Kan men geweld en terreur bestrijden met humor?

Ik ben altijd een groot liefhebber van satire geweest. Het is voor mij de meest sublieme uiting van verlichting en onthechting: de “klik” maken waardoor dingen opeens uit hun ernst gelicht worden en leiden tot iets wat steeds weer gelijkenis oproept met de seksuele opwinding: het lachen. Ik hou van humoristen, zowel de zachte als de harde, de Geubelsen én de Williamsen, de (goede) vertellers van kalendermoppen en de cynici. Waarbij ik ook graag terloops hulde breng aan politiek-incorrecte spotters zoals Dieudonné M’bala M’bala.
Zelf laat ik, haast onwillekeurig, in mijn eigen stukjes en essays van die vochtplekken ontstaan die het vertoog glibberig maken, dubbelzinnig, of hyperbolisch, alsof het zichzelf niet meer ernstig neemt. Sommige lezers genieten ervan en zoeken die plekken op, anderen ergeren er zich aan en grijpen naar het zeemvel.

De vraag die me echter steeds bezig houdt is, of humor ons nu eigenlijk verzoent met de werkelijkheid, dan wel tot een duurzame kritische attitude leidt. In democratische systemen, ook een gemediatiseerde pseudo-democratie als de onze, is humor absoluut onschadelijk. Politici smeken om in de eindejaarsconférence van Geerte Hoste op de korrel genomen te worden: het vergroot alleen maar hun populariteit. Zelf zitten ze meestal als eregenodigden in de zaal en etaleren voluit hun breeddenkendheid.
Helemaal anders is het onder een dictatoriaal bewind: daar riskeren de lachers strafkamp en erger. In Noord-Korea is het ondenkbaar dat iemand Kim Jong-il ook maar op de meest zachte manier zou in zijn hemd zetten. Absolute macht verdraagt geen ironie. Het fascisme kent de lach enkel als uitlachen en kleineren. Bekend zijn de scènes in Duitse concentratiekampen waar ter dood veroordeelden met muziek en stoetsgewijs naar de galg werden gevoerd.

Humor werkt dus niet, als politiek statement. Noch in een democratie, noch onder een schrikbewind. Dat brengt ons bij het bericht over de nieuwe grappen rond de Jihad en de Islamitsche Staat. Ze circuleren nu voluit op het internet, de parodische filmpjes over knullige IS-strijders. En om mijn vriend Sam Van Rooy van antwoord te dienen, waar hij de Palestijnen en IS op één hoopje gooit: de meeste IS-satire valt te beleven op Palestijnse televisiezenders.
Dat geeft hoop en opluchting. Alleen: het zal aan de opmars van de Jihad niets veranderen. Wie lacht in door hen gecontroleerde gebieden gaat eraan, punt uit. Tegen harde terreur is satire niet opgewassen.
Alleen in veilige oorden, ver weg, of binnenskamers, mag er gelachen worden. De stelling van Sigmund Freud, dat humor vooral compenserend werkt, net door de verwantschap met de seksuele ontlading, bevestigt dit: humor gaat vooral over verwerkte frustraties en aanvaarden van het status-quo.

Niet toevallig waren de Duitse romantici zoals Heinrich Heine dus ook, in hun alter ego, best wel grappige olijkaards. De nostalgie en het besef van het onmogelijke leiden tot lach en zelfrelativering, het besef van de nietigheid van het bestaan en de zinloosheid van het verweer. In die optiek zijn de IS-filmpjes dus net niét opstandig maar eerder resignerend. Je kan wel eens lachen met een executie, waarom niet, maar ze gaan ondertussen wel door. Je kan wel moppen tappen over Poetin, in Europa wel te verstaan, maar who cares? Chaplin mocht Hitler uitlachen (“The great dictator”), evenwel ver weg in het veilige Amerika. Na de oorlog, toen de waarheid van de nazi-wreedheden aan het licht kwam, beschouwde Chaplin zelf zijn film als gratuit en irrelevant.

Ik laat de vraag dus open: kan men geweld en terreur bestrijden met humor? Of lachen we gewoon met onze eigen nietigheid?

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Kan men geweld en terreur bestrijden met humor?

  1. Patrick Eggermont zegt:

    Wanneer het allemaal te serieus wordt, moet een mens ook eens kunnen lachen…
    Galgenhumor als verweermiddel tegen wanhoop en onderdeel van de volksgein.
    Zwarte of macabere humor heeft de eigenschap dat er eigenlijk niet mee gelachen mag worden en juist daardoor zo bijtend is. Het is de humor die “nie net die lag-met-die-traan is nie, maar die lag-met-‘n-grimas” (Suid-Afrikaans).
    Het aangehaalde videofragment doet tamelijk surrealistisch aan. Grappig is wanneer uiteindelijk een van de vermomde jihadisten de executie van de christen opeist omwille van verdienste in religieus opzicht, waarna het slachtoffer schielijk ter plaatse doodvalt.
    Ruth Wisse, professor Jiddische literatuur in Harvard omschrijft humor als “the ultimate double-edged sword”. Humor als stuwkracht naar buiten, voor de verdediging tegen vijandelijkheden van ongelovigen, Arabieren en kozakken. Naar binnen is het dan een uitdrukking voor trots, zelfhaat en anders zijn.
    Wat te denken van de volgende ‘jokes’, geraapt van de webstek van The Jewish Standard uit ‘No Joke : Making Jewish Humor’ .

    De volgende scène speelt zich af aan de kust van Jersey :
    Mrs. Markowitz was walking along the beach with her grandson when suddenly a wave came and washed the 3-year-old-boy out to sea.
    “Oh Lord!” she cried. “If you’ll just bring that boy back alive I’ll do anything. I’ll be the best person. I’ll give to charity. I’ll go to temple. Please God! Send him back!”
    At that moment, a wave washed the child up on the sand, safe and sound. His grandmother looked at the boy and then up to the heavens.
    “Okay!” she exclaimed. “So where’s his hat?”

    Klinkt het niet, dan botst het. De volgende ‘witz’ zou het best, maar niet noodzakelijk, worden verteld in het Jiddisch. Volgens Freud, die van moppen hield en ze met veel jolijt bracht bij bekende Joden in Wenen, is dit een goed voorbeeld van galgenhumor :
    Two Jews before a firing squad are asked whether they have a final wish.
    One requests a cigarette.
    The other snaps, “Shush, Moshe! Don’t make trouble.”

    En tenslotte :
    Sara in Jerusalem heard on the news about a bombing at a popular café near the home of relatives in Tel Aviv. She calls in a panic and reaches her cousin, who assures her that thankfully, the family is safe.
    “And Anat?” Sara asks after the teenager whose hangout it had been.
    “Oh, Anat,” says her mother reassuringly, “Anat’s fine. She’s at Auschwitz.

    Bron : http://jstandard.com/index.php/content/item/no_joke/

Reacties zijn gesloten.