Wie laatst lacht, best lacht

Vandaag gaan we nog eens goed lachen. Waarmee? We zien wel, om het even, desnoods om niets, want lachen is gezond.
In de gemiddelde TV-talkshow of kwis barst er zo ongeveer om de 30 seconden een lachsalvo uit, men kan het chronometreren. De ingehuurde BV’s leiden de dans, vertellen moppen die er geen zijn, beginnen dan luid te schateren waarna er vermoedelijk ergens een bordje in de studio opgaat met het woord “Lachen!”. Vooral presentator Marcel Vantilt hanteert in zijn zomershow deze terreur van de universele lachkramp die heel vreemd aandoet als je onverhoeds de TV-knop aanzet.
Van humor is hier nauwelijks nog sprake. Veeleer gaat het om iets dwangmatig, een spasmodische hysterie die gedicteerd wordt door de logica dat lachen kijkcijfers aanzwengelt, ook al weet niemand echt waarmee.

Breder beschouwd leven wij in een cultuur van de ontledigde lach, de grimas. De reclame toont ons de smile van mensen die gelukkig zijn, succes hebben in het leven, omdat ze dit of dat merk van tandpasta gebruiken. De brede grijns van de modellen is haast mechanisch en leidt ook tot stereotiepe imitatiereacties, want wie wil nu niet delen in de leut?
Tijdens de laatste parlementsverkiezingen ging ik op zoek naar een kandidaat die niét lachte op de affiche. Quasi-onmogelijk, heb er één gevonden, een groene nerd, vreselijk serieus, heb dan ook voor hem gestemd, want politici die niet lachen hebben een missie, en ik hou van mensen met een missie.
Heel de hedendaagse lachcultuur blijkt dus veeleer een pure pose van het verplichte alsof-geluk en de (overigens foute) evolutionaire link tussen positivisme en overlevingskunst. Wie laatst lacht, best lacht, zegt het spreekwoord. Het komt er dus vooral op aan om niet te vroeg te lachen. De humorist zorgt voor die timing en geeft inhoud aan de lach via de mop. Humor verhoudt zich zo ongeveer tot de lachkramp zoals goeie seks tot porno. Teveel is gewoon teveel, op de duur wordt het een dwangmatige herhaling van steeds hetzelfde.
Overigens is er een duidelijke gelijkenis tussen de schaterlach en het orgasme, maar zoals gezegd: de aanloop, het voorspel, is cruciaal. Vrouwenmoppen zijn overigens net daarom minder gericht op de pointe maar meer op de aanloop, het verhaal zelf.

Die overwegingen schoten me door het hoofd bij het bericht over de Turkse vicepremier Bulent Arinc, die zich ergerde aan het Westers-decadente gegiechel en gesmiezel van de meisjes, die de blik “zedig en licht blozend naar onder hoorden af te wenden” als een man hen aankeek. Waarna een homerisch “lachprotest” losbarstte.
Antimodernistische karikaturen zoals deze moslimpoliticus zijn echter niet helemaal irrelevant. De reactie van de Turkse vrouwen, nl. het massaal op het internet zetten van hun schatergezichten, doet bij mij dan ook weer de vraag rijzen of ze wel weten waarmee ze lachen. Misschien kietelden ze zichzelf gewoon, of werkten al die selfies aanstekelijk. Tenzij ze echt lachten met de grap van Bulent Arinc, die dan toch een voortreffelijk humorist blijkt, en misschien zelfs een goed minnaar.

Voor de rest lijkt me de moderne, zinledige, repetitieve lach van de tandpastareclame, de politieke affiche, de TV-show, en heel de massa die haar blindelings imiteert, meer te evolueren naar de grijns van het doodshoofd. Een soort pre-apocalyptische euforie die volgens het Rhinoceros-effect iedereen aansteekt en viraal gaat via I-phone en toestanden, tot de boel gewoon ontploft. Waarna het lachen verder gaat, ergens in de kosmos of daarbuiten.
Zoals ik vroeger al ergens schreef: we zijn de risée van het heelal. Iemand moet zich kostelijk met deze aardse grap amuseren. Hoop ik toch, dan is het niet allemaal tevergeefs.

http://m.demorgen.be/dm/m/nl/990/Buitenland/article/detail/1977373/2014/07/31/Turkse-vrouwen-protesteren-tegen-glimlachverbod.dhtml?originatingNavigationItemId=983

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .