Onkruid op de loopgraven: nevenbedenkingen bij 11 november

klaproosPompeus zullen vandaag de Brabançonnes weerklinken, hol de patriottistische retoriek en het eerbetoon aan de helden, vermengd met een scheut Euro-sentiment, de nieuwste versie van het opgelegde grootstaatnationalisme. Komt daarbij de hype rond 1914-2014 en het loopgraventoerisme. Terwijl die soldatenkerkhoven behalve stilte ook een discrete walg uitademen, de walg van doden die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren. En moésten zijn. Zij hadden geen afspraak met de geschiedenis, ze hebben hun leven niet gegeven voor een vaderland, het werd hen afgepakt, dat is de brute realiteit.

Incompetente generaals die met een middeleeuwse veldslagtactiek een moderne oorlog wilden voeren, zo kan men WO I samenvatten vanuit militair-strategisch standpunt. Dat ze daarvoor eindeloos kanonnenvlees de dood konden injagen, duizenden jongens per dag, velen nog halve pubers, ligt niet alleen aan de tomeloze ambitie van de legerleiding, en ook niet alleen aan de absurde confrontatie tussen bajonetten en mitrailleurvuur (de kans dat je tijdens zo’n aanval werd getroffen was zowat 90%), maar vooral ook aan de sociale achterlijkheid van dat kanonnenvlees: dit was de oorlog der ongeletterde proleten.
Want ook al stond er op desertie de doodstraf: het is eigenlijk, achteraf bekeken, onvoorstelbaar dat die gasten ook effectief uit de loopgraven klauterden om zich aansluitend te laten neermaaien. Waarom bleven ze niet gewoon zitten? Daarom wil ik op deze 11 november vooral diegene huldigen die er helemaal geen zin in had: de onbekende soldaat die vaststelt dat dit zijn oorlog niet is.

Bij ons heeft deze proletarische signatuur nog een bijkomende dimensie: het feit dat het Belgisch frontleger vooral uit Vlamingen bestond, die het Frans van hun oversten nauwelijks begrepen. Het wordt vandaag betwist door Belgicistische historici zoals Sophie de Schaepdrijver en Bruno de Wever, maar ik weet het uit eerste hand, namelijk van mijn grootvader Jozef Sanctorum, die de slachting overleefde, weliswaar ziekelijk want gepakt door het mosterdgas, en na de oorlog in de gevangenis terecht kwam als lid van de Frontbeweging. Deze door de legerleiding verboden beweging –flamingant maar niet Duitsgezind- publiceerde in 1917 de fameuze “Open brief aan den koning der Belgen, Albert I” waarin de taaltoestanden werden aangeklaagd en waarin de vorst ook werd herinnerd aan zijn belofte om de Gentse universiteit te vernederlandsen.
Deze intellectuele sub-elite stichtte dus na de oorlog de Frontpartij, voor zover de leden niet in de gevangenis zaten. De kiemen van de latere collaboratie werden daar gelegd, of men dat nu leuk vindt of niet.

En dat is voor mij nu net het meest boeiende en zelfs hoopgevende van zo’n zinloze oorlog: de subversie binnen de rangen. De Grote Oorlog recupereren en een ander front openen. De nachtmerrie van elke bevelvoerder: soldaten die nadenken, spreken onder elkaar, manifesten schrijven. Proleten die het proleet-zijn ontstijgen. Het Vlaamse activisme van de 1ste wereldoorlog was een pacifistische burgerrechtenbeweging (zie de IJzerbedevaarten) en was als dusdanig onverdraaglijk voor het Belgisch establishment én het 19de eeuwse statennationalisme. Mij een raadsel waarom het Vlaamse schrijversgild –Lanoye, Hertmans, Mortier en consoorten-, zich daarvan blijft distantiëren, en zich blijft wentelen in een reactionair Belgicisme.

Dus tja, wapenstilstand,- zelfs op deze dag moet de vraag gesteld worden of vrede niet in het voordeel speelt van zij die de vrede dicteren. Zolang er onrecht bestaat, zal er strijd moeten geleverd worden. Niet de strijd der naties, maar een sociale strijd, die ook over taal en cultuur gaat.

Dàt is de betekenis van de rode klaproos: onkruid op de loopgraven.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .