Lijken uit de Claus-kast: wat doen we ermee?

 Het eerste gedicht van Hugo Claus, ‘Grauwvuur’, een pennevrucht uit de zomer van 1942, blijkt een vertaling van een gedicht van de Duitse dichteres Elisabeth Emundts-Draeger, nota bene verschenen in een nazi-krantje. Hij had het, als een eigen gedicht, cadeau gedaan aan een schoolvriendinnetje. De vertaling is zelfs geen onaardig probeersel voor een dertienjarige. Amusant is wel dat deze zogenaamde eersteling, enkele maanden na de dood van Claus, voor 2400 Euro werd geveild.
De familie Claus waren “zwarten” tijdens de oorlog. Zelf paradeerde Claus toen in nazi-uniform, maar hij veranderde van overtuiging naarmate de Duitsers de oorlog aan het verliezen waren, zo vertelde hij al in de jaren ’80 van vorige eeuw aan journalist Piet Piryns, ook een notoire linkse intellectueel die de smet van zijn zwarte familie wilde afschudden.

Het is Claus-kenner Georges Wildemeersch die een en ander uit de doeken doet, zoals het verhaal van het plagiaat-debuut. Natuurlijk moeten we hier niet flauw doen en Claus nu lezen alsof hij alleen maar in staat was om gelegenheidspoëzie af te schrijven van een ander. Toch leidt het tot een paar nevenbedenkingen.

Eigenlijk had het de dichter toch wel gesierd om de leugen van 1942 recht te zetten. We zijn allemaal op zoek als tiener en begaan allemaal wel eens een misstap, maar ik dacht altijd dat nu net de poëzie het diepste uit een mens naar boven haalt. Ze is existentialistisch, er bestaat geen andere. Of toch wel? Zou het kunnen dat er achter de façade van het verbale feest eigenlijk… niets schuilt, behalve dus een behendige woordenkramer?
Dat klinkt hard, maar misschien is het grootste deel van de literatuur wel vertoon, zeker bij succesauteurs die wat te verliezen hebben. Er blijven dus lijken in de kast, men blijft met leugens leven, en dat lukt allicht wel bij de meeste politici, maar voor kunstenaars, en a fortiori dichters, mag het criterium strenger zijn.

Pas op, nogmaals, ik wil hier niet de moraalridder uithangen. Het gaat me eerder over het intellectueel en artistiek functioneren van iemand die facetten van zijn leven moet verstoppen om zijn blazoen onbevlekt te laten. Ook het oorlogsverleden van de toen piepjonge Hugo, ach, wie ben ik, zelf zoon van een SS-er, om me daar druk over te maken. Maar de lapsus dat hij het geweer van schouder veranderde “omdat hij bij de winnaars wou horen”, kadert de links-progressieve signatuur van de schrijver dan weer in een context van opportunisme. Waarbij weer de principes ondergeschikt zijn aan de wetten van de (cultuur-)markt. Wat zou Claus eigenlijk geschreven hebben moesten de nazi’s de oorlog hebben gewonnen? Een loflied aan de Führer? Of zou hij dan toch maar Streuvels en Timmermans achterna zijn gegaan, twee achteraf verbrande literatoren die niét snel genoeg van uniform wisselden?

Enfin, omwille van de hygiëne dus maar snel begraven die lijken. Maar tussen de lofzangen zal de geur nog blijven hangen, tot het geheugen zelf verzwakt en de leugen in de afgrond zakt, het zalige vergeten waarin wij niets meer weten.
Als ik me deze Clausiaanse parodie mag permitteren.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .