Laudatio voor Urbain Servranckx, Prijs voor de Vrijheid 2008

VRT reageert erg opvallend op uitspraken van Urbanus | Showbizz 24

Geachte laureaat, geachte genodigden,

Portret Johan Sanctorum

Het zal me in sommige kringen zeer kwalijk genomen worden, dat ik op de uitnodiging ben ingegaan, om het spreekgestoelte te beklimmen van dit genootschap, waarvan de missie zich laat omschrijven als klassiek-liberaal, rechts, conservatief,…zeg maar: de donkerblauwe kant van het politieke spectrum.

Deze lezing voor Nova Civitas zal me onvermijdelijk wat slappe handjes opleveren, afkeurend gemompel of misschien zelfs kleine fatwa’s. Toch doe ik dit met het grootst denkbare plezier.

Niet alleen omdat Urbanus een icoon, en een van dé mentale ijkpunten van mijn jeugdjaren is, mijn kritische geest ook echt heeft gevormd, en ik me, slechts door gebrek aan komisch talent dan maar op de filosofie en de letteren heb gestort.

Maar ook omdat ik met graagte de cordons doorbreek, die door het politiek correcte denken her en der worden opgericht. Een discrete, maar alomtegenwoordige dictatuur waar onze laureaat meermaals zijn aversie van heeft geuit.

En dat is meteen ook de centrale insteek van mijn lofrede: de komiek als anti-establishment-figuur. Ik wil daarbij onze laureaat aan een korte psycho-analyse onderwerpen, waaruit twee tegengestelde en eigenlijk complementaire profielen nar voor komen:

Enerzijds Urbain Servranckx, de vreemdeling en einzelgänger.

En vervolgens Urbanus, de aardemens en volksfiguur.Let op de twee verschillende namen, Urbain Servranckx en Urbanus, ze hebben hun belang in het uitklaren van dit mysterie.

Een handige introductie vormt daarbij het recent interview dat hij weggaf aan Menzo-magazine, waaruit ik een drietal citaten pluk.

Menzo, ach, dat glossy mannenblad, hoor ik U denken. Schijn bedriegt, dames en heren: Menzo is een ernstig filosofisch tijdschrift dat men zich aanschaft omwille van de boeiende artikels, en waarin het gepolijst vrouwelijk schoon ons slechts moet waarschuwen voor de vergankelijkheid van het leven.

De komiek als alien

De eerste Urbanus-quote uit dat interview lijkt op een supercliché: “Ik doe gewoon waar ik zin in heb”. Tja, doen we dat niet allemaal? Ook Miss België zegt dat, en een bekend grootwarenhuis hanteert zelfs de reklameslogan ‘Leef zoals je wil’.

Inderdaad, nooit werd ‘vrijheid’ zo gehypt, nooit was de roep van de ik-cultuur sterker. Toch heb ik het vermoeden dat we meer dan ooit geleefd worden. De zap- en shopcultuur, die ons wordt aangeboden als apotheose van de vrije samenleving, is bij nader inzien maar een virtuele realiteit, waarin ‘vrijheid’ vooral te maken heeft met een chaos van prikkels die even chaotische reflexen genereren. De vrijheid van het supermarktkarretje, zoals de in het voorbije jaar overleden Franse filosoof Jean Baudrillard aantoonde.

We denken dat we kiezen, terwijl we eigenlijk maar blindweg gepreprogrammeerde menu’s doorlopen. Zijn we eigenlijk wel vrij? We kiezen rechts en krijgen een linkse regering, of omgekeerd. De kiezer legt de kaarten, zo luidt het cliché, maar misschien zijn de kaarten wel vervalst. Welke lading dekt het woord ‘democratie’ nog?

De onvoorstelbare ironie wil inderdaad, dat uitgerekend het paarse bewind van de voorbije acht jaar, de nouvelle vague van de vlotte jongens die onze democratie ging opfrissen en updaten, die vrijheid van dat individu zwaar hebben gehypothekeerd.

En ik zou heel die roodblauwe machinerie willen voorstellen als een dubbele molensteen, waartussen de kritische enkeling genadeloos dreigde te worden vermorzeld.

De eerste molensteen is die van de collectivistische massacultuur van het Stevaert-socialisme. Het is de roserode doctrine die samenhorigheid predikt maar verantwoordelijkheid steeds op- of afschuift. De maatschappij is maakbaar, en de mens is maar een nevenproduct, iets dat moet uitgelijnd worden via een pedagogisch totaalconcept en een doolhof van regels.

66.290 blz wetten, wetjes en decreten goot het Belgisch Staatsblad in 2007 boven ons uit. Een zelden geziene hoeveelheid juridische abrakadabra.

Het bureaucratisch collectivisme creëert regels aan de lopende band, maar houdt zich met ethiek niet bezig, want dat is een zaak van het onbestaande individu. Niemand is schuldig of verantwoordelijk. Allochtone boefjes die kinderen op een sinterklaasfeestje terroriseren, zijn kansarme sukkelaars. Hun vader was net niet thuis, de subsidies voor het jeugdhuis waren op, of de straathoekwerker was net met vacantie.

Het idee dat de staat, de politie, de administratie, al onze problemen moet oplossen, leidt tot een ont-individualisering en een infantilisering van de burger, die met een gezelligheidsmoraal wordt ingepamperd. Sociale cohesie is de boodschap, en al wie deze blijde boodschap ook maar enigszins relativeert, is een schobbejak, een rechtse zak, of eventueel zelfs een fascist.

Veel erger nog is, dat deze neurotische massacultuur op het einde een echte schapenmentaliteit en een kuddegeest oplevert, waardoor iedereen op de tram de andere kant uitkijkt, als een medereiziger wordt afgetuigd. Het Ik is compleet verdampt in een lethargische wachttijd. Wachten op de anderen, we wachten op niemand,-we wachten op Godot.

Maar ook aan de andere kant van het paarse landschap regende het onzin en hing een hardnekkige mist van werkelijkheidsontkenning. Hoe moeten we anders het neoliberale façadisme karakteriseren, waarin de ikken en de ikjes vrolijk rondhuppelen, in de schaduw van hun eigen imago? In deze kleine Darwiniaanse dierentuin kwam “gelijk hebben” neer op “gelijk krijgen”, en gelijk krijg je door het hardst te roepen.

Onder de glitter van het imago-en perceptiedenken, gepromoot door reklamelui zoals Noël Slangen, verschool zich een belegen, tamelijk roestig, 19de eeuws vooruitgangsoptimisme dat zich moeiteloos gereïncarneerd had in een postmodern, globalistische marketingdenken.

Deze molensteen van de universele vermarkting schuurt even genadeloos ons kritisch instinct weg, als de roserode steen van het collectivisme. Het idee dat alles en iedereen verkoopbaar is, aan de prijs van de dag, als je het maar goed in de etalage legt, nivelleert alles en iedereen tot op het bodemniveau van een mondiale bazar- en pretparkcultuur.

De heerschappij van de marketeers sleurde tenslotte alle waardendiscussies, culturele topics en opinievorming mee in een gemediatiseerde spektakelmaatschappij, waar iedereen wel een mening mag hebben, zolang het maar geen overtuiging wordt.

Onder dit regime van de dubbele molensteen, het sociaal-collectivisme en het neoliberaal façadisme, kreeg het kritische, onafhankelijk denkende en vrijuit-sprekende individu het heel moeilijk. Denk maar aan de manier hoe wetenschapper Gerard Bodifée, in naam van de politieke correctheid, aan de schandpaal werd gespijkerd, gewoonweg omdat hij even de belangen van het kind had ten berde gebracht in heel de hype rond de holebi-huwelijken.

Voor de geboren komiek is er in zo’n universum eigenlijk maar één rol weggelegd: nl. die van de vreemdeling, l’étranger van Albert Camus,- zeg maar: de absolute allochtoon. Het perspectief van het Marsmannetje, toevallig op deze aardkluit beland, die van de ene verbazing in de andere valt. En ons deelachtig maakt aan die verbazing.

En het is opmerkelijk, hoe deze allochtoon door elke grote komiek geïncarneerd werd: de clown als marginaal, de vreemde eend in de bijt, een alien. Iemand die eruit ziet als een mens, met alle menselijke eigenschappen, maar met zo’n ongeconditioneerde, eigenzinnige kijk op de dingen dat hij als van een andere planeet afkomstig lijkt.

Charles Chaplin , Rowan Atkinson, … en ik aarzel niet om Urbain Servranckx in dat rijtje te plaatsen. Hun quasi-kinderlijke blik van verwondering is niet onschuldig of vertederend: hij stelt alles in vraag wat wij als logisch of normaal beschouwen, en overtreedt elk sociaal, cultureel of religieus taboe, met de zotskap als masker en vermomming.

Hun kritische, libertaire houding is niet beredeneerd –dat onderscheidt hen van de filosoof- of strategisch, maar instinctief, lichamelijk, biologisch, ik zou haast zeggen: hormonaal.

De opstand van de onderbuik. Humor als manifestatie van het lichaam in een wereld van de schijn en de abstractie. Een graankorrel, die, per toeval, toch de twee molenstenen passeert en ergens op de bodem terechtkomt, om te ontkiemen tot onkruid. Onkruid dat niet vergaat.

Humor die naar de mesthoop ruikt

Dat brengt ons naadloos op het tweede Urbanus-citaat: “Mijn humor is zoals het mannelijk orgasme. Als je het sperma niet ziet vliegen, dan is het niet bewezen dat je bent klaargekomen.”

Met deze ietwat pikantere versie van het Engelse spreekwoord “the proof of the pudding is in the eating”  worden eigenlijk twee zaken met elkaar in verband gebracht, die reeds door de vader van de psychoanalyse, Siegmund Freud, als een onafscheidelijk koppel werden gezien,- nl. humor en sex.

De fysiologische verwantschap tussen een intense lachuitbarsting, – de zgn. ‘slappe lach’-, en een orgasme, herinnert er ons aan, dat mannen en vrouwen een verschillend soort humorgevoel hebben, zoals ze ook op een andere manier de opwinding en de climax beleven.

Maar de analogie gaat verder: de ontlading van de lach is, zoals de sexuele climax, een tamelijk inciviek, autonomistisch moment. Het zijn explosies van energie, waar geen electriciteit kan uit gewonnen worden. Ze zijn er voor zichzelf, het zijn anarchische eilanden van lust, waarbij de komiek onze buik en onderbuik weet te kietelen, en daarbij op een speelse manier de censuur misleidt.

De man die mensen aan het lachen brengt, ontketent dus natuurkrachten die de sociale orde negeren en de normen doorkruisen: lachen is gezond, maar niet netjes. Humor, sex, en aardse energie : deze oeroude biologische driehoek, beste vrienden, herinnert er ons aan dat de clown in oorsprong geen stadsfenomeen is, maar in het bos en het platteland wortelt. De oerclown is half-mens, half-beest, hij ruikt naar de aarde, en brengt de natuur in ons naar boven.

Deze aardegeur is mij persoonlijk zeer dierbaar. En nu noem ik hem Urbanus, vooral omwille van de twee laatste lettergrepen in deze naam. Het is meteen het tweede aspect van mijn beknopte psychoanalyse.

Van alle Vlaamse komieken is Urbanus de enige die naar mest ruikt. Van Geert Hoste, tot de nieuwste lichting stand-up-comedians, … het zijn allemaal afgestofte stadskomieken, die, de ene al behendiger dan de andere, op de actualiteit van de dag inspelen, maar net daardoor ook snel zelf tot het cultureel establishment gaan behoren. Het worden salonfähige BV’s met een eigen status van gepriviligieerde nar,- waardoor hun humor uiteindelijk weer iets ludiek en vrijblijvend krijgt. Naar het schijnt smeken politici Geert Hoste haast om een plaatsje binnen zijn conférence, ze vragen niets liever dan op het einde van het jaar in de revue te mogen voorkomen, het ultieme bewijs dat ze politiek nog bestaan. Humor als rituele bevestiging van status.

Het zal Urbanus niet snel overkomen. Zijn plattelandshumor is, ondanks de Latijnse betekenis van ‘urbanus’ (‘stedelijk’), niet alleen on-stedelijk of zelfs anti-stedelijk, maar vooral ook subcultureel en inciviek. Ze bespeelt bij voorkeur de onderste regionen van ons organisme, binnen een register van het sappige, vettige, scabreuze, anale, bestiale. Ik noem hem in deze context een absolute auto-chtoon, verwijzend naar het Griekse woord chtonos, dat aarde betekent: de oerkomiek herinnert ons permanent aan onze aardse en zelfs onderaardse afkomst.

Dat brengt ons uiteraard bij de roots van ons feestvarken zelf.

Zijn thuisland, het Pajottenland, dat ook onze grootste schilder Pieter Brueghel de Oude zo fascineerde, is niet zomaar een pittoresk oord van gezelligheid waar de stedeling ’s zondags graag vertoeft. Veeleer is het een onheimelijke negorij, een rommelig, en hier en daar zelfs ronduit lelijk achtergebied vol koterij dat, voor zover mij bekend, door Brusselse verkavelaars nog steeds niet is schoongeveegd tot voorstedelijke residentie.

In dit biotoop worden geen gladde conférenciers geboren, wel saterachtige kobolden, grimassende nietsnutten die ons herinneren aan oeroude Dionysische rituelen op het Griekse platteland, de mensenoffers, de orgieën, de zwijnerijen, ver van de polis en zijn humanistische rethoriek. Brueghel wist wat hij hier kwam zoeken. En het staat ook te lezen op zijn schilderijen, als men doorheen de vernislaag kijkt: het is de mens als brok pure, wilde, aardse energie.

In de neven- en achterkamers van de Boerenbruiloft gist het van gore grappen, worden breedheupige meiden door welgeschapen boerenlullen besprongen,… als de varkens of de schapen zelf al niet het voorwerp zijn van liederlijke avances,- extreme vormen van diervriendelijkheid, waarvan de vruchten merkbaar zijn in de bijzondere lichaamsbouw van de autochtonen.

Humor als apotheose van een aardecultuur, humor als bezegeling van de band tussen mens en dier, en al wat daar nog tussen of onder zit. Humor als lofzang van een averechtse evolutie (‘terug dier worden’), en parodie op het religieuze (‘onderaards gaan’, in plaats van ten hemel worden opgenomen).

U zult begrijpen dat dit soort wildheid in een context van sociale controle en politieke beheersbaarheid onverdraaglijk is, en moet bedwongen worden. Al enkele millenia is de jacht op ‘autochtonen’ geopend. ‘Autochtonen’ in de oorspronkelijke betekenis van ‘aardbewoners’, individuen en kleine groepen die er een eigen relatie met de natuur op nahouden, niet teveel gehinderd door wijwater en wierrook.

Al vanaf het ontstaan van de monotheïstische godsdiensten, en de vorming van grootschalige staatsstructuren –die trouwens parallel lopen met de opgang van dat monotheïsme-, was de strategie van de macht erop gericht, om de onmiddellijke band tussen mens en aarde door te knippen. De hemel en het hiernamaals, dàt was voortaan de horizon.

Dat de kerstening van het Avondland, onder impuls van de etatist avant-la-lettre Karel de Grote, in de eerste plaats een instrument was voor de nieuwe politieke orde die de middeleeuwen zou beheersen, staat als een paal boven water. In deze orde was voor de heiden, die dicht bij de natuur en de aarde leefde, geen plaats. Complete volksstammen, zoals de Friezen en de Saksen, gingen voor de bijl, dankzij de genocidepolitiek van onze eminente cultuurvorst en uitvinder van de Europese gedachte, Carolus Magnus.

Via vele tussenstations leidde deze Christianisering, door de eeuwen heen, in onze contreien tot het welbekende plattelandsparochialisme en de kazuiveldictatuur. De pastoor als exorcist en bewaker van het fatsoen. Stuur de kinderen naar de mis, laat de mannen in de fanfare lopen, en trek de vrouwen een onderbroek aan.

