De zaak Van Dijck: 11 juli zal nooit meer zijn zoals voorheen

Van DijckIn de zaak rond ex-Vlaams Parlementsvoorzitter Kris Van Dijck en de weergaloze coup-de-théâtre die zich op 11 juli afspeelde, wordt hier en daar gemompeld dat Doorbraak iets teveel op de man speelde, meer bepaald in mijn column ‘Een glaasje teveel’, waar in bedekte termen al werd gealludeerd naar het cherchez la femme-motief.  Effectief verschuift de zaak, door een onthulling van P-magazine, in de richting van smeuïge verhalen rond de (voormalige) relatie van Van Dijck met een prostituée, de link met het escortmilieu, en mogelijke uitkeringsfraude.

Dat het hier om een prominente N-VA-politicus gaat, deed sommigen anderzijds opperen dat schrijver dezes aan bashing zou doen, het systematisch viseren van één partij. Ik wil dat ten stelligste weerleggen. Mij gaat het om the powers that be, en de taak van een alternatief, onafhankelijk medium als Doorbraak om de machthebbers te tonen dat wij niet braaf aan de leiband meelopen, zie verder. Toevallig is de N-VA nog altijd de dominerende politieke formatie in Vlaanderen, en als dat morgen een andere partij wordt zal die wat mij betreft met evenveel kritische interesse worden bejegend. Naar de inhoud en de beleidslijnen, én het persoonlijk profiel van de verkozenen des volks.

Doorbraak mag echter geen sensatieblad worden, duiding en analyse moeten primeren zoals hoofdredacteur Pieter Bauwens gisteren op de Doorbraak-barbecue nog aangaf. Daarom even de puntjes op de i.

Het privé-leven van de heer Van Dijck interesseert ons helemaal niet. Of een politicus vreemd gaat, of op een betaalde liefde beroep doet, is zijn zaak, voor zover het binnen de wet blijft en het geen invloed heeft op de professionele sfeer. Wel kwam in mijn column van woensdag 10 juli de kwestie van de aanrijding onder (zware) invloed aan bod, en het feit dat de burgemeester van Dessel een paar keer heeft geprobeerd om de zaak foutief voor te stellen, speciaal wat betreft de juiste graad van intoxicatie. Van daaruit werden twijfels geuit over de functioneerbaarheid van de Minister-President en de kwaliteit van het politiek personeel in het algemeen. Tenslotte werd in bedekte termen verwezen naar een link met het escortmilieu, omdat we via-via wisten dat men de zaak aan het uitvlooien was en dat de bom op ontploffen stond. Een gerechtelijk onderzoek zal nu verder moeten uitwijzen of Kris Van Dijck juridisch over de schreef is gegaan. In dat geval zou hij best ook zijn ambt van Vlaams parlementslid ter beschikking stellen.

Omerta

Kris Van Dijck.Maar waarom kreeg zo’n schimmig bloteborstenblad als P-magazine de eer? Dat Van Dijck iets had met een escortbureau en een ‘speciale regeling’ bekwam voor de genaamde Lynn, die na het sluiten van de benen een uitkering kreeg uit het Fonds tot vergoeding van de in geval van Sluiting van Ondernemingen ontslagen werknemer’, was al lang een publiek geheim, ook binnen de redactionele cenakels van De Standaard, De Morgen en de Tijd. Maar zoals dat gaat met publieke geheimen is hun houdbaarheidsdatum verbonden met de verstandhouding tussen die mainstream media en het politieke universum, meer bepaald de machtspartijen.

Duidelijker nog: de goede relaties tussen journalisten en politici zijn gebaseerd op wederkerigheid. De primeurs en inside informatie gaan enkel naar journalisten die vooral ook goed kunnen zwijgen, dat is nu eenmaal de ongeschreven afspraak. In mijn boek ‘Na het journaal volgt het nieuws’ doe ik dit fenomeen uit de doeken onder de noemer Wetstraatmatras. Een staaltje daarvan mochten we bijvoorbeeld ondervinden in het opstootje tussen Gwendolyn Rutten en Joël de Ceuleer. Deze laatste was boos geworden omdat de Open-VLD-voorzitter  ‘niet voldoende mededogen’ had betoond voor een familie van asielzoekers, en gaf uit rancune dan maar een onaangenaam nieuwtje omtrent Rutten prijs aan de buitenwereld. Niets schokkends, maar toch: even was het colloque singulier tussen perskaartjournalist en politica verbroken. Waarbij we de vraag stelden hoeveel van die achtergehouden informatie zich zo nog in het niemandsland van de omerta bevindt.

Die godsvrede tussen politiek en pers verloopt meestal (zeer) vriendelijk, maar af en toe wordt de sfeer grimmig. Het is bijvoorbeeld bekend dat Guy Verhofstadts relaties met de pers al van in het begin van zijn politieke carrière gekenmerkt werden door chantage en dreiging om journalisten kalt te stellen door ze geen informatie meer te geven. Dus is het zwijgen geblazen en meegaan in de logica van de machthebbers. Verhofstadt heeft hier beslist grenzen verlegd, alle redacties hebben kennis gemaakt met zijn bulder- en dreigtelefoons. En het strafste: het werkte nog ook. Democratie en vrije meningsuiting in een liberaal perspectief.

Een beetje oorlog

De ontploffing van de zaak van Dijck is echter geen gevolg van een ‘misverstand’, maar simpelweg een teken dat sommige journalisten nog wel hun werk doen. Niet deze van de Standaard of De Morgen, wel die van een marginaal sensatieblad als P-magazine, waar de betrokken escortdame als model bekend was en het spoor makkelijk te volgen was. Eigenlijk is dat een enorm affront voor Karel Verhoeven en Bart Eeckhout, die alsmaar toeteren dat ze aan onderzoeksjournalistiek willen doen maar in feite vooral het politieke milieu afschermen. Temeer omdat het eenmansspeurwerk van P-journalist Stefan Lambrechts qua middelen en mankracht niet te vergelijken is met de paar honderd inktkoelies die hun broek verslijten op de bureaustoelen van De Standaard.

Uiteraard kan enig opportunisme het betrokken blad niet ontzegd worden, wanneer het de bom uitgerekend laat ontploffen tijdens de 11-juli speech van de VP-voorzitter in het Brusselse stadhuis. En dat uitgever-godfather Maurice De Velder wat openstaande rekeningen heeft met het Vlaamse politieke establishment, is óók een openbaar geheim. Toch zet de zaak Van Dijck de scheiding tussen mainstream media en ‘alternatieve media’ op scherp. Het is weer een beetje oorlog tussen de politiek en (een deel van) de media, en dat is misschien wel goed voor de democratie.

In dat opzicht is de onthulling rond de persoon van Kris Van Dijck vooral een schot voor de boeg, en een verwittiging aan het politiek establishment dat niet alle journalisten aan de leiband meelopen. En dat ook een medium als Doorbraak zich méér dan als een luis in de pels moet opstellen. Daarvoor zit ik hier ook als columnist, niet om dromerig dagboekproza te ventileren, daarvoor hebben we andere eminente literatoren in huis.

11 juli zal nooit meer zijn zoals voorheen, dit is echt iets voor de geschiedenisboeken, wie nu in het buitenland was, was op de verkeerde plaats. De Slag der Gulden Sporen is vervangen door zijn 21ste-eeuwse versie, namelijk een reeks GSM’s die afgaan in het Brusselse stadhuis, waardoor de man in het sjiekste harnas kennis maakte met het slijk. Symbolischer kan niet. Ongetwijfeld zal het establishment in het verweer gaan en mag bijvoorbeeld journalist Stefan Lambrechts een dagvaarding in zijn bus verwachten zoals mevrouw Van Dijck al aankondigde. Of zoals Ignace Vandewalle (‘De illegale Ghelamco arena’) te beurt viel.

Dat zijn gekende intimidatietechnieken tegen de vrije pers. Of misschien wordt er zelfs een soort opgelegd protocol van zelfcensuur gefabriceerd. Hallo Pol Deltour van het VVJ en het Meldpunt voor Agressie tegen Journalisten? -‘Uw correspondent kan uw oproep momenteel niet beantwoorden, probeert u het later nog eens.’

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | 15 reacties

Eddy Merckx, de laatste vriend van Koning Filip

FilipEddy2Zoals alle simpele geesten heb ik me afgelopen zaterdag ergens geposteerd waar de Tour de France passeerde, meer bepaald in mijn thuisplek Overijse. Uren geduld uitoefenen en bier drinken, reclamewagens zien passeren, motards, auto’s met zwaailicht, om dan vijf seconden een peleton te zien voorbij zoeven. Waarna iedereen traag afdruipt om nog meer bier te nuttigen. Het epicentrum van heel het gebeuren lag uiteraard in de hoofdstad, en meer bepaald om en rond het Koninklijk Paleis, met vijfvoudig tourwinnaar Eddy Merkx als onbetwistbare spil.

Modelbelg

Vijftien miljoen heeft die Brusselse Tourstart naar het schijnt gekost. Een peulschil als je ziet wat men ervoor terugkrijgt: een groot volksfeest, eindelijk nog eens wat tricolore verbondenheid, en de huldiging van een oude supervedette er bovenop. De lyrische perscommentaren waren niet min, vooral De Morgen liet zich euforisch uit over de meerwaarde van het gebeuren. ‘De start  van de Tour is een cadeau voor een stad, voor een regio, voor een land’, aldus Frank Heinen. Beaamd door collega Douglas De Coninck: ‘Een epidemie van lachende gezichten in Brussel: laat ons de Tour omarmen’.  Nog lang zal deze positivistische golf voortkabbelen, zo hoopt men, tot in Izegem en Diksmuide, waar tot verdriet van de koning onlangs nog zoveel foute stemmen werden geteld.

Het feestvarken van het voorbije weekend, superatleet Eddy Merckx, is de man die dat vaderlandslievend optimisme belichaamt.  Nooit hebben wij een meer Belgische sportvedette gekend dan Merckx: zich outend als Brusselaar, fan van Anderlecht, en vooral: een grote vriend aan huis bij Filip I en familie. De voorgeschiedenis van die vaderlandsliefde is gekend en doet niets af aan de sportieve verdienste van Eddy: vlak na de oorlog geboren in het Hagelandse dorp Meenzel-Kiezegem, waar de familie Merckx aan de foute kant van de geschiedenis stond. Op 30 juli 1944 werd collaborateur Gaston Merckx (Eddy’s nonkel) door weerstanders vermoord, hetgeen tot een grootse Duitse vergeldingsactie leidde, op de beurt weer gevolgd door represailles van de Witte Brigade.

Na de oorlog trokken de Merckx’en weg uit het verscheurde dorp. Eddy’s ouders vestigden zich in Sint-Pieters-Woluwe, startten er een kruidenierszaak en werden modelBelgen, kwestie van de ‘zwarte’ prehistorie te vergeten en met een propere lei te herbeginnen onder een tricolore gesternte. Een en ander moet zich overgezet hebben op de mentale kaart van de kruidenierszoon, toen al druk trappelend op zijn fietske. Achter zijn atletische krachtsexplosie schuilde een behoefte aan Wiedergutmachung, een groots gebaar van patriottistische heroïek vermengd met een overdosis politieke correctheid. Daarom wilde Merckx altijd de perfecte Belg spelen en was vriendschap met de Koning der Belgen de bezegeling van een familiaal witwasproces. Sorry dat ik nu voor dr. Freud speel, verder heeft dat ook geen belang, we proberen allemaal onze trauma’s en frustraties te sublimeren tot iets beters, edelers, ten dienste van volk en vaderland.

De koning van het verlies

Het probleem zit hem veeleer bij zijn vriend Filip. Diens grote frustraties,- eerst een afwezige vader die in het geheim bij de moeder van Delphine hokte, daarna de slagschaduw van koning Boudewijn, en tenslotte zelf koning geworden van een uiteenvallend land- kunnen jammer genoeg niet zomaar uitgewerkt worden in heldhaftige exploten die wereldwijd bewondering afdwingen. Er vallen geen kruistochten meer te organiseren, de Belgische monarchie is een grondwettelijk verankerd eiland in een institutioneel moeras. Filip erfde de kroon van een gespleten natie en zoekt nog elke dag wanhopig naar Belgen, terwijl Jules Destrée al in 1912 schreef dat die er niet waren en nooit zullen zijn. Behalve Eddy Merckx dan. We weten waarom.

De onmiskenbare autistische aanleg van de vorst, die grondwettelijk onder meer gedoemd is om een regeringsvorming te initiëren, leidt daardoor steeds weer tot tamelijk krampachtig, soms zelfs utopisch uitziende neo-unitaire constructies. Zoals het duo Vande Lanotte-Reynders in het veld sturen om het terrein af te tasten. In feite een metafoor voor een onmogelijke vriendschap (weeral), want Johan en Didier zijn natuurlijk helemaal geen vrienden, en de twee grootste partijen aan weerszijden van de taalgrens willen zelfs niet meer met elkaar spreken.

Rien ne va plus: deze steeds weer falende hechting tussen mensen en tussen gemeenschappen maakt van Filip een tragikomische koning-nar. De monarchie heet een bindteken te zijn maar er valt niets te binden, alleen ontbinden. De zich aankondigende vechtscheiding tussen Vlamingen en Franstaligen is voor hem niet alleen een institutioneel fiasco, of een bedreiging voor zijn job, maar vooral ook de bezegeling van een persoonlijk isolement dat alleen met allerlei ceremoniële plichtplegingen kan gemaskeerd worden. Overal lintjes doorknippen, sporthelden huldigen, bij iftars aanschuiven, eens met een tram mogen rijden, het oogt leuk voor het TV-nieuws en zo bekeken lijkt die job van koning best aangenaam, maar ’s avonds moet Mathilde, aan moeders kant van oude Poolse grootadel, toch denken: met wat voor een zielenpoot ben ik getrouwd. En draait ze zich eens om tussen de lakens om naar het behang te staren.

In feite is Filip op die manier zelfs een replica van de figuur die Jan Fabre in zijn monoloog ‘De keizer van het verlies’ (1996) opvoert. Eigenlijk is dat slecht theater, maar wel adequaat als beschrijving van het Belgisch staatshoofd: een mislukkeling die binnen zijn belachelijkheid toch rituelen uitvindt die hem minstens in schijn wat rehabiliteren. De koning-clown is pathetisch, ridicuul, maar – en dat is uiteindelijk de bedoeling- wekt ook een soort medeleven op bij zijn onderdanen, wat dan bij gelegenheid toch weer tot nationale verbondenheid zou kunnen leiden. De quasi-Belgen verenigen zich dan onder een kleine koning, die één grote vriend heeft: de mythische kannibaal Eddy.

En net op dat moment komt de Tourkaravaan langs, het is alsof een geniale auteur het allemaal zo gedroomd heeft. Filip ontvangt zijn vriend Eddy ten paleize, de vloek lijkt doorbroken, de natie is één. Heel even zijn we dan Belgen en copains, en spreken we in het café slecht maar goed bedoeld Frans tegen de eerste de beste Waal. Zo heeft de koning het graag, en zo zal de periode tot 21 juli in het teken staan van een nationale eenheid die totaal virtueel is, maar waar de media en de sport toch een soort surrealiteit van maken. Met Eddy Merckx als de Messias uit het verre, duistere Meenzel-Kiezegem.

Staatsbegrafenis

Begrafenis van Boudewijn I (1993)

Ik vind dat tragikomisch hoftheater van de koning-loser belangrijk omdat het een essentiële motor is van de uitgestelde ontbinding, het welbekende temporiseren, de politieke vertragingsmanoeuvres. De koning is een sociaal gehandicapte man zonder vrienden die net daardoor sympathie oproept. We moeten dat niet onderschatten: de Belgische natie ontmantelen, liefst traag en geleidelijk, daar heeft de politiek steeds minder een probleem mee. Brussel is een knoop die we wel ontwarren of desnoods doorhakken. Maar Laken, dat is wat anders, niemand wil raken aan de monarchie. Dat is de koning onthoofden en het doek laten vallen over heel de Filipiaanse monoloog, en dat doen wij niet, wij zijn geen Fransen.

Het zijn voor de rest de sporthelden die de Belgische natie nog enige glans geven. Maar zoals Eddy Merckx komt er nooit nog een, en dat beseft Filip ook. De dwerg Van Avermaet heeft dan wel de bolletjestrui gepakt op de molshoop die de Muur van Geraardsbergen heet, maar een Hollander won de rit en voor de rest van de Tour blijven we figuranten. En zo wordt ook de vriendschap tussen Filip en Eddy iets van het verleden, een relict dat verleden zaterdag nog eens opglimpte en een epidemie van lachende gezichten opleverde. Inclusief een stijve grimlach bij de vorst zelf.

Puur dramaturgisch kunnen we dan niet anders dan uitkijken naar de dood van onze superheld, dat wordt een evenement zonder weerga. De begrafenis van Eddy Merckx zal het land nog één maal in nationale rouw dompelen met massahysterische taferelen zoals zelfs die van Boudewijn niet heeft opgeleverd. Veel geel, veel driekleur, veel fietsen in het zwart, veel schoon volk, en een nog eenzamere koning die zijn laatste vriend kwijt is. Ook die macabere ondertoon viel te beluisteren tussen het jolijt van de zich op gang trekkende Tourkaravaan in Brussel: het voorspel tot een staatsbegrafenis. Vive le vélo, Ensor is nooit ver weg als het paleis ten dans uitnodigt.

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

Aan de juiste kant van de geschiedenis

Homans3

Of ze de stoel warm hield voor Bart De Wever? ‘Ik hou alleen de stoel voor mezelf warm’, was het niet zeer gevatte antwoord van Liesbeth Homans. Dan was er nog iets met een Belgische vod die niet op de foto mocht, iets wat natuurlijk heel de verzamelde pers had opgevangen. ‘Een grapje’, verontschuldigde ze zich, ‘we waren allemaal in feeststemming’. Natuurlijk is dat niet zomaar een grapje, in old school flamingante middens is het zeer gebruikelijk om die vlag als vod te betitelen, maar Liesbeth had vermoedelijk al wat op, je wordt niet elke dag Minister-President van deze deelstaat, ook al is het maar als stoelopwarming.

Verder bracht ze op die mooie 2de julidag eigenlijk alleen maar onnozeliteiten uit, zoals het feit dat ze er als historica trots op was de eerste vrouwelijke Vlaamse M.P. te zijn. Dat brengt ons meteen op een teer punt: hoe relevant is dat? Zonder het te beseffen stelt ze daarmee zelf meteen haar competentie in vraag, alsof ze haar aanstelling te danken had aan een gynaecologische kwestie. Neen, dat is natuurlijk niet zo: ze behoort ook tot de juiste partij, is een intieme vriendin/strijdmakker van Bart De Wever, misschien was ze als gewoon minister net niet goed genoeg en moest er voor haar toch een mooie bloempotfunctie gezocht worden. Een topbenoeming is de resultante van een aantal situationele factoren, de kaarten moeten gewoon juist vallen. Dat geldt natuurlijk algemeen in de politiek, niet alleen voor mevrouw Homans.

Positieve discriminatie

Meteen komen we ook bij het dure circus dat Europa heet, en het gesjacher rond de verdeling van de topjobs die vacant waren. Toen de post van voorzitter van de Europese Raad bij de Europese liberalen belandde, lag één figuur meteen in pole position: Charles Michel, een gladde, afgeborstelde Macron-adept, zo goed als uitgerangeerd in België, maar heeft zich internationaal goed in de markt gezet tijdens de Marrakesh-affaire waarin hij vaststelde dat hij aan de goede kant van de geschiedenis stond. Handig als je dat zelf kunt.

De Fransen wilden natuurlijk nog iets extra, en schoten IMF-baas Christine Lagarde op de voorzittersstoel van de Europese Centrale Bank. De EU-buitenlandpost viel dan weer na veel bikkelen in de handen van de socialist Josep Borrell, Spaans minister van Buitenlandse Zaken. En dan is er nog Ursula von der Leyen voorgedragen als de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie. Wie?

Met alle evenwichten is rekening gehouden, zo verzekerde men ons, en Ursula is zonder twijfel het sluitstuk van een enorme oefening in hogere wiskunde. Ze is Duits, een Merkel-getrouwe en dus behorend tot de grootste fractie in het Europees Parlement, heeft zich met pro-EU-liefdesverklaringen binnen dat establishment populair gemaakt, maar vooral: het clubje mankeerde nog een vrouw voor de dubbele tango. Twee mannen, twee vrouwen aan de top, dat was een politiek-correct evenwicht waar niet aan mocht getornd worden. Haar seksegenote en IMF-topvrouw Christine Lagarde werd in 2016 door een rechtbank veroordeeld wegens nalatigheid als minister, dat is toch al een referentie, maar von der Leyen is buiten haar heimat een nobele onbekende, een kat die politiek wel altijd op haar pootjes valt maar als Duits minister van defensie toch een tamelijk belabberd parcours heeft afgelegd.

Ursula von der Leyen

En zo ruikt de aanstelling van zowel Ursula von der Leyen op Europees vlak, als deze van Liesbeth Homans op Vlaams niveau, naar enige positieve discriminatie waar rechtgeaarde feministen volgens mij zo hun bedenkingen bij hebben. Er prat op gaan dat je als vrouw een benoeming krijgt, is in se even ridicuul als uitroepen dat je aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Is het nu echt zo moeilijk om competentie als enige norm te hanteren en daar ook voor uit te komen?

Heel eerlijk, en zonder nu al die petites histoires rond amourettes en openbare dronkenschap terug op te diepen: objectief is Homans niet de geschiktste persoon om een Vlaamse regering te leiden. Ze is emotioneel tamelijk instabiel, heeft moeite met het scheiden van werk en privé-leven, heeft als Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Wonen, Steden, Inburgering, Gelijke Kansen, Armoedebestrijding en Sociale Economie nogal wat steken laten vallen, toont zich onzeker in debatten, en steekt haar gebrekkige dossierkennis iets te graag weg achter een dosis Antwerpse humor. Quotering: een zes, en dan is het nog vooral uit compassie.

Die vaststelling heeft niets met vrouw(on)vriendelijkheid te maken, het is wat het is, maar ondertussen maak ik me toch de bedenking dat er in Vlaanderen minstens een paar honderd mensen rondlopen die intrinsiek geschikter zijn voor die job, maar niet tot de juiste partij behoren, of tot geen partij, of geen vriend(in) van, of aan de foute kant van de geschiedenis, of gewoon van het verkeerde geslacht.

Vooral dat laatste maakt het allemaal tot een farce. In tijden waar het genderonderscheid meer en meer vervaagt, en vrouwen in de professionele sfeer niet paternalistisch willen beknuffeld worden, komt dat seksisme langs de achterdeur toch terug binnen in de vorm van positieve discriminatie, ritsprincipes, en de eer om een stoel warm te houden. Ook op politiek topniveau. Ja, maak er nu maar moppen van rond warme zitvlakken, broedinstinct en het feit dat de lichaamstemperatuur van vrouwen gemiddeld hoger is dan deze van mannen. Antwerpse humor, een miskend genre, Sam Van Rooy kan ervan mee spreken.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

Het tijdperk van de tip

banaanElke dag krijgen u en ik er wel een paar, via familie, vrienden, de cafébaas, Facebook, kranten en magazines: nuttige tips die het leven vergemakkelijken en/of veraangenamen. Do’s  of don’ts die niet teveel moeite kosten maar toch vrij snel effect oogsten waarna u die raad natuurlijk doorgeeft om deze wereld tot een betere plek te maken. Tips om te vermageren, te verdikken, onkruid biologisch weg te houden, alcoholvrije cocktails, voorzorgen bij hittegolf, hoe je partner of jezelf een orgasme te bezorgen, zo weinig mogelijk belastingen betalen. Ook wel negatieve suggesties zoals: nooit bier met wijn mengen of ga niet naar Bagdad op vakantie.

De tip is een openbaar geheim dat steeds meer openbaar wordt en toch zijn discreet karakter behoudt, hij wordt in een fluistertoon doorgegeven, zelfs indien gedrukt in een oplage van honderdduizend. Zo’n mysterie valt verder niet uit te leggen en dat is ook niet nodig want iedereen begrijpt het perfect.

Essentieel is de non-profit-dimensie, zeg maar het altruïstisch karakter. De tipgever is iemand die meer weet, dikwijls uit eigen ervaring, en die wetenschap ook onbaatzuchtig wil delen zonder er voor- of nadeel van te willen ondervinden, behalve enig aanzien en dankbaarheid. Daarom vind ik een reclamebord een absolute ontaarding van het tipisme: ‘Drink Coca Cola’ of ‘Stem voor X’ behoren tot het soort doe-boodschappen met maar één doeleinde, namelijk het profijt van de auteur. Dat staat voor mij op hetzelfde niveau als iemand anoniem een brief met een kogel opsturen om hem het zwijgen op te leggen. De reclame heeft de tip verkloot en gepornificeerd. Opzettelijk foute tips, om iemand schade te berokkenen, vind ik overigens al even goor.

Alleszins is, naast de onbaatzuchtigheid van de gever, ook de vrijheid van de ontvanger essentieel: een tip kan men vrijelijk negeren zonder dat men daarop wordt aangesproken. Zet oesters vijf minuten voor het opendoen in de diepvries, dan blijven ze fris in de schelp. Of doe het niet. Recepten vormen zowat de maximumstructuur: een tip met een stappenplan. En ook daar zijn afwijkingen toegestaan, zelfs aan te bevelen. Het is de stenen tafel van Mozes, vergruisd tot kiezeltjes en bevrijd van alle dwang: geen geboden of verboden meer, geen voorschriften of wetten, niet eens een reglement, maar nuttige aanbevelingen, veelal in Youtube-filmpjes aanschouwelijk gemaakt, die het leven aangenamer of minder onaangenaam maken. Het internet is eigenlijk één grote vergaarbak vol tips.  Pure levenskunst is dat, informatie die onder gelijken wordt uitgewisseld, los van alle rangorde en geheel vrijblijvend.

In se betreft het dus een zeer Epicureïsch fenomeen, Epicurus was overigens dé filosoof van de losse tips, zeer in tegenstelling tot systeemfanatici als bijvoorbeeld Plato. Op een echte leer heeft men E. nooit kunnen betrappen, want dat zag hij, zeer terecht, als een bron van ellende. Het intrinsieke amateurisme van de doe-het-zelver heeft tenslotte gemaakt dat de professionele coach, in de gedaante van de tovenaar, priester, medicus, leraar, adviseur, TV-kok, etc. heeft plaats gemaakt voor de huis-, tuin- en keukenexpert die we allemaal zijn. Laat je gazon eens twee weken doorgroeien en maai hem dan op een tandje lager: alle onkruid weg. Niet doen bij droog weer.

Burreken

Het Zoniënwoud na een tip over bloeiende hyacinten

Maar pas op. Het merkwaardige aan vele tips is dat ze zelfdovend zijn als ze massaal worden opgevolgd. Tips over een mooi plekje bijvoorbeeld, ‘nog niet platgelopen door toeristen’, of een lekker én goedkoop restaurantje. Of een alternatieve route zonder files. Wie dat soort gelegenheden promoot is een domoor, want als iedereen naar die niet-platgelopen oorden holt of de alternatieve route gebruikt, kan men het effect raden. Jaren aan een stuk gingen wij naar de Zeeuwse kust op vakantie, en raadden al onze vrienden aan dat ook eens te doen: zo rustig, ongerept, gastvrij. Het resultaat is dat sommige van die stranddorpen steeds meer op Blankenberge zijn gaan lijken, met prijzen op de menukaart die meer aan Knokke doen denken. Moraal van dit verhaal: zwijg als vermoord over die betere plek. Tips moeten ook af en toe niét gegeven worden.

Het bijvoegsel van Knack, Weekend-Knack geheten, staat vol van die zelfdovende aanbevelingen. Zo worden ons deze week Tien wandelingen in prachtige Belgische natuurgebieden aangeboden. Dat is gewoon obsceen, ik wik mijn woorden maar zo’n artikels verdienen van gecensureerd te worden. ‘Geprangd tussen de heuvels van de Vlaamse Ardennen ligt een van Vlaanderens mooiste bos- en natuurgebieden verstopt: het Burreken’, zo begint dat. En ik maak het nu nog erger door het artikel ook nog eens te citeren: allen op naar het maagdelijke Burreken waar straks een kuisploeg de her en der slingerende plastic flessen, sigarettenpeuken en condooms zal bijeen rijven, wat ons naadloos bij het onderwerp van mijn vorige column brengt: de files op de Mount Everest, vol gelegenheidsalpinisten die een tip kregen. Zie ook het ecotoerisme op de Galapagos-eilanden, nu omver gelopen door rijke groenen: had Darwin er maar niet over gerept. Niet alles moet gecommuniceerd worden, geheimhouding is soms de beste strategie om dingen niet kapot te maken.

Afgezien van deze valkuilen blijf ik een enorme aanhanger van de vrijblijvende aanbevelingen en vind ik elk gebod of verbod een zwaktebod. Wat alu-folie rond het punt waar bananen aan mekaar zitten, dan worden ze minder rap bruin, meer moet dat niet zijn. Is dit echt het einde van de geschiedenis, of komt er nog een tijdperk na dat van de tip? Ja, als ooit eens iemand al die nuttige tips weet te verzamelen en weer tot één grote Tip herleidt. Zo’n morele Einstein verschijnt elke duizend jaar, ik hoop de volgende niet te hoeven meemaken. De Tip met hoofdletter, verpakt in een systeem, is pure terreur, de verkondiger een kwelling voor de mensheid, ik ga geen namen noemen, u kent ze ook.

Laten we de Grote Boodschap dus zo lang mogelijk uitstellen door de banaan als maatstaf van alle dingen te nemen. Strooi ze kwistig rond, de tips, en pik ze ook op. Interpreteer ze naar goeddunken, varieer en pas ze aan, geef ze door en vind vooral ook nieuwe uit. Laat geen veralgemeningen of grote wijsheden toe, blijf op de begane grond. Weer elke zweem van eigenbelang bij de tipgever, denk alleen aan het uwe. Ik laat u, voor dit zelf een grote boodschap wordt.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Na de toeristen de kuisploeg

vuilnisHet hilarische verhaal van de file aan de top van Mount Everest, waar honderden gelegenheidsalpinisten in de bijtende kou en quasi zonder zuurstof hun beurt afwachtten om op de spits de selfie van hun leven te nemen, wordt nog hilarischer door het nieuws dat het daar ook bezaaid ligt met achtergelaten plastic, flessen, verpakkingen, tot en met complete tenten. Elf duizend kilo afval haalde het Nepalese leger op aan het einde van het klimseizoen. Met de glimlach. Het toerisme is een belangrijke bron van inkomsten voor de Himalayastaat, en voor zo’n klimvergunning alleen al betaal je zo’n 11.000 dollar. Daarvoor mag je al eens een conservenblik weggooien.

Idem dito de jaarlijkse berichten over de grote festivals genre Tomorrowland: het achterlaten van rommel is er een traditie, ook daar schiet een kuisploeg welgemoed in actie als de jongens en meisjes weer naar huis zijn. En nu bereiken ons ook beelden van het Noordzeestrand na het eerste zomerweekend: 25 ton afval wordt daar geruimd, mensen laten werkelijk alles achter. Strenge boetes? Neen, daar beginnen we liever niet aan. Want, zegt Burgemeester Daphné Dumery (N-VA) van Blankenberge: mensen komen hier voor hun plezier, we willen geen politie op het strand, hoogstens wat sensibilisering.

Dat is echt wel een doordenker: is rommel weggooien op zich dan ook een vorm van vakantiegenoegen? Ja dus, althans in de optiek van mevrouw Dumery. Blankenberge verdient aan de toeristen en de kuisploeg is gewoon een onderdeel van de dienstverlening, zoals de vuilnisophaling of de strandredders. Een verantwoorde vaste kost voor dé favoriete badplaats van Groot Antwerpen en de belendende parkings. Smijten maar, jongens, het is allemaal inbegrepen.

Pampercultuur

Theodore Dalrymple: ‘De zachte aanpak werkt averechts…’

In wezen gaat het aan de Himalaya, op Tommorowland of in Blankenberge om hetzelfde pervers effect: net omdat er een kuisploeg is, denkt men dat rommel achterlaten ook mag, waardoor het fenomeen nog toeneemt. Hetzelfde speelt zich uiteraard af op huiselijk niveau: niets zo’n fout signaal als de kamer van zoon- of dochterlief regelmatig opruimen. De dag daarna ligt het er opnieuw bij als een stal.

Dat leidt verder tot een paar socio-politieke bedenkingen, rond de verzorgingsstaat bijvoorbeeld, die ik van mezelf niet verwacht had. Trekt de werklozensteun werklozen aan? Creëert het OCMW armoede? Leidt de terugbetaling van doktersbezoek en geneesmiddelen tot medische overconsumptie? Theodore Dalrymple heeft daar al zijn licht over laten schijnen, zijn oordeel is keihard: hoe zorgzamer de staat, hoe meer de burger zich gedraagt als een lui, verwend kind. Dalrymple beschrijft de fameuze pampercultuur als een infantilisering, het behandelen van de burger als een kleuter waarvan men geen verantwoordelijkheidsgevoel kan verwachten. De cultuur van het sentiment maakt de mens narcistisch, en is o.m. verantwoordelijk voor al die softe sensibiliseringsprogramma’s die niks uithalen en op de duur zelfs de daders tot slachtoffers herleiden.

In de plaats van de politiek-correcte hulpverlener-strandopruimer pleit Theodore Dalrymple voor meer harde repressie: boetes, gevangenis, of laat iemand die betrapt wordt op sluikstorten eens een hele dag blikjes en peuken oprapen. De West-Vlaamse provinciegouverneur Carl Decaluwé is ook geneigd tot de harde aanpak en wil de mensen ‘treffen in hun portefeuille’. In Singapore levert het op straat gooien van een kauwgom een boete van omgerekend 600 euro op. Effectief is het wel, maar wie wil nu in zo’n politiestaat wonen? Uiteindelijk rijdt ook die Dalrymple-visie zich vast in een doemscenario, dit keer dat van regelstaat die alles verbiedt wat niet is toegestaan, de Big Brother samenleving van controle en verklikking, camera’s op elke hoek van de straat.

Een dilemma zo lijkt, tussen de verkleutering of het behandelen van elke burger als een potentiële crimineel. Misschien ligt de oplossing dan toch weer in een soort identitaire weefselversterking die spontaan zou leiden tot een proper strand, zoals de meeste dieren ook niet aan nestbevuiling doen. Geen geknuffel, geen strenge hand, maar gewoon basic instinct en wat aangebracht thuisgevoel, het besef dat het strand van ‘ons’ is. Daarvoor moet het er ook wel uitzien zoals thuis en dienen er voldoende herkenningsfactoren te zijn. Voorlopig zijn er in Blankenberge maar weinig vrouwen in boerka gesignaleerd, wordt er meer Aaantwaarps gesproken dan in Antwerpen, en zijn Jacky Lafon en Luc Caals vaste gasten in ’t Witte Paard, dat zou dus toch moeten lukken. Voor meer cultuur van eigen bodem, afspraak aan het naaktstrand van Bredene.

 

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Mijnheer broeder zon:de panelen, anders bekeken

panelenWe zijn aan het einde van de eerste hittegolf dit jaar: een goede gelegenheid om iets over de zon te schrijven, soms ongenadig brandend, maar zonder dewelke op deze planeet geen leven mogelijk zou zijn.

Eerst een paar prozaïsche bedenkingen. Het uitrollen (zo heet dat) van de zogenaamde slimme meter verloopt niet zonder slag of stoot. Al in 2009 besliste Europa dat de lidstaten tegen het jaar 2020 bij 80% van de gezinnen de klassieke mechanische meter moesten vervangen door een digitaal exemplaar. Zogezegd is dat ding bedoeld om uw verbruik te monitoren, aan te zetten tot zuinig omspringen met elektriciteit, én beter af te stemmen op de stroom die elk moment op het net voorradig is. Zet je bijvoorbeeld de wasmachine aan in daluren, dan verbruik je aan een lager tarief dan wanneer er krapte ontstaat. Dat is de theorie. Maar zoals Jan Van Der Steen er in Doorbraak op wees, zitten er achterkantjes aan het systeem.  Via die meter willen de producenten niet langer aan een vaste prijs leveren, maar de dagelijkse schommelingen op de markt voor 100% aan de consument doorrekenen. Handig voor hen, en denk maar niet dat hierdoor de tarieven zullen dalen. Integendeel, heel de installatie plus de bijbehorende apps komen op uw rekening.

In eerste instantie komen de eigenaars van zonnepanelen aan de beurt. De Vlaamse overheid wil namelijk precies weten wie er wanneer en hoeveel stroom produceert. Meer globaal gaat het erom dat het grote netwerk (de producenten plus de distributeurs) de kleine producenten (de bezitters van zonnepanelen dus) wil controleren en integreren in hun strategie. Commercieel en technisch. Met andere woorden:de slimme meter is vooral een moeial, een soort spion van de overheid én de grootindustrie in uw huis. De burger, ook diegene die zelf stroom maakt, dient zich te blijven onderwerpen aan de wetten van de energiemarkt en aan de Vlaamse energieregulator VREG, die nu, o ironie, in proces is gegaan tegen zijn eigen overheid omdat die zich met de terugdraaiende teller had bemoeid.

Concreet leven wij vandaag grotendeels in een nucleair energiesysteem dat in handen is van een Franse multinational die ongeveer doet wat hij wil met zijn vijf centrales, en waarvan de kleinere leveranciers stroom kopen. De ingewikkelde factuur, waarin de productie-, distributie- en administratieve kosten worden opgenomen, is voor de overheid dan nog eens een middel om allerlei belastingen te heffen. De Vlaming baalt van heel dat gedoe waarin de Van den Bossches, de Marghems, de Turtelbomen en de Tommeleinen gekke sprongen maken met altijd diezelfde multinational die de dans leidt.

Dat brengt ons tot de kern van de zaak: wie zonnepanelen plaatst doet dat niet altijd alleen maar voor het rendement, de certificaten en omdat de banken dat als investering ooit aanraadden. Er zit een dieper liggende emotionele impuls onder, en ik spreek van ervaring: het plezier om je eigen energie op te wekken, zich los te wrikken van het bevoogdende systeem en zijn netwerken, de opgeheven middenvinger opsteken naar Engie Electrabel, en ergens contact te maken met een groter, natuurlijk geheel waarvan de zon het voedende middelpunt is.

Radiante cun grande splendore

Manuscript van het Zonnelied (fragment)

Mensen met zonnepanelen zijn dus ook een beetje zonnekloppers met een anarchistisch-autonomistische ingesteldheid. De zon schijnt voor iedereen, zei de straatfilosoof Diogenes al toen hij Alexander de Grote verzocht om wat uit zijn zon te gaan. Mocht het technisch mogelijk zijn, men zou de aarde overkappen om het zonnelicht te verkopen en er belastingen op te heffen. Helaas: zo’n goed gericht zonnepaneel op uw dak communiceert doorheen de dampkring rechtstreeks met een ster, 150 miljoen km van onze planeet verwijderd, die zelf werkt als een reusachtige kernreactor, maar dan eentje zonder afvalprobleem.

Meteen zitten we in een breder verhaal van een oeroude zonnecultus, van de Egyptische beschaving, over de Kelten en de Germanen tot de Azteken. Onze reisjes naar Nieuwpoort-Bad, Benidorm of Ibiza kan men uiteraard zien als uitwassen van het massatoerisme, maar het zijn ook rituelen waarin de mens de zon zoekt en aanbidt, wat mits goed insmeren best aangenaam kan zijn.

Een van dé hoogtepunten van deze sacrale beleving rondom de ster die ons verlicht en verwarmt, is zonder twijfel het Lied aan Broeder Zon (Cantico del Frate Sole) van Franciscus van Assisi, geschreven omstreeks 1225. Het lied bezingt de goddelijke schepping maar,- en dat is bijzonder,- personaliseert tegelijk opnieuw de natuurkrachten in een heidens-pantheïstische toonaard. ‘Mijnheer broeder zon’  vervult daarin de hoofdrol, en wordt geroemd als bron van alle leven op aarde:

Laudato sie, mi signore, cun tucte le tue creature/ spetialmente messor lo frate sole/lo qual’è iorno, et allumini noi per loi./ Et ellu è bellu e radiante cun grande splendore/ de te, altissimo, porta significatione.

(Wees geprezen, mijn Heer met al uw schepselen/ vooral mijnheer broeder zon/ die de dag is en door wie gij ons verlicht./ En hij is mooi en straalt met grote pracht/ van U, allerhoogste, draagt hij het teken.)

Franciscus was een hippie avant-la-lettre, dat is zeker, maar er zit ook een politieke draai in zijn Zonnelied, namelijk een radicale afwijzing tegenover de machten die ons usurperen en ons van de natuur vervreemden. De slimme meter bijvoorbeeld.

Dat brengt ons terug bij het verhaal van de zonnepanelen, en waarom ze als altaren naar de hemel gericht zijn. De klimaatopwarming wordt ons als apocalyps voorgesteld, een planetaire ramp. Dat we ons zullen moeten aanpassen aan meer extreem weer is een feit. Maar de wetten van de fysica spelen in ons voordeel. Volgens die wetten is er wel een koudegrens (het absoluut nulpunt zijnde – 273° C) maar geen warmtegrens. Warmte is energie, dus hoe warmer het wordt, hoe mee energie ons ter beschikking staat, hoe kouder we het binnen kunnen maken via de warmtewisselaar ofte airco. Dat is een ironische wenk van Broeder Zon: warmte brengt koelte, als we het hoofd maar koel houden.

Warmte kan ook als energiebron dienen voor ontzilters van zeewater, CO2-stofzuigers, elektrische auto’s, kortom, hoe warmer hoe gezelliger, laat de zon maar schijnen. Ik stel het nu misschien wat rooskleurig voor, maar men moet zich realiseren dat er aan de klimaatopwarming ook voordelen zijn. De batterijen vormen vooralsnog de Achillespees: qua opslag van elektrische energie is dringend fris denkwerk nodig want die klassieke accu is al een eeuw oud.

Acte van Verlatinghe

Interessant tenslotte is ook dat het Zonnelied van Franciscus in een Italiaans dialect is geschreven, meer bepaald het Umbrische van zijn geboortestreek. Daar zit een symboliek in: de zon is een kosmische kracht en schijnt voor iedereen, maar hij distribueert zich ook regionaal, plekgericht, en moedigt opnieuw aan tot zelfvoorziening. Kleinere gemeenschappen kunnen off-grid gaan, zoals dat heet, zonnecentrales oprichten en zich eventueel loskoppelen van het net. De staat wil dat niet, de EU evenmin, de grote producenten nog minder. Het gaat dus gepaard met een ontvoogdingsproces via een rechtstreekse captatie van natuurlijke energiebronnen.

Dat leidt tot een heel ander soort democratie, noem het een basisdemocratie waarin individuen en groepen een veel grotere armslag krijgen. De mens is niet gemaakt om door een slimme meter dom gehouden te worden, de mens is gemaakt om zijn vrijheid actief en positief te beleven. Vlamingen zijn individualisten en houden van kleinschaligheid, dat is een opportuniteit.

Het is onder meer via die piste dat in Vlaanderen het ecologisch licht moet aangaan: zelfbeschikking en identiteitsbeleving. Elk huis zou een kleine energiecentrale op zich kunnen worden. Een acte van Verlatinghe, los van het Electrabel-universum en de fiscus: iedereen producent. Of hoe het stuntelige Belgische energiebeleid en de arrogantie van Engie tot libertarische pistes leiden. Het grootste afschakelplan moet zich in onze hoofden afspelen. De groene partijen hebben daar nul komma nul affiniteit mee, ze blijven zich opstellen als waterdragers van het establishment, Calvonisten die de burger vooral willen betuttelen, terechtwijzen, soms zelfs moreel chanteren zoals met het klimaatverhaal: men wil het vooral ingewikkeld maken, een zaak van formulieren en attesten, het zonnelied verdrinkt in bureaucratisch gezwam. En dat allemaal in het land der Belgen, de door Julius Caesar vermelde Keltische stam… genoemd naar hun zonnegod Belenos.

Tijd dus voor een positief verhaal. Het beste ligt voor ons, en de wetenschap heeft nog een grote taak te vervullen inzake duurzame energie. Aan alles komt natuurlijk een einde, ook aan de zon en meteen aan ons zonneklopperstatuut: binnen 5 miljard jaar zal de waterstof in de kern opgebrand zijn, slokt hij eerst als rode reus alle planeten op, om dan te verschrompelen tot een witte dwerg, het eindpunt van alle sterren. Dan helpt insmeren natuurlijk niet meer, en is het inpakken en wegwezen. Maar in tussentijd kan het nog best gezellig worden, moeten we de slimme meters te slim af leren zijn, en zal blijken dat vergroening nog iets anders betekent dan het opzadelen van de burger met een schuldcomplex. Laat de leut en de poëzie schijnen over de panelen, naast bezetenheid van de doe-het-zelver, wetenschap en intellectuele creativiteit, een tikkeltje dwars en eigengereid, maar ook met liefde voor de plek die de onze is, een vleugje mystiek en zin voor het grote geheel, radiante cun grande splendore. Amen.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Anders groen | 2 reacties

De senaat: dood en onvergankelijk

SenaatHet is Mark Eyskens die ooit op zijn visitekaartje Minister van staat in ontbinding liet drukken. Dat is geestig gevonden, maar er zit nog een fameuze dubbele bodem onder. Een normaal, natuurlijk ontbindingsproces heeft te maken met afsterven en plaats maken voor nieuw leven, met het ongedierte als opruimers. Maar de opruimers krijgen bij ons geen kans en er komt ook geen nieuw leven: België overleeft zichzelf omdat het zijn ontbindingstijd bevroren heeft. De achtereenvolgende staatshervormingen illustreren dat perfect: ze maken deel uit van een techniek van het uitstel, een verdaging naar de Griekse kalenden zoals dat heet, waardoor het einde nooit bereikt wordt.

Traagheid en temporiseren zijn de sleutelwoorden, ook vandaag in het post-electorale afkoelproces. België heeft geen normale geschiedenis, geen verloop, geen ontwikkeling, enkel een toestand van organen buiten werking die in een steriel medium zijn gedrenkt en nog eeuwen kunnen meegaan. Staatslieden zijn bij ons vooral meesters in de conservatie, vader Mark Eyskens was trouwens een van de grootste. Alle vitale sappen worden uit de staat geëxtraheerd, en in de plaats wordt een politiek-institutioneel serum gespoten dat alle organische processen, dus ook de afbraak,  stopzet. Onwillekeurig komen ons exposities voor de geest genre Körperwelten van de anatoom Gunther von Hagens, die een speciale techniek ontwikkelde, de plastinatie, om dode lichamen perfect te conserveren. En daar wereldwijd furore mee maakt.

Het Belgisch koningshuis, met aan het hoofd een vorst die beweegt als een zombie, toont ons daarvan een mooie choreografie die alle kunstzinnige evocaties rond dood en mummificatie in de schaduw stelt. Het is puur genieten van 21 juli en de jaarlijkse Kersttoespraak. Daarnaast is er een instelling die deze dodendans quasi evenaart: de senaat. Sinds het vlinderakkoord overbodig, werkloos, maar niettemin een realiteit die duurzaamheid uitstraalt net door zijn afwezigheid van activiteit. Vijftig deelstaatsenatoren en nog eens tien gecoöpteerde senatoren, onder de partijen verdeeld, worden afgevaardigd om één keer per maand zich te bekwamen in het niets te doen en niets te beslissen. Ze zijn een ‘ontmoetingsplaats tussen de gemeenschappen’, een poëtische manier om een kast met opgeprikte, in formol gedrenkte vlinders te omschrijven.

Een ware metamorfose

Körperwelten (Brussel, 2008): zo speel je met kaarten, door de kiezer geschud

Coöptatie, wat een wonderlijk woord. Talloos zijn de columns en artikels, zelfs wetsvoorstellen, waarin voor de afschaffing van de senaat wordt gepleit, maar het is pantomime, voor de galerij, en de auteurs weten dat ook. Voor die afschaffing moet namelijk de grondwet herzien worden en dat is voor de volgende legislatuur al uitgesloten. Dat een gecoöpteerd senator toch een goeie 3.600 euro bruto per maand verdient om zich aan de leegte te wijden (de anderen krijgen sowieso hun vergoeding als parlementslid) is één zaak. Echter, nog opmerkelijker dan de nutteloosheid van de instelling, is de manier hoe gecoöpteerde senatoren er plots wél de zin van inzien. Het kan zijn dat ze maar wat raak kletsen om zich een houding te geven, maar misschien is het wel het gevolg van een echte metamorfose, eentje zoals Bert Anciaux (SP.A) er al een aantal heeft doorgemaakt.

’Een schoonheidsfout’ noemde Bert ooit het fenomeen dat er nog steeds 10 gecoöpteerde senatoren vegeteren in de Senaat. ‘In de praktijk wordt het veelal gebruikt om niet-verkozen politici ‘op te vissen’, wist hij. Nu wordt hij zelf opgevist, toont zich ‘blij verrast’ en wil ‘een creatieve invulling geven aan zijn functie’. Ik geloof hem, dit is echt voortschrijdend inzicht. Ook de mummie naast hem, de gecoöpteerde Mark Demesmaeker (NV-A), lid van de partij die voortdurend beweert de instelling te willen afschaffen, bezingt zijn finale transformatie in de meest lyrische bewoordingen: ‘De Senaat is overbodig, maar zo krijg ik de mogelijkheid om in de Raad van Europa of de OVSE te blijven werken rond mensenrechten. Maar dat betekent niet dat we de Senaat nieuw leven zullen inblazen’.

Let op de subtiele formulering ‘ geen nieuw leven inblazen’: de senaat is dood, maar niet vergankelijk. Wie de senaat betreedt, wordt dus in principe onsterfelijk, zoals de instelling én zoals de staat zelf. Herman De Croo (Open Vld) zei ooit: ‘Als de kiezer dat wil, blijf ik Kamerlid tot aan mijn dood. Daarna verhuis ik naar de Senaat’. Elke politicus, van welke partij ook, wil eindigen in een gemummificeerde toestand, onze democratie is er een van grote en kleine would be-Farao’s.

Telefoonjournalistiek

Zo wordt de senaat het meest perfecte Belgische lichaam en de coöptatie de bezegeling van een conserveringsproces. Confederalisme? Dat was al een ersatzproduct voor Vlaamse onafhankelijkheid, waar niemand nog over spreekt. Maar ook die Belgische confederatie komt er niet tenzij in een minimalistische vorm, let op mijn woorden. Achter de eeuwige lach van Bert Anciaux, maar ook het getouwtrek van Bart De Wever en Elio Di Rupo, glimmen de Körperwelten en worden we ons bewust van het feit  dat we allen min of meer verdwaalde bezoekers zijn in een ietwat luguber museum. Zoeken naar de uitgang, een misschien niet geheel nutteloze bezigheid.

Op de pers moeten we niet rekenen. Ik heb de indruk dat zelfs gerenommeerde Wetstraatjournalisten niet weten hoe België in mekaar zit. Over de dagjespolitiek, wat ze in de wandelgangen en aan de dis hebben opgevangen, ja, daarover kunnen ze onderhoudende columns volschrijven, elke dag weer. Maar het DNA om het zo te noemen, de essentie van de nv België, ontgaat hen compleet. ‘Het zijn voor ons moeilijke tijden’, lamenteren Bart Brinckman en Liesbeth Van Impe op televisie, ‘we bellen naar politici, (waarvan ze natuurlijk alle telefoonnummers hebben), ‘en ze laten het achterste van hun tong niet zien, wij moet maar gissen, ze zeggen A en doen B’. Dat is tekenend voor het soort telefoonjournalistiek waar de mainstream media zich mee bezig houden.

Ze zouden beter wat minder bellen, wat minder gaan eten, en wat meer studeren. Dan zouden ze misschien opmerken dat de politici niet over België beslissen, maar andersom. En dat alle politieke charades, ook de huidige, zich maar afspelen als tijdverdrijf in een land waar de tijd gewoon stil staat. De koning houdt zijn beslissing in beraad, de senaat is al geïnstalleerd, en meer hoeft dat niet te zijn. SPQB.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie