Belleman

  1. seiyud4a zegt:

    Johan woont uiteraard niet in Gent. Heer, vergeef het hem want hij weet niet waarover hij schrijft.

  2. aghasee zegt:

    Leve de Gentse Feesten. Zelf hou ik niet van de door Johan mooi omschreven ‘pisgeur’ die alle dergelijke massa-evenementen eigen is.

  3. Helemaal eens met je stuk. De filosoof als sardonische spelbederver: dat hoort zo, en dat ligt je goed.

    Ik mis echter een lofzang op die verguisde Duitse filosoof: Odi Prof. Arnhim-Wölgüs.

    Of je moet heel erg tussen de lijntjes lezen.

    Ik lees je e graag, en verveel mijn naasten met het doorsturen van je publicaties.

    Sardonically yours

Reacties zijn gesloten.