In de bevoogding van het platteland, de ‘provincie’, gaan religie en staatsraison hand in hand. Het is immers uit dat platteland dat het Vlaamse kanonnenvlees werd gerekruteerd voor de eerste wereldoorlog. Rechteloos kannonnenvlees, waarvan de overlevenden zich, terecht, tegen dat staatsraison zouden keren. Waardoor ze als ‘zwarten’ door het leven gingen.

Het is dezelfde mijnheer pastoor die in aflevering twee de staljongens vanaf de kansel zou oproepen tot een heilige oorlog tegen het communisme. Om hen nadien met evenveel redenaarstalent te vervloeken en een zwart kruis op het hoofd te branden.

Dat Vlaamse platteland kleurt dus nogal zwartbruin, maar is dit wel een politieke kleur? Misschien is het gewoonweg een aardekleur, waar Permeke zo graag mee schilderde. Misschien is het gewoon de kleur van de waarheid die, zoals elke boer weet, uit het achterste van een koe komt.

Zo kom ik tot de clou van het Urbanus-verhaal, namelijk het opgeloste mysterie van de onbevlekte ontvangenis.

U weet wellicht dat het Christendom buitengewoon veel inspiratie aan de dag heeft gelegd om heidense gebruiken en legendes te transformeren tot stichtelijke verhalen. Zo werd het hoogst onfatsoenlijke, heidense vruchtbaarheidsritueel, waarbij moeder aarde zo rond de winterzonnewende in een vrolijke orgie met echt mannelijk zaad werd besprenkeld, keurig afgestoft, tot een in biologische termen tamelijk absurde, on-aardse legende, van een vrouw met een intact maagdenvlies, die toch van een kind bevalt.

Eén keer per jaar, toevallig ook eind december, net voor de soldenperiode, wordt deze afgeprijsde maagd in een stal geparkeerd, vergezeld van een os, een ezel, een brave Jozef (naar ’t schijnt komt ons woord ‘tsjeef’ daar vandaan), en drie exotische edellieden. En, niet te vergeten, met een kerstekind zonder natuurlijke stamboom. Geen van de figuranten is de vader van het kind: er is dus ook geen orgasme geweest, er viel niets te lachen, het is allemaal een neo-Platonische constructie van de Heilige Geest, in zijn blauwe training en zijn purperen plastron, zoals het beruchte liedje van Urbanus hem beschrijft.

Inderdaad, waarde genodigden, dat is voor mij hét sleutelmoment in de anti-carrière van onze laureaat. Het fameuze incident van het ‘bakske vol met stro’ uit 1979, onder de kersvers geïnstalleerde regering Martens-I, was méér dan zomaar een rel om een stout liedje. Het was een iconoclaste parodie, waarin Urbanus zijn anus-gehalte de vrije loop liet, en afrekende met de schijn van een alles verstikkende parochiecultuur, een nevel van burgerdeugd, hypocrisie, conformisme, preutsheid, taboes en ongeschreven censuur. Het aardmannetje was vanonder de wierrook vandaan gekropen, en was voor het zingen de kerk uitgegaan.

Grote consternatie. Vlaanderen was definitief ontmaagd. En de kerk had eindelijk weer een duivel van vlees en bloed. De Antichrist van de lage landen. Tot op vandaag lees ik op het forum van Kifkif, een van de waakhonden van de nieuwe political correctness, kwezelachtige scheldlitanieën op dat Bakske vol met Stro. Een kwarteeuw later.

Had Urbanus dat wel mogen doen? Had hij daar geen religieus symbool beledigd?

Zo zie je maar. De macht wisselt, de benepenheid blijft. Ondertussen ziet het er naar uit dat de nieuwe christendemocratie in Vlaanderen, met haar zogenaamd ethisch réveil en zelfgenoegzaam geneuzel over ‘goed bestuur’, volop de restauratie voorbereidt van het pastoorsuniversum. Ook in de tsjevenrepubliek zal, denk ik, geen plaats zijn voor een Urbanus.

En zo wordt onze autochtoon weer een vreemdeling, de cirkel is rond. Och, voor ik het vergeet: helemaal in de coulissen van dit benepen politiek theater, klampt ook nog een handjevol groenen zich paniekerig vast aan het establishment. Nooit, op geen enkel moment heb ik deze zelfverklaarde “vrienden van de aarde” op enig aards buikgevoel betrapt.

Het zijn in wezen nostalgische, volstrekt humorloze stedelingen die, zoals de monniken van weleer, de natuurkracht in de mens willen exorciseren,- een beheersingsproject dat onvermijdelijk moest eindigen in een doolhof van regelneverij.  En waarbij elk van ons doorlopend word geculpabiliseerd, als ‘vervuiler’. We zijn er teveel. Alleen al door te leven en te ademen vervuilen we, laten we een ‘voetafdruk’ na, zoals dat heet. Alsof leven zelf een zonde is.

Jammer, héél jammer. Want, voor wie er in deze zaal nog moest aan twijfelen: we zijn deze planeet in een recordtempo aan het versodemieteren. De aarde gaat kapot, daar kan geen zinnig mens meer aan twijfelen. Maar een zogenaamd ecologisch discours, dat weinig meer is dan een stuiptrekking van de Christelijke schuldmoraal, en een schaduw van de aloude kerktorenvoogdij, zal de noodzakelijke band tussen mens en natuur niet herstellen. Integendeel. Het groen van Groen ruikt naar wijwater en javel.

Geen optie voor de Urbanisten onder ons. Urbanist met hoofdletter, wel te verstaan.

Politieke dakloosheid als ultieme politieke levenshouding

Voilà, zo hebben we de drie grote ideologische blokken van vandaag, rood, blauw en oranje, vertegenwoordigd in evenveel politieke ‘families’, zachtjes gaargestoofd, met een groene krans errond, en van een cassant-bruin korstje voorzien.

Hier in Antwerpen had Urbain Servranckx nog voor Tania kunnen stemmen en in de rij gaan staan voor een gratis blowjob. Maar naar ’t schijnt worden zelfs de beloften van Tania niet waargemaakt, het was maar een stunt, een ballon gebakken lucht, zoals paars er elke week wel een in petto had.

Tja, als heel het politieke theater een flauwe mop blijkt,- wat zou een echte grapjas en Diogenes-figuur zoals Urbanus, dan anders kunnen doen, dan “aan de zijlijn blijven en vette rochels spuwen op politiekers”, een derde en laatste citaat, dat weerom blijk geeft van een buitengewone interesse voor lichaamssappen.

Met dit ultieme biologische statement lijkt de politieke dakloosheid van onze laureaat wel definitief bezegeld. De koninklijke lintjes mag hij wel vergeten, daar waar al die grote non-conformistische intellectuelen, van Jan Fabre tot Luc Tuymans, wél staan aan te schuiven om geridderd te worden.

De Prijs voor de Vrijheid is de enige die op zijn hoofd past. En dan nog. Misschien ziet hij zelfs van die onderscheiding het komische in, en lacht hij in alle stilte met deze ceremonie.

Want laten we tot slot, beste vrienden, de onvergetelijke ironie van dit moment niet vergeten: behalve een welverdiende erkenning van de artiest Urbain Servranckx, is deze lauwering van Urbanus, en het feit dat hij ze aanvaardt, ook een weergaloze grap. Een nar met een kroon op, dat is niet serieus, dat blijft een nar. Zo leidt hij ons mee, heel subtiel, naar een universum waar men vrij kan ademen, waar er geen ‘prijs van de vrijheid’ meer nodig is, en waar, zoals hij het zo kleurrijk stelt, de lach zelf het ultieme teken van waarheid is.

Laat daarom deze welverdiende prijs geen signaal zijn dat we hem zijn politieke dakloosheid willen ontnemen. Integendeel.

Een kerk van heidenen, een staat van statenlozen, een republiek van rebellen, een niemandsland van vrije geesten… daar willen wij, denk ik, toch allemaal een beetje in thuiskomen.

En daarvoor bieden wij, unaniem, en met de grootste overtuiging, Urbain Servranckx, alias Urbanus, het presidentschap aan, met de pauselijke kroon erbovenop.

Urbanus vobiscum, Amen.

Ik dank U.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .