Thomas Piketty en het Légion d’honneur: het is een kwestie van ruiken en geroken worden.

Hier mogen de lintjesdragers, Commandeurs in de Grootorde van Leopold II en baronnen uit ons intellectueel en cultureel universum nog eens een poepje aan ruiken: de Franse econoom Thomas Piketty, auteur van het felbesproken ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’, weigert het Légion d’honneur die de Franse president hem wil toekennen. Alleen Sartre deed nog straffer, door in 1964 de Nobelprijs literatuur af te wijzen.

De symboliek van zo’n weigeringsgebaar is niet te onderschatten. Men zou het als een ultieme vorm van hoogmoed kunnen zien: “geen enkele onderscheiding weerspiegelt mijn verdiensten”. Maar in het geval van Piketty (en ook van Sartre trouwens) is het vooral een teken van minachting voor het instituut dat de onderscheiding uitreikt. François Hollande is met voorsprong de zwakste president van het na-oorlogse Frankrijk. Hij kwam aan de macht met een demagogische belofte over vermogentaks die hij nadien introk. Hij presteert vrijwel niets en is vooral bekend door zijn nachtelijke escapades met ene Julie Gayet, en door zijn onsterfelijke kwalificatie van de onderkant van de samenleving als ‘het volkje met de slechte tanden’ (‘Oui, j’ai rencontré des gens dans les pires difficultés, usés par la vie. Ils avaient du mal à soigner leurs dents. C’est le signe de la pire misère. Ces gens, je les ai côtoyés, aidés, soutenus’).

Van zo’n ondermaatse kaviaarsocialist neem je dus geen decoratie aan. Maar vermoedelijk zou Piketty hem ook niet van François Mitterrand aanvaard hebben, want, zegt hij, ‘het is niet de rol van de overheid om te beslissen wie eerbaar is’. Daarmee raakt hij een knoop aan in ons cultureel weefsel die al sinds Diogenes, de Atheense filosoof-clochard die in een ton leefde, actueel is : de relatie tussen macht en intellect. Ooit vielen ze samen en was de priesterkaste de schaduw van de politieke macht. Met de dageraad van het kritisch denken was de scheiding tussen beiden onontkoombaar. En dat is wellicht dé grootste verdienste van onze Westerse cultuur : de ontdekking van het neen-woord, de grote negatie.
Als denkers, schrijvers, kunstenaars één reden van bestaan hebben, dan is het als dissidentie en dissonantie, de valse noot in de harmonie, niet als producenten van decorstukken of belletrie.
Toen Alexander de Grote Diogenes opzocht, en de straatfilosoof vroeg of hij hem ergens een plezier mee kon doen, antwoordde deze: ‘Jazeker : ga een beetje uit mijn zon staan’. Berust het verhaal op waarheid of niet, het staat in elk geval symbool voor het weigeren en uitdagen van de macht.
Het gebrek aan hygiëne dat de Diogenes-legende omgeeft, wijst ook op een lichamelijke strategie om de afstoting te vergemakkelijken en een schutskring te creëren : hij waste zich nooit, liep in lompen en deed zijn gevoeg op straat. Daarvan komt ons woord ‘cynisme ‘, namelijk van het Griekse ‘kynos’, hond. Leven als een hond, stinken als een hond, blaffen als een hond, schijten als een hond.
En kijk, dat brengt ons terug op de manier hoe de socialist François Hollande op het gepeupel kijkt: als mensen die uit de bek stinken. Straathonden als het ware. Door een Diogenes-achtig geursignaal te produceren manifesteert ook Thomas Piketty zich als een onfrisse figuur en schaart zich in de kynische traditie. De filosoof is de vriend van de mensen met een lijfgeur en een onverzorgd gebit. Sartre had altijd een potje stinkkaas bij zich, voor het geval lieden met een te zoet parfum hem zouden benaderen.

Schreef ik ‘kynisch’, met een k? Jawel, want Peter Sloterdijk beschrijft in zijn “Kritik der Zynischen Vernunft” hoe het kynisme van de straathond en ketter langzaam overgaat in het cynisme (met c) van de modieuze intellectueel die zich door de politieke macht laat opvrijen en wél de decoraties aanvaardt. Machiavelli is het keerpunt. Ook vandaag rukken ze overal op, de schoothondjes van het establishment, het erelegioen van aaibare, mildgezeepte denkers, schrijvers, journalisten. Wat rest ons, crapuul, anders dan even in de ton te verpozen. De roman “Het Parfum” van Patrick Süskind nog eens herlezen: het is een kwestie van ruiken en geroken worden.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Thomas Piketty en het Légion d’honneur: het is een kwestie van ruiken en geroken worden.

  1. Henk Coopman zegt:

    Ik geloof wel niet dat u zelf uit uw bek stinkt, alhoewel ik toch minstens één geweldige denker persoonlijk ken die dat wel doet. Ik houd ook zeer veel van Süskind, maar mij zette hij juist aan om van parfum een hobby te maken, zodat ik nu gemakkelijk over een veertigtal flacons beschik, waaruit ik er elke morgen een kies – naargelang mijn stemming – om die dag collegae mee te terroriseren.
    In elk geval vind ik die Piketty ook een straffe. (Ik zit al aan pagina 50 van zijn “Kapitaal”, dus dubbel zover als de meeste kopers van zijn boek naar het schijnt geraken.) Voor Amerika verdedigt hij een vermogensbelasting, verdergaand dan PVDA+ zou gaan, in Frankrijk verzette hij zich juist tegen deze PVDA+-achtige rijkentaks, die volgens hem toch alleen maar diende om de sociaaldemocratische sclerose te verbergen, en nu weigert hij dus die staatsprijs…
    Ik las ondertussen al veel politieke en economische kritieken op Piketty, die mij tot de conclusie voeren dat Piketty als econoom, noch als politicus erg betrouwbaar is, én het gevoel bevestigen dat ik al vanaf de eerste bladzijden van zijn boek ervoer, hetgeen ook u lijkt te bevestigen: Piketty is een “intellectuel”, die als een groot kind “nee!” moet roepen.
    Toevallig las ik juist Stefan Hertmans essay over die andere stouterik: Michel Houllebecq. Natuurlijk accepteerde Hertmans, als denker van de sociaaldemocratische (en militaire) braafheid, tal van staatsprijzen en slaagt hij erin om in het eerste, maar toch enigszins overbodige eerste deel van dat essay – dat vooral lijkt te dienen om zijn kennis met Sloterdijk te etaleren – Diogenes met wat demogogie te besmetten (daarbij Theo van Gogh en de boertigheid tout court neerhalend), maar hij doet wel een eervolle poging om Houllebecq te omschrijven.
    We hadden Hertmans wel niet nodig om te weten hoe Houllebecq kikte op de Prix Goncourt – en, inderdaad, Hertmans weet hem effectief ook te besmetten met mogelijke zelfwalging – maar ik vraag me af hoe Houllebecq zou reageren op een staatsprijs? Of Piketty op de Prix Goncourt?
    Hertmans stelt Houllebecq immers hoffelijk voor als de liefdevolle verdediger van de fermettebewoner (moesten zijn verhalen zich noordelijker afspelen – of is die bouwstijl ook in het zuiden bekend?) en merkt terecht op dat de auteur een stap verder staat “dan de filosoof in de ton – omdat hij zijn eigen onmogelijkheid om outcast te blijven in zijn relativeringen betrekt (..)”.
    Dus crapuul lijkt me wat overdreven: een staatsprijs weigeren, OK, maar een privéprijs?

Reacties zijn gesloten.