Ontwikkelingshulp als levenskunst: vergis u niet van vijand

Gisteren op het Tv-journaal een interview met Hilde Declerck van “Artsen zonder Grenzen” gezien. Ze heeft mee de ebola-centra opgezet in Guinee en Sierra Leone en verzorgt ginder de eerstelijnshulp.
Het zal wel dat Artsen Zonder Grenzen een jonge vrouw naar de studio heeft gestuurd om onze gulheid te stimuleren, maar toch: men vraagt zich af hoe zo iemand, die zeven jaar geneeskunde heeft gestudeerd, naar zo’n miserabel hol van Pluto wil trekken om, op eigen levensgevaar, mensen de eerste en dikwijls de laatste zorgen toe te dienen. Dit meestal in een onmogelijk zwaar isolerende kledij onder de moordende hitte. De psychologische situatie is bovendien complex: dikwijls worden de witte schorten door de bevolking zelf gezien als doodsbrengers en met stenen bekogeld.

Het (vermoedelijk) antwoord vond ik in een paar andere, bijeengegoogelde interviews. Hilde Declerck is voor zover ik weet niét religieus, en ook geen gefrustreerde oude vrijster. Integendeel, ze houdt van het leven en noemt zichzelf “Bourgondisch”: als ze even terug in Europa is, dan laat ze zich ook gaan, qua eten en drinken, en wellicht ook op andere vlakken waar u en ik zich iets bij kunnen voorstellen. Een steak friet met een pint bier smaakt nu eenmaal driedubbel zo lekker na een half jaar in de West-Afrikaanse hel.
Ik probeer nu de filantropie van de idealistische missiezuster te deconstrueren: eigenlijk is ons bestaan saai, we creperen hier zonder geleefd te hebben. De morose van een land, met een van de hoogste welvaartcijfers ter wereld, waar iedereen min of meer ongelukkig is, omdat de buur het altijd beter heeft, wekt op de duur walggevoelens op en drijft ons naar de vreemde, waar het bestaan veel harder is, maar waar het leven ook weer een echt begerenswaardig goed wordt, iets om voor te vechten.
Het vooruitzicht van voor de rest van haar tijd een huisje-tuintje-kindjes-bestaan te leiden, en pilletjes voor te schrijven aan mensen die eigenlijk nauwelijks wat mankeren, moet Hilde naar het ebolavirus gedreven hebben. Een vijand met carrure.

Zo voel ik het aan, ik kan me compleet vergissen, maar het is een illustratie van de stelling dat elk altruïsme een gesublimeerd egoisme is. Wat niets afdoet aan mijn mateloze bewondering voor zo iemand die de zeepbel laat openspatten en ons confronteert met onze kleinburgerlijke lafheid.
Maar in die zin moet men ook de helden die zich tijdens een Mount-Everest-wandeling lieten verrassen door een sneeuwstorm, en nu met straffe verhalen thuis komen, beschouwen als mislukte ontwikkelingshelpers. In plaats van de kick te zoeken op een Nepalese bergtop: doe eens een isolatiepak aan en ga zweten in een door ebola besmette regio. Spanning gegarandeerd. Zelfs de Syriëstrijders kan ik die boodschap meegeven: stop het vechten voor de schim die Allah heet, en ga virusjagen in Sierra Leone.
Zo wordt Hilde Declerck toch weer een absoluut rolmodel: de kunst om het avonturisme om te zetten in het gevecht voor een goede zaak, is een ware levenskunst. Vergis u niet van vijand, niet elke oorlog is een inzet waard. De meeste disputen die ik uitvocht zijn, achteraf bekeken, redeloze testesteron-erupties zonder doel of voorwerp.
Zeer getroffen was ik ook door het belang dat ze hechtte aan stervensbegeleiding, troost en morele steun. Dat wijst toch, nu ja, op een filosofische rijpheid die een thuisfrontstrijder als ik haar alleen maar kan benijden.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .