Eliud Kipchoge had ook gewoon een fiets kunnen nemen

marathonHet werd hier al eens gezegd: grote bewondering voor Oost-Afrikaanse hominiden (zeg niet mensapen) als Eliud Kipchoge, die onlangs in Wenen de twee uur-muur van de marathon doorbrak. Het gaat hier om nakomelingen van veedieven die dankzij hun lange beenspieren in één nacht met gestolen beesten naar huis konden spurten, soms honderd kilometer ver doorheen de savanne. Daarbij vergeleken is een marathon een stadswandeling. Onze voorouders daarentegen zijn boeren en handelaren, waarvan we witte papperige benen of ellendige sprietjes erfden. Slim en sluw werden we wel, maar soms ook weer vadsig. Het superioriteitscomplex van de blanke zit hem in de korte spieren (naar de markt gaan, de lijfeigene van de zweep geven), de fijne motoriek (van centen tellen tot piano spelen), en vooral: goed kunnen liegen (voorwaarde om kapitaal op te bouwen).

Afrikanen met lange benen willen we hier niet, hun lichaam is gewoon gemaakt om ons vee en onze vrouwen af te pakken. Behalve in het voetbal: daar is de zwarte koning. Bekijk onze grasmatten en zoek vergeefs naar een bleekgezicht, het lijkt de competitie van Ghana of Burkina Fasso wel. Op een of andere manier heeft de sportwereld de savannecrimineel omarmd en hem een plaats gegeven in het middenveld, de zone waar het meest gelopen wordt. Waar is de blanke man met zijn papspieren dan gebleven, afgezien van snelwandelaars als Hazard of De Bruyne? Het antwoord is simpel: niet langer op maar veeleer rond het veld, als trainer, coach, sponsor, makelaar (dikwijls met een familienaam eindigend op -vic), de man die het overzicht heeft en dirigeert, verhandelt. De aloude veehandelaar is helemaal terug en alle gestolen paarden zijn opnieuw op stal. Hier valt nu geld te verdienen.

Laserstraal

De slimme witte man (Jim Ratcliffe, CEO van Ineos) en de sterke Afrikaan (Eliud Kipchoge): een gouden combinatie

Of hoe voetbal ook zonder oerwoudgeluiden wel een racistische onderbouw vertoont. Dat brengt ons opnieuw bij het fenomeen Eliud Kipchoge. Een fantastische atleet. Maar heel dat recordgebeuren was vooral één grote reclamestunt van Ineos, een Brits chemiebedrijf van niet onbesproken reputatie (bij ons bekend van de neer te poten plasticfabriek in de Antwerpse haven, op basis van vervuilend schaliegas) dat naar verluidt 15 miljoen euro in de onderneming investeerde.

Naast heel de marketing- en merchandisingmachine is de technische omlijsting van de recordpoging zelf indrukwekkend, om niet te zeggen grotesk: 41 ‘hazen’ die hem op snelheid moesten houden, alles netjes tussen de stippellijnen van het parcours, een autocolonne om de luchtweerstand te breken, en een laserstraal die hem precies aanwees waar en hoe hard hij moest lopen op zijn supersonische Nikeschoenen met carbonzolen. Stoppen om proviand op te doen, zoals bij een klassieke marathon, was er uiteraard niet bij: Kipchoge werd via een soort telescopisch systeem van vloeibaar krachtvoer voorzien. En heel vreemd, de atleet werd  daarvoor niet uitgejouwd als een valsspeler, integendeel, de laserstraal en alle bijkomende gadgets leken de menigte nog extra te begeesteren.

We staan nog maar aan het begin van deze techno-sportieve evolutie die later ook ons dagelijks leven veel vreugde en comfort zal bezorgen.

Akkoord, u en ik gingen ook met al deze hulpmiddelen het record niet breken, we lagen al na een paar kilometer op het asfalt. Maar daar gaat het niet om. De kwestie is dat de sportieve prestatie langzaam maar zeker ondergeschikt wordt aan de technische ondersteuning. Waarbij vergeleken klassieke doping maar kinderspel is. We staan nog maar aan het begin van deze techno-sportieve evolutie die later ook ons dagelijks leven veel vreugde en comfort zal bezorgen. Die luchtweerstand, daar kan nog veel aan gedaan worden, er kan een compleet vacuüm voor de loper gecreëerd worden. Verder zijn er natuurlijk de cyborg-ideeën. Waarom Eliud geen derde been aanreiken? Of een propeller in zijn Keniaanse anus? Of beter nog, als hij nu gewoon een fiets neemt (steelt) is de klus al na een kwartier geklaard.

Cynische rede

De wenende knecht Dario Gomez Becerra tijdens het WK wielrennen, met een platte band en zonder hulp: het is niet eerlijk

Reken dus maar dat ook het huidige marathonrecord snel zal sneuvelen dankzij het betere laboratoriumwerk en de witte jassen. In dit technisch-sportief perspectief bestaat vals spelen niet en geldt inderdaad het motto van Ineos dat Kiploge de dagen voor zijn recordpoging eindeloos herhaalde: ‘No human is limited’. Maar aan die slagzin hangt een vreemde geur, jawel, deze van de man aan de zijlijn die het renpaard in het gareel houdt, nadenkt over nog meer en nog beter, en ook zoveel mogelijk Nike-sportschoenen wil verkopen.

De mens is grenzeloos, als het erop aankomt van de spelregels die hij zelf uitvond te vervalsen.

Laten we alle morele bezwaren ter zijde laten, maar ook niet doen alsof sport gewoon maar sport is. De mens is grenzeloos, als het erop aankomt van de spelregels die hij zelf uitvond te vervalsen. Het Olympische ideaal is het meest belachelijke en hypocriete dat ooit is verzonnen. De cynische rede van de veehouder-koopman-coach, die met zijn lasterstraal het sportieve exploot tot in de puntjes regelt, laat een spoor achter tot in de schemerwereld van gokken, omkoping en matchfixing. Het komt erop aan de beste te zijn met alle geoorloofde middelen, én met de ongeoorloofde voor zover die niet ontdekt worden. Dat wist Machiavelli al, de Russen passen het principe met enthousiasme toe, in de sport en daarbuiten, niet toevallig dat ze overal ter wereld verkiezingen manipuleren.

Terwijl ik op mijn oude gietijzeren fiets de hellingen in de Druivenstreek puffend bestijg, halen oudjes van 80 en meer me fluitend in op hun Speedelec. Geen bewondering maar minachting lees ik op hun gezicht. Zij hebben natuurlijk ook die verpulvering van het marathonrecord op TV gezien, en weten dat armen en benen zonder een hoofd dat nadenkt, uitvindt, chipoteert iets euh… uit de Afrikaanse prehistorie is. I say no more.

 

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | 8 reacties

Toulouse-Lautrec, of de absurditeit van de ‘overzichtstentoonstelling’

LouvreZopas opende het Grand Palais te Parijs zijn deuren voor een grootse overzichtstentoonstelling rond de 19e-eeuwse schilder Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901). Dat ging gepaard met een ongeziene verhuisoperatie. Wereldwijd, o.m. uit Moskou, Chicago, Los Angeles, New York, São Paulo, Doornik, Amsterdam, Kopenhagen, werden in totaal 228 werken overgevlogen naar de stad die zich nog steeds als de culturele navel van de wereld beschouwt.

Toulouse

Henri de Toulouse-Lautrec.

Afgezien van het kostenplaatje (alleen al de verzekering van het transport) is er wat te doen over de voetafdruk van deze logistieke huzarenklus. Zo’n slordige 100.000 km (vooral) vliegen en bollen om al die prenten tot in het Grand Paleis te krijgen, niet meegerekend uiteraard de verplaatsingen van het publiek dat vanuit alle hoeken van de planeet deze overzichtstentoonstelling ‘moet’ zien. Dat zijn tonnen CO2 die de lucht ingespoten worden, maar voor cultuur moet men iets over hebben, te meer daar de tentoonstelling onder het motto ‘Toulouse-Lautrec. Résolument moderne’ (‘absoluut modern’) vliegt. De marketingmachine draait op volle toeren. En Parijs is altijd een bezoek meer dan waard, zeker in goed gezelschap.

Edoch, wat is de intrinsieke zin van zo’n megalomane ‘overzichtstentoonstelling’, behalve dat de plaatselijke horeca er beter van wordt? Een paar cultuurfilosofische bedenkingen.

Op zoek naar de uitgang

museumZoals elke toerist bezochten we in Parijs ooit het Louvre, dé grot van Ali Baba op artistiek-picturaal vlak. In het begin probeer je elk schilderij toch een blik te gunnen. Maar het Louvre stelt zo’n 35.000 werken ten toon (slechts een tiende van wat nog in de kelders staat), waaronder die verdomde Mona Lisa waarvan we toch een blik willen opvangen tussen de drummende menigte. Na twintig zalen begint de maag te grollen, wordt zoonlief lastig en op het einde renden we gewoon doorheen de gangen naar de verlossende sortie, ongetwijfeld grote meesterwerken miskennend.

Wat leert ons dat over de grote museale complexen? Dat ze het artistiek plezier vooral bederven, alleen al door de veelheid van ten toon gestelde objecten, de dwanggang, het neurotisch alles moeten/willen zien én verstaan. Zowel de bezoeker als het werk ondergaan het instituut. Musea zijn begraafplaatsen voor kunst; bureaucratische, zwaar gesubsidieerde cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk. Het is vervreemd van de ruimte rondom zich, tenzij dan via de ‘context’ die in ronkende catalogusteksten en via de oortjesgids uit de doeken wordt gedaan. Geeuw.

Musea zijn begraafplaatsen voor kunst, bureaucratische cultuurmagazijnen waarin een kunstwerk niet kan ademen en de ver-veling domineert, letterlijk.

Fuck dus de overzichtstentoonstellingen, de retrospectieves. Laat die dingen waar ze zijn, ook zonder CO2-boekhouding.  Hoe kleiner het museum, hoe beter. De contemplatie die elk kunstwerk vraagt, dat moment van stilte en bezinning, daarvoor is namelijk tijd en ruimte nodig. Iets wat Modest Moessorgski in zijn Schilderijententoonstelling wist weer te geven. Sterker nog: afgezien van monumentale kunst, publieke decoratie en graffiti denk ik dat de eigenlijke habitat van de meeste schilderijen of tekeningen het interieur is, de huiskamer, of minstens een ruimte waar geleefd wordt.

Mijn woning herbergt een handvol van die kleinoden. Alleen gasten krijgen ze te zien. Geschonken kaders met inhoud, zoals eentje van mijn vriend Frank Van den Veyver, en een paar eigen brouwsels zoals de Zwarte Madonna in de gang, verbonden met een eigen stukje levensverhaal zoals elk object. Misschien doe ik ze ooit wel eens weg, of geef ik Frank zijn schilderijtje door als ik het beu ben en ik nog eens ergens moet binnenkomen met iets in mijn handen. De essentie is echter dat ze tot mijn leven behoren en dat bezoekers het verhaal kunnen inademen, met of zonder woorden. Er is ook spaarzaamheid, niet aan elke muur hoeft zo nodig iets te hangen. Verderop in de tuin is er wat plaats voor kitsj en onnozele gimmicks. Geen enkele plicht om wat dan ook te zien of te doorgronden.

Denk nu niet dat ik me hier als beeldend kunstenaar of, godbetert, verzamelaar profileer: werkelijk iedereen met een dak boven zijn hoofd creëert zijn eigen ‘museum’, is zijn eigen curator, al was het maar door een muur te schilderen of ergens een poster op te hangen.

De reproductie als verlossing

Lautrec_ambassadeurs,_aristide_bruant_(poster)_1892En zo kom ik als vanzelf tot bij de gevierde artiest van het moment, Henri de Toulouse-Lautrec. We kennen hem als de mismaakte dwerg,- gevolg van inteelt in een hoogadelijke familie,- die zich onderdompelde in het Parijse nachtleven van de Belle Epoque. Als geniale observator en sarcast ontwierp hij een eigen beeldtaal die perfect aansloot bij het hem omringende universum van hoeren en hun cliënteel, danseresjes, cabaretiers, kunstbroeders, pafferige bourgeois, opgeblazen aristocraten en tutti quanti.

Maar Toulouse-Lautrec was geen schilder die aan zijn ezel ging zitten om een besteld portret te konterfeiten. Hij was vooral een succesrijk lithograaf en afficheontwerper die niet dacht vanuit het origineel maar vanuit de reproductie, en dat maakt hem echt ‘modern’. Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert. Door de reproductie wordt het werk verlost van zijn origineel en vermenigvuldigt zich, dat was ook het wonder van de boekdrukkunst.

Hoeveel mensen zouden thuis de poster Aristide Bruant dans son Cabaret niet hebben hangen, al was het maar om een lelijke plek op het behang te verbergen? Voor tien euro heb je hem, en dat lag ook in de bedoeling van deze kunstenaar: iets maken dat zich in duizendvoud verspreidt, in het bereik van iedereen. Deze diaspora gaat compleet in tegen de groteske verzamelwoede die, ironisch genoeg, ook de Toulouse-Lautrec-tentoonstelling kenmerkt, maar die subtiliteit zal de Parijse curatoren wel ontgaan.

Niet het origineel is wezenlijk, wel de mate waarin het zich kan verveelvoudigen en overal vormen van esthetisch genoegen creëert.

En zo ontmoeten het motief van het huis-museum en de diaspora van het kunstwerk elkaar: dankzij de fotografie en de drukkunst ( en misschien straks 3D-print) zijn we bevrijd van het juk van de curatoren, en mag het origineel nu rustig blijven sluimeren in een Japanse kluis. Ik heb het hier uiteraard over Van Gogh’s Zonnebloemen en de kunstspeculatie in het algemeen, de waanzinnige bedragen die voor een schilderij worden neergeteld, terwijl ook die Zonnebloemen in een uitstekende kleurweergave voor tien euro te koop zijn en in onze living een plaats kunnen vinden. Elk rechtgeaard kunstkenner zal daar nu wel bij steigeren en een discours afsteken over de geur, de fascinatie van het echte object, de textuur, de zichtbare klodders verf, het zal me worst wezen. De armoedzaaier Vincent Van Gogh, trouwens generatiegenoot en een tijd goed bevriend met Toulouse-Lautrec, heeft van de latere miljoenendans rond zijn werk alleszins nooit kunnen profiteren, hij had ze misschien ook beter onder de vorm van reproducties verkocht.

Soit, na het Louvre zakken we af naar Montmartre, indertijd dé werkplek van Henri de Toulouse-Lautrec. Een meute ‘artiesten’ hangt daar rond op zoek naar argeloze toeristen. Eentje komt op ons af, tekent mijn vrouw in vijf seconden en vraagt er honderd oude Franse franken voor. Wat doe je dan, een toerist hoort zich nu eenmaal te laten afzetten door de locals. Vreselijk, we hebben die schets hier nooit durven ophangen, ze ziet eruit als een verzopen kip, een dronken peuter had het beter gedaan.

De conclusie is dat kunst niet in een museum thuis hoort, dat is een aberratie, en dat de weg naar Parijs ons zelfs niet bij de wereld van iemand als Toulouse-Lautrec brengt. Wat moeten we er dan nog doen? Geld achter laten, Thomas Cook maakt nu toch een doorstart en de economie moet draaien en vliegtuigen moeten vliegen. Bon voyage.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

Bart Somers, de man die Bicky Burger op de kaart zette

Bicky

(* Deze column verschijnt niet in Doorbraak)

OK, wat hebben we hier allemaal? Een Hollandse fabrikant van fastfood (GoodLife Foods, of exacter een onderdeel daarvan: snackbedrijf Beckers), en een parodiërende reclamecartoon in de stijl van de Amerikaanse pop-art-kunstenaar Roy Lichtenstein (1923-1997), waarin een man zijn vrouw een optater verkoopt omdat ze met het verkeerde hamburgermerk naar huis komt. Reclame met een knipoog en een blauw oog, en met de vrouw als lijdend voorwerp. Daar moest hommeles van komen.

Schandalig en onverantwoord

NeanderdefDat de prent een vintage karikatuur is, snapt niet iedereen, al is er ook professionele tunnelvisie mee gemoeid, het fenomeen waarbij beroepsquerulanten op alle slakken zout leggen. Bieke Purnelle, voorzitter van RoSa vzw, het Kenniscentrum voor gender en feminisme, mocht het startschot geven: ‘Deze campagne suggereert dat het normaal is dat vrouwen hun man eten brengen en dat ze een sanctie verdienen als het niet naar hun zin is’. Jawadde. De boodschap is duidelijk: mannen zijn Neanderthalers die hun vrouw slaan omdat ze dat op een cartoon zien gebeuren.

Federaal minister van Gelijke Kansen Nathalie Muylle (CD&V) vindt de campagne van Bicky Burger eveneens ‘schandalig en onverantwoord’. Daarvoor heb je dus ministers: om de joligheden aan te klagen waarmee Hollanders hun hamburgers proberen te slijten. En ook Nathalie is ervan overtuigd dat mannen slechte inspiratie uit die cartoon putten: ‘Die reclame geeft de indruk dat als je thuiskomt en het eten je niet aanstaat, je als partner het recht hebt om je vrouw slaag te geven’.

Niet alleen humorloosheid dus, maar ook nog omgekeerd seksisme: ik heb veel zin om Muylle en C° aan te klagen wegens belediging van mijn natuurlijke geaardheid. Of wat dacht u van deze: ‘Het merk zet duidelijk aan tot verwerpelijk gedrag dat de fysieke integriteit van vrouwen in gevaar brengt’, getekend Brussels staatssecretaris Nawal Ben Hamou (PS). Er komt zelfs parlementaire actie, want Kamerlid Sarah Schlitz (Ecolo-Groen) zal Muylle, what ’s in a name, aan de tand voelen over deze kwestie.

Daarvoor heb je dus ministers: om de joligheden aan te klagen waarmee Hollanders hun hamburgers proberen te slijten.

Natuurlijk was dat exact de bedoeling, het is ondertussen al een oude truc onder marketeers: een schandaal creëren waardoor de reclame viraal gaat en een meme wordt, onder het nog oudere motto: negatieve publiciteit is ook publiciteit. Memes zijn per definitie flirts met politiek-incorrecte humor, uitsluitend via het internet verspreid, waarbij ze gaandeweg ook vrijelijk muteren, veranderingen ondergaan dankzij compleet ontbrekend copyright. Het is dus een nieuwe, publieke kunstvorm, en het is onvermijdelijk dat ook de reclame zich ervan bedient.

Noteer dat de bewuste cartoon géén werk van Lichtenstein voorstelt, zoals alle Vlaamse media niet weten, maar alleen in diens stijl is gemaakt, en de zoveelste variatie op een al lang circulerende karikatuur uit 1965 waarin Batman zijn sidekick Robin een mokerslag toedient. De originele Roy Lichtenstein, een artiest die ik zeer bewonder, behandelt overigens de man-vrouw-problematiek op een ironiserende manier waarin hij net vooral het vrouwelijk universum als invalshoek gebruikt. Maar dat kunnen Muylle en C° natuurlijk allemaal niet weten.

Misleidende reclame

Samen levenEn nu heeft ook Bart Somers (Open VLD) de kans niet laten liggen om een klacht in te dienen tegen die verdomde Bicky Burgers, en wel bij de Jury voor Ethische Praktijken inzake reclame (JEP). En dat wordt uiteraard uitgebreid aan de media gecommuniceerd, zodat we weten waar we de kersverse Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen (dat samenleven breit hij er zelf aan, omdat zijn boek zo heet) voor betalen: om de reclame voor frituurartikelen in de gaten te houden. Onder ons gezegd: bestaat dat, eerlijke reclamepraktijken? Is reclame niet per definitie misleidend en manipulerend, zoals politieke propaganda? Wat moeten we ons voorstellen bij een door de sector zelf opgericht ‘reguleringsorganisme’, uitsluitend bestuurd door reclamefirma’s?

Dat utopisch-multicultureel handelsmerk van Somers is óók misleidende reclame, want het veegt nogal wat onder de mat

Maar weer over naar Bart en zijn verontwaardiging. Zijn demarche is een typisch voorbeeld van de manier hoe politici zich storten op politieke incorrectheid om zelf media-aandacht op te eisen en zich als morele superman/vrouw te afficheren. Bart Somers is na Geert Bourgeois en John Crombez niet alleen de saaiste politicus van Vlaanderen, hij is ook de engel die Vlaanderen leefbaar zal maken, vriendelijk, tolerant, verbonden. Dat utopisch handelsmerk is óók misleidende reclame, want het veegt nogal wat onder de mat, zoals het toenemend moslimextremisme dat zich een hoedje lacht met de links-liberale minzaamheid van de Mechelse burgemeester, dit geheel ter zijde.

Dat Somers exact doet wat de hamburgerproducent en diens publiciteitsagent verwachten, namelijk gratis poeha maken rond een bagatel, toont al aan hoe zo iemand eigenlijk compleet de maatschappelijke dynamiek rateert en in zijn eigen sprookjeswereld vertoeft. Het reële probleem van partnergeweld heeft niks met hamburgers te maken, noch met bruin gebakken humor om deze verkocht te krijgen, maar met ontspoorde relaties waarbij dikwijls (maar niet uitsluitend) vrouwen het slachtoffer zijn. Dikwijls is de context sociale achterstand, alcoholisme en drugs, maar ook een ingewortelde macho-mentaliteit die, horresco referens, binnen één bepaalde cultuur prominent aanwezig is.

Frituristen, opgelet

frituur2Over naar de doelgroep waarvoor die fameuze reclame echt bedoeld is: de rechtstreekse klanten van snackbedrijf Beckers, zijnde de frituuruitbaters. Zij moeten ‘echte’ Bickey’s in groene doosjes inkopen en verkopen, geen namaak in grijze verpakking. In feite is die mokerslag dus bedoeld voor de man aan de frituurketel die het zou wagen spul van de concurrentie in huis te halen. Oeps, geweld onder mannen dus, al krijgt op de reclame de liefhebbende bezorgster ervan langs, cherchez la femme.

Subtiel gespeeld. Maar stel je nu eens voor dat een frituuruitbater op zijn etablissement het opschrift aanbrengt: ‘Hier géén Bicky Burgers!’, mét de fameuze prent in kwestie, wat voor een reclamestunt zou dat niet zijn? Voor de frituur wel te verstaan. Of hoe een liberale minister de middenstander de kans niet gunt om creatief met slogans om te gaan, misschien zelfs op dwingende suggestie van zijn echtgenote.

We hebben Bart Somers niet nodig, noch de JEP, noch RoSa, om die Bicky Burger in de vuilbak te keilen.

De idee dat mannen hun vrouwen slaan omdat ze het op een reclameboodschap zien, is volstrekt mimetisch, gaat ervan uit dan de mens een pure nabootser is, ook dat is Somersiaans, een volstrekt gebrek aan vertrouwen in de kritische burger/consument. De overheid moet het allemaal regelen, uitleggen en corrigeren, zeggen waarmee we mogen lachen, anders zijn we reddeloos verloren. Terwijl ik heel zeker weet dat de grap voor hetzelfde geld een halve slag draait en de andere kant uitgaat, zich met andere woorden tegen de boodschapper keert. En dat zelfs de meest geoliede (!) communicatiemachine niet kan voorzien hoe frituristen en andere Vlamingen met een boodschap omgaan. Wie daaraan twijfelt mag zich bezinnen over de recente verkiezingsuitslag in Vlaanderen.

We hebben Bart Somers niet nodig, noch de JEP, noch RoSa, om die Bicky Burger in de vuilbak te keilen. Want ach, dit gaat over publicitaire roeptoeterij, reclamegeile politici, maar vooral ook over slecht voedsel, fast food, door Hollanders verkochte drollen met een hoop kleur- en smaakstoffen. Ziet u het probleem? Juist ja, ik ook niet.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 10 reacties

Niks ‘omstaandereffect’, dit is schuldig verzuim

massaHet was het nieuwtje van de voorbije week: vorige woensdag zakte rond middernacht een man neer op de Kortrijkse Grote Markt, zonder dat voorbijgangers zich geroepen voelden om hem te helpen. Uiteindelijk is hij gestorven, en dit uitgerekend in de modelstad van Vincent Van Quickenborne. Dankzij camerabeelden kon men een achttal passanten identificeren: ze riskeren vervolging wegens schuldig verzuim, het niet bijstaan van een mens in nood.

Stof voor wat discussie, want wanneer moet men spreken van schuldig verzuim? Wie voelt zich geroepen om een dronkaard die zijn roes uit slaapt, wakker te maken? Hoe weten we dat iemand echt medische hulp nodig heeft? Gelukkig hebben de psychologen alvast een verklaring gegeven voor het gedrag van de voorbijgangers: ze spreken over het omstandereffect.

Op VRTNWS doet ene Griet Van Vaerenbergh, lector sociale psychologie aan de Thomas More Hogeschool Antwerpen, dat haarfijn uit de doeken. Kortweg komt het erop neer dat we (over dat woordje ‘wij’ straks meer) minder geneigd zijn om tussen te komen bij een probleem, naarmate er zich meer volk rondom ons bevindt. We denken dan dat iemand anders de klus wel zal klaren en muizen er  gemakshalve vanonder.

De meerderheid en de uitzondering

Shockbox

Stanley Milgram achter zijn zogenoemde ‘shockbox’,

Het omstandereffect zowaar. Als psychologen met verklaringen afkomen, heb ik altijd het gevoel dat het warm water terug wordt uitgevonden en dat ik dat op een blauwe maandag ook wel had kunnen bedenken. Dikwijls worden ‘effecten’ of ‘syndromen’ bedacht die volgen uit statistische veralgemeningen, maar die zelden iets verhelderen over la condition humaine, de mens als bewust en veranderend wezen, iemand die keuzes maakt en beslissingen neemt. Alles is het gevolg van iets anders. Het individu en de groep worden gezien als ratten in een laboratorium, organismen die reageren op bepaalde stimuli op een stereotype manier, waaruit dan veralgemeningen volgen. Altijd wordt er finaal in de ‘wij’-vorm gesproken, ‘we doen dit’, ‘we doen dat’, alsof het een wetmatigheid geldt waaraan ‘wij’ moeten gehoorzamen.

Ook dat zogenaamd ‘omstandereffect’ ruikt naar gemakkelijk academisme en een bedenkelijk soort determinisme. Het verklaart alles en niets, en al zeker niet de diepere socialer oorzaken van onverschilligheid. Ja maar, zegt mevrouw Van Vaerenbergh,‘hoe meer mensen over het omstandereffect horen en de mechanismen erachter herkennen, hoe beter het doorbroken kan worden’. Ik durf dat te betwijfelen. Psychologische verklaringen hebben veeleer de neiging om te berusten in de menselijke natuur, of wat daarvoor doorgaat, vooral in de gedragspsychologie.

Wat maakt dat de mens méér is dan een hoop radertjes? Waar komt die uitzondering vandaan die de regel niét bevestigt?

Het fameuze experiment van Milgram uit 1963 aan de Yale-universiteit, waarbij in een proefsituatie mensen, in de rol van leraar, bereid zijn andere proefpersonen, in de rol van leerling, te bestraffen met elektrische schokken tot op een dodelijk niveau, gewoon omdat het van hen verwacht werd, is interessant omdat het inzicht geeft in het sociaal mechanisme van de foltering. Maar heeft dat soort experimenten geleid tot zoiets als een gedragsverandering? Neen, natuurlijk niet. Integendeel zelfs. We weten nu dat 70% die elektrische schokken wil toedienen, en dus is dat ook ‘normaal’. En wie wil niet voor normaal doorgaan?

Toch loont het misschien de moeite om op de minderheid te focussen, de 30% die de theorie van mevrouw Van Vaerenbergh niét bevestigt: interessanter dan de psychologische ‘wetmatigheid’, is het fenomeen dat sommige mensen hem blijkbaar overtreden en wél helpen. Ik heb het meegemaakt, echt: iemand die eruit zag als een zatlap, liggend tussen de struiken, en mensen die zich over hem bogen. Waar zit dan het verschil? Wat maakt dat de mens méér is dan een hoop radertjes? Waar komt die uitzondering vandaan die de regel niét bevestigt? Wat maakt dat iemand uit de angstige kudde treedt en zich toch over een roerloos lichaam buigt?

Ter vergelijking: in Thailand heeft men een aantal dode olifanten ontdekt die een kalfje hadden geprobeerd te redden dat in een waterval was gesukkeld. Tragisch, maar geen Kortrijks gezemel daar. Gaan we er eigenlijk wel op vooruit?

Opvoeding tot empathie én weerbaarheid

kerstmarkt

De Brusselse Kerstmarkt

In de gemassificeerde samenleving is de verleiding groot om de mens als een rat te zien en de stad als een labyrint vol proefdieren, vee dat op trams wordt gestouwd of in de file staat te wachten. Nu ook 24u/24u met camera’s gevolgd, wat de veiligheid amper verhoogt, maar wel de controleerbaarheid van elk individu. In zo’n universum help je niemand recht, maar probeer je zelf rechtop te blijven en vooral niet op te vallen. Al het geleuter over ‘verbondenheid’ en solidariteit blijkt gebakken lucht die vooral bovendrijft in gemediatiseerde goede-doelen-spektakels als De Warmste Week, maar in de realiteit is het elk voor zich, en hopen dat men in de groep geborgenheid vindt. De cultus van het sentiment is een georganiseerd alibi voor de kuddegeest, ook op de Grote Markt van Kortrijk waar straks de kraampjes van de Kerstmarkt zullen verrijzen.

Het psychologiseren van alles en nog wat is goed voor de tewerkstelling van afgestudeerde psychologen, en voor journalisten om snel wat kopij te hebben, maar we schieten er niets mee op. Een vereenzaamde jongeman die ligt te creperen in een park, overleden bejaarden die pas maanden nadien in staat van ontbinding gevonden worden, het wijst op een fundamenteel euvel in onze versplinterde samenleving.

De cultus van het sentiment is een georganiseerd alibi voor de kuddegeest

Dus ja, het is goed dat de maatschappij dit als een anomalie ziet, een ab-normaliteit letterlijk als schuldig verzuim. Ongeacht welke sanctie daar tegenover staat. Weglopen is laf en mensen niet helpen is niét ok. Empathie zou een sleutelrol moeten innemen in het opvoedingsmodel, waar vooral techneuten en vakidioten worden klaargestoomd voor het beroepsleven en voor de heilige koe van de economie. Ik heb het dan niet over een soft levensbeschouwelijk bijvakje,- of dat nu godsdienst, moraal of LEF heet,- maar echt over pedagogische core business, het propageren van een levenshouding ondersteund door een cultureel waardenpatroon. Jeugdbewegingen kunnen daarin een belangrijke ondersteunende rol spelen. Ook het tussenkomen bij agressie, wanneer bijvoorbeeld reizigers op tram of trein lastig gevallen worden, of wanneer een halvegare een mes trekt, is een reflex die kan aangeleerd worden, zonder dat er een psycholoog hoeft aan te pas te komen. Misschien eerder iemand die wat gevechtstechnieken en zelfverdediging aanleert.

Empathie en weerbaarheid sluiten elkaar niet uit, ze zijn aanvullend. Het zijn de twee hoekstenen van een mentaal gezonde samenleving, én de twee pijlers van cognitieve ontwikkeling. Benieuwd of de kersverse Vlaamse onderwijsminister daar überhaupt al een opinie over heeft.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 7 reacties

Don Carlos in de Vlaamse Opera: saai tot redelijk troosteloos

rollendZondag 6 oktober was het nog eens tijd om ons naar de Scheldestad te begeven en een opvoering van Don Carlos van Guiseppe Verdi in de Vlaamse Opera mee te maken. Ingewijden weten dat ik als fervent operaliefhebber een trouw bezoeker van die instelling ben, ook al is de Antwerpse binnenstad nog altijd quasi-ontoegankelijk voor mensen van de parking, zoals de rest van Vlaanderen door de Sinjoor wordt genoemd. In het huis van vertrouwen stinkt het op de parterre soms hardnekkig naar het putje, een soort WC-chloorgeur, dat is al van toen ik als prille puber mijn eerste abonnement kocht. Er zijn nog zekerheden in het leven. Het operaplein werd recent heraangelegd tot één groot tochtgat zonder ook maar één boom of landmark, als je de wolkenkrabber naast het operagebouw niet meetelt: het wordt nu al beschouwd als dé mislukking van de Antwerpse stadsvernieuwing.

De wetten van de Grand Opera

Niet toevallig werden Vlaamse rebellen in de wandelgangen gesignaleerd.

Daarover verder niet getreurd. Don Carlos behandelt een episode uit de geschiedenis die speciaal tot onze verbeelding spreekt: de Spaanse tirannie in de Nederlanden van de 16de eeuw.  Onder  de kille potentaat Filips II, de zoon van onze Keizer Karel, bereikt de inquisitie een hoogtepunt. Diens zoon, de infant Don Carlos, is een kwetsbare, labiele jongeman die moet dulden dat zijn vader met zijn geliefde, Elisabeth van Valois, trouwt uit politieke berekening. Don Carlos keert zich tegen hem en schaart zich achter de Vlaamse opstand, tot hij zelf slachtoffer wordt van de inquisitie en in een kerker wegkwijnt.

Opera was in het Parijs van het Second Empire dan ook vooral een society-gebeuren en diende perfect afgestemd te zijn op de noden en pleziertjes van de topbourgeoisie

Dat is althans de rode draad van het gelijknamige drama van Friedrich Schiller uit 1787. Het werk van Verdi was een bestelling van de Parijse opera en draagt daar alle sporen van. Met hun zogenaamde Grand Opera hadden de Fransen namelijk uitgemaakt dat zo’n stuk vijf bedrijven moest hebben (veel pauzes dus om te flaneren), een ballet, een aantal spectaculaire massatonelen met veel effecten, én voldoende solo’s voor de geliefde vedetten. In voetbaltermen zijn die solo’s volstrekt stilstaande fasen, waar alles bevriest en de zanger(es) staat te declameren, gevolgd door langdurig applaus.

Opera was in het Parijs van het Second Empire dan ook vooral een society-gebeuren en diende perfect afgestemd te zijn op de noden en pleziertjes van de topbourgeoisie, tot in alle details zoals het uur van dineren tijdens de pauze(s). Je zou denken: een beetje artiest gaat daar met een wijde boog rond. Maar omdat de Parijse opera in de tweede helft van de 19de eeuw nu eenmaal als hét wereldwijde toppodium gold, met ook alle technische snufjes, wou elke componist er wel zijn kunsten vertonen en zich aanpassen aan de heersende conventies en het arrogante publiek.

De schim van Keizer Karel

Zelfs Richard Wagner, dé geniale blaaskaak uit de operageschiedenis en altijd vol van zichzelf, deed in 1861 een knieval voor Parijs en prutste voor de gelegenheid wat aan zijn eerder geschreven Tannhäuser -mét extra ballet dus-, tevergeefs: het werk werd uitgefloten wegens ‘te Duits’. Zes jaar later, in 1867, mocht zijn grote Italiaanse concurrent Guiseppe Verdi het ook eens proberen. Verdi’s carrière stond toen al op een hoogtepunt, hij had de opdracht ook gewoon kunnen weigeren.

Sindsdien is Verdi de rest van zijn bestaan tamelijk gefrustreerd blijven bricoleren aan die opera, wat in maar liefst zeven versies resulteerde.

Nog voor de première eiste de directie al dat het werk werd ingekort, wat de componist ook terstond deed. Helaas, ook Don Carlos kon het chichi-publiek van de Franse hoofdstad maar matig bekoren, al voldeed het uiterlijk aan alle hierboven opgesomde criteria. Tot en met het geforceerde happy end, waarbij Don Carlos niet sterft maar door de schim van zijn grootvader (!), Keizer Karel dus, naar het klooster wordt begeleid, kwestie van onze Werner Van Mechelen ook iets te doen te geven. Schiller moet zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Sindsdien is Verdi de rest van zijn bestaan tamelijk gefrustreerd blijven bricoleren aan die opera, liet hem herschrijven naar het Italiaans, tot er zo’n zeven versies van bestonden met allemaal hun voor- maar vooral nadelen. Want heel eerlijk: het is en blijft een zwak werk, afgeleverd door de componist die toen al zijn geniale drieslag Rigoletto/Il Trovatore/La Traviata had gecomponeerd. Muzikaal boordevol clichés en geforceerd klinkend bombast, tekstueel langdradig, teveel schatplichtig aan de Franse declamatiestijl die eigenlijk het woord bovenop de muziek plaatst en vooral de solist laat gloriëren.

Rollend materieel

CarlosWat heeft de Vlaamse opera nu met deze -in het Frans gezongen- draak gedaan? Niet veel. Het enige wat deze opera kan redden van de verveling is spektakel, een steengoede regie en visuele prikkeling, misschien zelfs enige humor en ironie, waarbij we als kleine bourgeois een namiddagje genieten voor ons dure inkomgeld. Ik wil ook wel eens een paar kippenvelmomenten, muzikaal en scenisch, als het niet teveel gevraagd is.

Maar regisseur Johan Simons koos ervoor om de verveling te sublimeren tot een vier uur durende zee van troosteloosheid: niets dan roltafeltjes en ziekenhuisbedden op de scène, die bij opgeschoven tralies ook wel een gevangenis konden verbeelden, en waarin de hoofdfiguur rondhangt als een geesteszieke. De andere protagonisten hebben er werk mee: tussendoor rolt er al eens eentje zo’n bed een paar meter vooruit om wat been- en ademruimte te hebben. Ik weet niet of de regisseur dat zo heeft voorgeschreven, maar het oogt bijwijlen echt als de Brusselse ring op het spitsuur waar iemand af en toe de pechstrook gebruikt. Daar bovenop komen er af en toe hallucinogene objecten uit de lucht gevallen, kartonnen zetstukken die niet echt vaart of dynamiek in de regie brengen, eerder integendeel.

Deze enscenering lijdt aan modernistische eentonigheid die vooral het uithoudingsvermogen van het publiek op de proef stelt.

De wegkwijnende Don Carlos dus, die heel de opera als een flash back ondergaat. We kunnen in theorie het concept wel volgen, maar het werkt gewoon niet, toch niet bij een stuk van die matige kwaliteit. Vocaal deed iedereen zijn best en had titelfiguur Leonardo Capalbo ronduit schitterende momenten, daar niet van. Het koor zit voor het grootste deel van de tijd weggestopt achter een half-doorzichtig projectiescherm, en de fameuze terechtstelling van de Vlaamse opstandelingen wordt gereduceerd tot een pose van een handvol bewakers die evenveel gevangenen in een catchgreep houden. Voor het overige is er van geëlaboreerde personenregie eigenlijk geen sprake, iedereen doet maar wat en trekt zijn plan in deze uitvergrote isoleercel.

Deze enscenering lijdt aan modernistische eentonigheid die vooral het uithoudingsvermogen van het publiek op de proef stelt. Johan Simons mag dan al een gewaardeerd theaterman zijn die tussen 2005 en 2010 ook het NTGent leidde, als operaregisseur mist hij volgens mij de feeling voor het genre en gaat hij iets te graag de ‘pedagogische’, boodschapperige lijn op. Bekijkt men de rest van de seizoensprogrammatie 2019-2020, dan lijkt het erop dat kersvers directeur Jan Vandenhouwe vooral zijn eieren in die mand zal leggen, zogezegd om een nieuw en jong publiek aan te trekken. Ik heb daar zo mijn twijfels over. De magie van een totaalervaring, zoals Wagner die beoogde, is tijdeloos. Complete colonnes ‘eigentijdse’ regisseurs hebben er zich al mee bemoeid, ook dat is een modetrend die zoals de Parijse Grand Opera achteraf vermoedelijk meewarig zal bekeken worden.

Dit gezegd zijnde, mits aangenaam gezelschap en voldoende beenruimte valt die voorstelling best wel mee. Wat dat eerste betreft: Gudrun heeft me geleerd dat je je ook met een slechte voorstelling ontzettend kunt amuseren. Een totaal nieuwe ervaring, zalig.

Don Carlos, Vlaamse Opera

In Antwerpen nog op 9 oktober

In Gent nog op 16,19,22,25,27,30 oktober

Geplaatst in Geen categorie | 9 reacties

‘Vlaanderen wordt een natie’: hoe Gwendolyn haar eigen tricolore sjerp terug kreeg

Vlaamse regeringMet een verpletterende meerderheid en talloze applaussalvo’s keurde het N-VA-congres het Vlaamse regeringsakkoord goed, las ik in de kranten. Het Zangfeestachtige motto dat door de propvolle zaal zinderde en de militanten keer op keer deed recht veren: ‘Vlaanderen wordt een natie’. Bewijs daarvan, dé hoeksteen van het Vlaamse regeerakkoord: de  zwart-gele burgemeesterssjerp, weliswaar optioneel want ook de driekleur mag.

Er werd wat lacherig gedaan over die sjerpenkwestie, maar eigenlijk schuilt er een verbluffend staaltje onderhandelingsstrategie achter, getekend de maestro achter de schermen, Bart De Wever himself. Dat zit zo. Om de rechtse achterban te paaien moesten er een paar stevige VB-alikes worden opgenomen, zoals meer afdokken voor een inburgeringstraject (het OCMW zal wel bijpassen) en beperkte toegang voor nieuwkomers tot de sociale zekerheid (idem). Dat lag moeilijk bij Gwendolyn Rutten (Open-VLD) en Wouter Beke (CD&V), zoals u weet nog altijd fans van de multiculturaliteit, de ‘inclusieve samenleving’ en open grenzen. Vooral Gwendolyn pruttelde, temeer daar Jan daags ervoor die degoutante zwart-gele sjerp al op tafel had gegooid, iets wat zij als titelvoerende burgemeester van Aarschot op geen enkele manier verenigbaar zag met haar garderobe.

Awel ’t is goed, sprak de kandidaat-minister-president, we sluizen dat inburgerlingsluik erdoor, en gij krijgt uw tricolore sjerp terug. Waarna Wouter zei: awel dan is ’t voor mij ook goed. Waarna Gwendolyn glunderend de pers te woord stond en sprak van een ‘evenwichtig akkoord na lange, constructieve gesprekken’.

Iets afpakken, het treiterig voor de ogen van het slachtoffer laten fladderen en het na enig geween terug geven: normaal noemt men dat pesterij, maar in de laatste rechte lijn naar een regeerakkoord gebeuren nu eenmaal dingen die ik hier zelfs niet durf neer te schrijven.

Verbeelde gemeenschap

Afbeeldingsresultaat voor Francesco Vanderjeugd kapperEn zo krijgen de Belgicisten hun zin, maar ook de lieden die verheugd constateren dat Vlaanderen een natie wordt. Volgens een HLN-peiling wil alvast 75 % van de burgervaders en -moeders het bij de tricolore sjerp houden. Al was het maar wegens de extra kosten, zegge en schrijven 350 euro. Een haarkapper als Francesco Vanderjeugd (Open-VLD, foto), in zijn vrije tijd ook burgemeester van Staden, moet daarvoor toch al gauw tien heren van een propere snit voorzien. Hier en daar laat er eentje weten beide te zullen gebruiken, naargelang de gelegenheid. Bijvoorbeeld, als de koning passeert, gaan we die toch niet affronteren met een zwart-geel heuplint? Partijgenoot Stefaan Devleeschouwer, burgemeester van Brakel, stelt het nog duidelijker: mocht die flamingante sjerp ooit een verplichting worden, dan laat hij er een in regenboogkleuren maken, na. Hoorbaar applaus van Gwendolyn.

Als de koning passeert, gaan we die toch niet affronteren met een zwart-geel heuplint?

Even ter herinnering, wat is dat nu weer, een natie? Volgens de moderne politicologie: een verbeelde gemeenschap die zich affirmeert in een politieke autonomie en een territoriale eenheid. ‘Een verbeelde gemeenschap’, die term gebruikt ook Bart De Wever in zijn boek over identiteit. Bedoeld wordt een gemeenschap van mensen die mekaar niet persoonlijk kennen maar zich toch op een of andere manier verbonden voelen, en dat ook willen uiten. Via het dragen van een sjerp in wintertijd bijvoorbeeld, maakt niet uit welke kleur.

Ruiltocht

Afbeeldingsresultaat voor diepvriesZoiets opbouwen is niet simpel, tussen droom en daad staan vele praktische bezwaren. Nummer één van de N-VA-statuten vermeldt nog steeds een onafhankelijke Vlaamse republiek als streefdoel. Maar peilingen geven aan dat er voor die nobele Catalaanse gedachte in Vlaanderen geen meerderheid te vinden is. Dus kwam plan B, het confederalisme, op tafel: iets tussen de twee, Vlaanderen en Wallonië apart maar toch nog binnen ‘iets’ Belgisch, vermoedelijk ook met jobzekerheid voor Filip I van België en zijn nageslacht. Vervolgens proefde de N-VA van de Belgische macht en verdween ook de confederale pist in de spreekwoordelijke diepvries, als zijnde ‘onwerkbaar’, iets voor later. Telkens tot de volgende verkiezingen, dat zou het moment van de waarheid worden, geloofden de trouwe militanten tussen De Panne en Maaseik. Dit keer zou het dus menens zijn. Helaas, bij monde van haar grootste megafoon, Theo Francken, heeft de grootste partij van Vlaanderen nu een opening gemaakt naar de gehate PS om België te besturen, ‘omdat men nu eenmaal met de kaarten moet spelen die men heeft’. Een afloop die ik al drie dagen na de verkiezingen van 26 mei in een analyse had voorspeld, maar wat toen als een Sanctorumeske hersenschim werd afgedaan. En toeval of niet, dat sjerpenidee werd gelekt uit de onderhandelingskamer net op het moment dat Francken de bocht aankondigde.

Van de republiek naar een keuzesjerp, via een aantal tussenstations, en zonder dat iemand daar nu echt graten in ziet: noem dit gerust de kracht van verandering op zijn best. Het doet eigenlijk denken aan de omgekeerde ruiltocht die we van scouts en Chiro kennen: je vertrekt met een ei en probeert dat van deur tot deur in te wisselen voor iets met meer waarde, en zo verder, tot je bij manier van spreken met een Rubens thuis komt. In deze ketting gebeurt het omgekeerde: men vertrekt van een groot verhaal en eindigt bij een broeksriem in twee kleuren, te dragen op huwelijken en kermissen.

Esthetische wending

Ik wil toch even de schoonheid van deze ketting belichten, in navolging van wat mijn goede vriend Sid Lukkassen als de esthetische wending in de politiek omschrijft: de stelselmatige verschuiving van ideologieën, principes en opvattingen over hoe de samenleving er moet uitzien, naar de ‘sportieve’ dimensie van het politieke bedrijf, zichtbaar in retoriek, tactische wendingen, het spel met de pers (die helemaal meegaat in het theater), de aandacht voor ‘communicatie’, cosmetica, smuk, vertoning, zeg maar de show. Op de duur wordt er niet meer aan de samenleving gesleuteld,- wat men van de politiek toch zou verwachten-, alleen nog vernis gespoten, brandjes geblust en scheurtjes gerepareerd met geparfumeerd snelcement.

Geen journalist bekommert zich dan ook nog om de vraag waar de N-VA nu eigenlijk heen wil, men bestudeert en bewondert gewoon de strategie…

Het accepteren van deze realiteit kan u veel ergernis besparen, de media zijn u daarin behulpzaam. Geen journalist bekommert zich dan ook nog om de vraag waar de N-VA nu eigenlijk heen wil, er wordt alleen nog bewonderend gefluisterd over de communicatie en de strategie,- dat betekent: rondjes lopen in de arena en zoveel mogelijk concurrenten hinderen of in de berm doen belanden. Langzamerhand verzoent ook de kiezer zich met deze postmoderne wending, en wie er zich niet in kan vinden stemt voor het VB of de PVDA, de laatste niet-esthetische partijen, die men dan ook ronduit als ondemocratische spelbedervers beschouwt.

De ‘schoonheid’ bestaat er inderdaad in dat de nachtelijke onderhandelingen, waarin de verliezers van de laatste verkiezingen bijeen waren gekropen om zich aan de juiste kant van de geschiedenis te scharen, alle pretenties van ‘een project’ en de maakbare samenleving hebben opgegeven. Dat project moest Vlaanderen worden, maar dankzij Jambon, Beke en Rutten werd het een taart met krenten voor iedereen, en afgewerkt met dus dat lint in twee optionele versies. Om dan in oktober met een septemberverklaring voor het parlement te komen, oei, kleine vergetelheid, zonder cijfers die de pret zouden kunnen bederven.

Vlaanderen boven

Nogmaals: als u dat allemaal niet ernstig vindt, dan snapt u niets van politiek. We kunnen nu de Engelse term ‘imagined community’ beter vertalen als ingebeelde gemeenschap, een bont allegaartje waarvan zelfs de symbolen niet kleurvast blijken. Misschien is dat wel gewoon onze Vlaamse identiteit, wat ik eerder ook al opmerkte over de fameuze canon: een lappendeken van goede bedoelingen,  gerateerde kansen, halve oplossingen en vooral veel gekibbel, er nooit eens echt een gedacht van kunnen maken. Een gemeenschap die aaneenhangt als los zand. Die republiek komt er nooit, weten ze bij de NVA, en dat nr 1 van de statuten is dode letter in een universum dat nu eenmaal leeft van dode letters.

Ik kan me alleen maar aansluiten bij het alternatieve Vlaamse volkslied van Raymond van het Groenewoud, genaamd ‘Vlaanderen boven’

… Waar de schuimwijnkoningin defileert
Waar het volk goedlachs is
En een vuist zonder kracht is
Waar men faalt en aan de toog expliceert

Waar je mag stoppen met kniezen
Waar verandering kracht heeft
Waar men diversiteit beleeft
En men tussen zijn sjerpen mag kiezen

De laatste strofe heb ik er uiteraard zelf aan toegevoegd. De canon is nooit voltooid, we blijven hem opbouwen zoals de natie zelf, bij deze.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee.

Geplaatst in Geen categorie | 8 reacties

Is Joël De Ceulaer een gevaar voor de democratie?

Ceulaer_KanaalZ

Bedenkingen bij journalistieke bedenkingen

Als een journalist een boek uitgeeft krijgt dat veel amplitude, wellicht meer dan het boek dat verdient, omdat journalisten nu eenmaal zelf aan de knoppen van de micro zitten en hun netwerk gebruiken om dat opus te promoten. Dat geldt zeker ook voor ‘Hoera! De democratie is niet perfect’ van DM-journalist Joël De Ceulaer. In een Doorbraak-interview betoogt hij dat de klassieke representatieve democratie, ondanks haar gebreken, nog altijd het beste is, en dat we zo niet moeten afgeven op het systeem. Zelf klopt hij zich rouwmoedig op de borst inzake journalistieke betweterij: ‘Volgens mij moeten journalisten nog een beetje bevrijd worden van hun paternalistische reflex. Zelf ben ik daar in de loop der jaren van verlost geraakt.’

De journalist als bewaker van de mainstream

Dat is dan goed nieuws. In een interview op kanaal Z met Guy Polspoel doet Joël het nog eens over, en verdedigt het cordon sanitaire rond het Vlaams Belang als ‘iets democratisch’. Het klopt dat partijen mogen scheep gaan met wie ze willen. Dat leidt tot rare situaties zoals in Ninove, waar Guy D’haeseleer op een zucht van de absolute meerderheid strandt en alle verliezers kouwelijk bij elkaar kruipen om aan een meerderheid te geraken. Men kan zich de vraag stellen of dat nog wel overeenstemt met de geest van de democratie, maar formeel mag het. Wanneer Polspoel dan vraagt waaraan het VB die voorkeursbehandeling te danken heeft, komt pas de aap uit de mouw: het Vlaams Belang zou de rechtstaat schade kunnen toebrengen, de partij betekent een gevaar voor onze democratie, aldus onze journalistieke waarzegger.

Ik veronderstel dat grondwetspecialisten als Hendrik Vuye van hun stoel vallen als ze kennis nemen van het ongezonde amateurisme van orakels als De Ceulaer

Een niet mis te verstande waarschuwing: wie voor het VB stemt, stemt tegen de rechtstaat. Het feit alleen al dat De Ceulaer dat zomaar zegt, zonder ergens een zweem van argumentatie, betekent al dat die paternalistische reflex nog niet helemaal bedwongen is. Journalisten van de mainstream media zijn gewoon onverbeterlijke pedagogen, maar dan in de meest pejoratieve betekenis van dat woord: mensen die zichzelf een quasi-monopolie op relevante opinies hebben toegekend. Ze worden geflankeerd door ‘opiniemakers’, die uiteraard ook alleen bestaan bij gratie van de media. Het kransje dat steevast in De Afspraak opduikt bijvoorbeeld, of gastcolumns in de kranten mag vullen. Op die manier is de democratie gewoonweg een mediademocratie geworden, waarin bijvoorbeeld wordt afgehamerd welke partijen conform de rechtstaat zijn, en welke niet.

Ik veronderstel dat grondwetspecialisten als Hendrik Vuye van hun stoel vallen als ze kennis nemen van het ongezonde amateurisme van orakels als De Ceulaer (die het als germanist zowaar ook tot kandidaat in de filosofie bracht, lees ik in Wikipedia), maar dat is naast de kwestie: Vuye zelf is afgeserveerd door het politieke systeem, in casu de N-VA, wegens te lastig en te kritisch, én te deskundig. Onafhankelijk zetelen, zonder fractie, bleek in de realiteit niet haalbaar. Hendrik Vuye is nochtans met voorsprong de beste parlementariër die ik in mijn carrière van politiek observator de revue heb zien passeren, net omdat hij de particratie uitdaagde, het parlement als centrum van de democratie wilde herwaarderen, en daarom ook door de perslui ietwat argwanend als een alien werd bejegend. Perslui die met het Wetstraatmilieu nu eenmaal tot in de diepste vezel verstrengeld zitten.

Ik refereer nog eens aan het moment van woede bij de heer De Ceulaer, toen Gwendolyn Rutten (Open VLD) volgens hem niet voldoende mededogen opbracht voor een gezin van asielzoekers, waarna de journalist als represaille een ‘geheimpje’ uitbracht dat ons anders nooit zou bereikt hebben. Een lapsus die kan tellen: journalisten en politici houden elkaar gegijzeld. De journalisten zijn van primeurs en inside-informatie afhankelijk, de politici van hun goodwill om vooral ook zaken niét prijs te geven. Omerta in de democratische rechtstaat, het kan, het werkt. Hoera de democratie is niet perfect, het zal wel zijn.

De mediacratie onderbelicht

Afbeeldingsresultaat voor De AfspraakHet woord amateurisme is gevallen, en ik ga er even op door. Het feit dat onze wetgeving met haken en ogen aaneen hangt, heeft te maken met de belabberde staat van het politiek personeel. Dat zegt De Ceulaer in zijn boek en daar geef ik hem zelfs gelijk in. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen: doordat de pers haar rol niet speelt van kritische outsider, de spreekwoordelijke lastige luis, wordt de politieke klasse ook nauwelijks verontrust. Buitenbeentjes genre Hilde Geens (De Bende van Nijvel) en de overleden Raf Sauviller (De Mocromaffia) moesten hun project thuis uitwerken, na hun uren, want hun hoofdredacteur vond dat uitspitten maar niks.

En dàt vind ik een veel groter gevaar voor de rechtstaat: onderzoeksjournalisten worden ontmoedigd, kritische commentatoren à la Rik Van Cauwelaert sterven uit, wat rest zijn de Brinkmans, de Sturtewagens, en, het spijt me voor de Ceulaer, ook onze senior writer bij De Morgen. Opiniejournalisten die zichzelf vrij schaamteloos op de kansel hebben gehesen om niet alleen in hun eigen krant maar ook op televisie de lezer/kijker/kiezer voor te lichten over wat als politiek correct mag beschouwd worden en wat daarbuiten valt. Dat is een erfenis van ’68: na de ontzuiling ontstond er een nieuw journalistiek establishment dat onderdak kreeg en carrière maakte in de grote mediagroepen, en van daaruit een top/down-discours ontwikkelde richting de onverlichte, onwetende massa. De arrogantie die we vandaag kennen bij de perskaartjournalisten, en die in uitspraken als deze van de Ceulaer over ‘rechtstaatvijandige’ politici en partijen doorzindert, is in wezen een restant van dat cultuurmarxistisch syndroom.

De Vlaamse journalistiek opinieert en ‘duidt’ dat het een lieve lust is. Kritisch onderzoeken  en écht informeren daarentegen, ho maar.

Heet van de pers kan ik nog meedelen dat Doorbraak zich genoodzaakt zag, alle kritische verwijzingen naar Knack-journalist Jeroen De Preter in mijn Pukkelpop-artikel te schrappen, omdat betrokkene met een klacht dreigde bij de Raad voor Journalistiek. ‘Het is met lood in de schoenen dat ik toegeef aan chantage’, aldus hoofdredacteur Pieter Bauwens. Weerom toegeven dus. Zo werkt intimidatie, vanwege journalisten zelf, in onze voor de rest voortreffelijke rechtstaat.

Het grondwettelijk gegarandeerde recht op vrije mening is een dode mus. Natuurlijk kan iedereen zich ontlasten op Twitter en Facebook, journalisten en politici zelf ook, maar het is op de mediaplatformen en in de televisiestudio’s, de duidingprogramma’s en de talkshows, dat de meningen worden gefilterd en er zoiets als een mainstream wordt geëlaboreerd. Die helemaal niet conform de publieke opinie hoeft te zijn, want dat heet populisme en het is net die buikdemocratie waar de perspedagogen voor waarschuwen en die ze willen ‘bijsturen’. De Vlaamse journalistiek opinieert en ‘duidt’ dat het een lieve lust is. Kritisch onderzoeken  en écht informeren daarentegen, ho maar. Terwijl het accent op informatie zou moeten liggen, de lezer/kijker zal zich wel zelf een opinie vormen, maar dat is blijkbaar de bedoeling niet.

Het boek van De Ceulaer is voor de rest vooral een kritiek op de particratie, het dotatiesysteem, de opmaak van de lijsten, enzovoort, maar meer en meer blijkt deze (pertinente en al veel gemaakte analyse) een mistgordijn om de mediacratie niet te moeten onder handen nemen. We hebben geen kritische pers in Vlaanderen, geen satire die naam waardig maar ook geen ‘serieuze’ luizen in de pels. Aan de linkerzijde, waar het gros van de perslui samen met Joël de Ceulaer zich ophoudt, nog het minst. Het systeem is ok, zeur niet zo, en laat ons gerust, klinkt de boodschap.

82% van de Vlamingen stemt niet voor het VB, rekent Joël ons nog voor. Dat klopt. Die 82% zitten verspreid over pakweg zes partijen en partijtjes waarvan er maar één groter is dan de rechtstaatonvriendelijke partij waarrond een cordon moet gehandhaafd blijven. Ongerust stelt hij vast dat het programma van het VB zich toch min of meer realiseert vanuit de oppositie omdat de bestuurspartijen zich genoodzaakt zien de standpunten ervan over te nemen. Uit schrik voor de kiezer en zijn oordeel. Een betere illustratie voor de zinledigheid van dat cordon ken ik eigenlijk niet.

‘Na het journaal komt het nieuws’, het boek en de lezing over de Vlaamse media: voor meer info klik hier.

Geplaatst in Geen categorie, Media | 27 reacties